Onze analyse van de PISA 2022-gegevens bewijst het: meer marktwerking betekent ook meer segregatie en ongelijkheid in onderwijs

Facebooktwittermail

Hoe meer het onderwijs is georganiseerd op een liberale basis, als een quasi-markt, hoe meer segregatie en ongelijkheid van resultaten er is. Dat is de les van een nieuwe studie van de studiedienst van Ovds op basis van gegevens uit het PISA 2022-onderzoek. [1]

Steun ons burgerinitiatief om segregatie op scholen tegen te gaan

Op 25 maart organiseerde Ovds een webinar met Nico Hirtt over deze studie. Je kan hier de video van de conferentie bekijken.  

Wat is een quasi-markt in onderwijs?

De manier waarop leerlingen over verschillende scholen worden verdeeld, verschilt sterk van land tot land. In sommige gevallen is de procedure strikt: je kunt alleen naar de openbare school die het dichtst bij je huis ligt, anders moet je naar privéonderwijs. Elders krijg je eerst een openbare school aangeboden, maar zijn ouders min of meer vrij om een andere school te kiezen, afhankelijk van de beschikbaarheid van plaatsen. In een paar landen, onder andere België, krijgen ouders helemaal geen school aangeboden: ze moeten zelf een plaats zoeken. Ook de aard van het privéonderwijs varieert sterk. In veel landen is privéonderwijs zeldzaam en duur en daarom voorbehouden aan een kleine minderheid van rijke ouders. Elders is het wijdverspreider of zelfs in de meerderheid. In deze gevallen wordt het vaak gesubsidieerd door de staat, in ruil voor een zekere mate van regelgeving, bv op het gebied van het curriculum. Dit is het geval in België, waar het “vrij onderwijs” – in hoofdzaak het katholiek onderwijs – kan worden omschreven als semi-openbaar.

Een ander verschil tussen landen is de mate van vrijheid die scholen krijgen om leerlingen al dan niet in te schrijven. In sommige gevallen is deze vrijheid zeer beperkt of zelfs onbestaande: scholen moeten iedereen toelaten, maar geven voorrang aan leerlingen die aan de school zijn “toegewezen” of die in het “verzorgingsgebied” van de school wonen. We hebben dus landen waar de toewijzing van leerlingen aan scholen zeer strikt gereguleerd is, en andere waar het op een soort vrije markt lijkt.

Op een gewone markt, bijvoorbeeld de automarkt, zijn klanten vrij om hun merk en model te kiezen; merken zijn vrij om dealers in te zetten waar ze maar willen en te verkopen aan wie ze maar willen; en hoe meer klanten een merk heeft, hoe meer geld het verdient.

Op de onderwijsmarkt zijn ouders en leerlingen (“klanten”) vrij om hun school te kiezen; scholen (“merken”) zijn vrij om het onderwijs aan te bieden dat ze willen, waar ze willen en aan wie ze willen; en hoe meer leerlingen (“klanten”) een school werft, hoe meer financiële middelen en personeelsleden ze zal hebben.

Wanneer openbaar of door de overheid gesubsidieerd onderwijs op deze manier georganiseerd is, spreken we meestal van een “quasi-markt”. Er is een belangrijk verschil met een gewone markt, namelijk dat het niet de “klant” is die rechtstreeks betaalt aan zijn “leverancier”, maar dat de betaling voor de dienst gebeurt via een derde partij: de staat. Ouders betalen belasting aan de staat en de staat financiert scholen min of meer in verhouding tot het aantal leerlingen dat ze inschrijven.

In werkelijkheid liggen de zaken natuurlijk ingewikkelder. Geen enkel land heeft een “zuivere” quasi-onderwijsmarkt, omdat er altijd een vorm van regulering is (in het Vlaams en Franstalig onderwijs kennen we bijvoorbeeld inschrijvingsdecreten die bepaalde regels opleggen aan de scholen). Omgekeerd is er geen enkel land waar alle leerlingen automatisch en verplicht worden toegewezen aan een school zonder enige mogelijkheid om van school te veranderen. Maar het is zeker dat de mate van vrije markt in het onderwijs sterk verschilt van land tot land.

Welk verband is er tussen quasi-markt en ongelijkheid ?

Veel onderzoek lijkt aan te tonen dat wanneer er meer vrije markt is, wanneer dus vrije keuze voor ouders gecombineerd wordt met meer autonomie voor scholen op het vlak van “schoolaanbod”, dit doorgaans leidt tot meer segregatie en dus grotere ongelijkheid.

In Engeland, waar liberaal beleid werd ingevoerd vanaf de Education Reform Act van 1988, hebben onderzoekers een parallelle toename van segregatie en gettovorming waargenomen.

Zweden, dat ooit bekend stond om zijn zeer rechtvaardig onderwijssysteem, heeft de afgelopen decennia veel marktmechanismen in het onderwijsbeleid ingevoerd. Verschillende auteurs wijzen erop dat dit heeft geleid tot een toename van segregatie en ongelijkheid. Hetzelfde fenomeen is, meer recent en in mindere mate, waargenomen in Finland. Noorwegen daarentegen, dat een bindend systeem voor de toewijzing van leerlingen aan scholen heeft behouden, blijft een “goede leerling” op het vlak van gelijkheid in het onderwijs.

België heeft een van de meest competitieve onderwijssystemen ter wereld. Dit is het resultaat van historische omstandigheden die specifiek zijn voor ons land, in het bijzonder de twee “schooloorlogen”. Maar België wordt ook gekenmerkt door een grote sociale segregatie in het onderwijs en door grote verschillen in de PISA-scores naargelang de sociale herkomst van de leerling. Om deze ongelijkheid te verminderen zijn bepaalde beleidsmaatregelen uitgeprobeerd – denk aan het GOK-beleid of de hervorming van het secundair onderwijs – of worden er momenteel uitgerold, zoals het “Pacte d’Excellence” in het Franstalig onderwijs. Maar het onderwijsbeleid in ons land vermijdt over het algemeen om de quasi-onderwijsmarkt aan te pakken. Is dit verstandig? Is het realistisch om te hopen op een democratisering van het slagen op school als we onze concurrerende onderwijsnetten en de verplichting voor ouders om zelf een school voor hun kind te vinden, in stand houden?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we de impact van de quasi-markt op onderwijsgelijkheid kunnen kwantificeren. Dit is wat we in deze studie gaan doen, met behulp van gegevens uit het recente PISA 2022-onderzoek.

Het algemene principe van deze studie is eenvoudig. We gebruiken de PISA-gegevens om drie indicatoren te construeren:

  • Een index van sociale ongelijkheid in het onderwijs, die antwoord geeft op de vraag: “in hoeverre zijn cognitieve prestaties afhankelijk van de sociale achtergrond van leerlingen?”.
  • Een indicator van sociale segregatie, die antwoord geeft op de vraag: “In welke mate zijn leerlingen gesegregeerd in verschillende scholen op basis van hun sociale afkomst?
  • Een indicator van de mate van vrije markt in het onderwijs, die antwoord geeft op de vraag: “In welke mate is het onderwijssysteem georganiseerd volgens het model van een quasi-markt?

We berekenen deze drie indicatoren voor elk van de Europese landen. Daarna vergelijken we deze drie indicatoren met elkaar om te bepalen of er een sterkere of zwakkere correlatie is tussen de quasi-markt in het onderwijs enerzijds en sociale segregatie en sociale ongelijkheid in het onderwijs anderzijds.

Hoe meten we de sociale ongelijkheid in het onderwijs?

In het PISA-onderzoek krijgt elke leerling op basis van testen een score (een aantal punten) voor leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Bovendien wordt aan elke leerling een “economische, sociale en culturele status” (ESCS) toegekend, op basis van een set indicatoren zoals het beroep en het opleidingsniveau van de ouders, de kenmerken van hun woning, enzovoort. Als men van elke leerling de scores en de ESCS kent, kan men op basis van die getalwaarden nagaan of er een statistisch verband bestaat tussen de sociale achtergrond van leerlingen en hun testprestaties.

Figuur1.pdf

Figuur 1

In deze figuur 1 stelt elk punt een Belgische leerling voor die heeft deelgenomen aan de PISA-testen in 2022. De projectie van een punt op de horizontale as duidt de sociale herkomst van de leerling aan. Als indicator voor sociale herkomst gebruikt PISA de variabele “ESCS” (economic, social and cultural status). De projectie van een punt op de verticale as geeft aan hoeveel punten de leerling behaalde in de PISA-testen van 2022. Het gaat hier om de gemiddelde score voor de testen op leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid.

We kunnen zien dat hoe verder je naar rechts gaat (rijkere leerlingen), hoe hoger je in de grafiek komt (betere prestaties in tests). De rechte lijn die de grafiek vanuit de linkerbenedenhoek kruist, wordt de regressielijn genoemd. Deze geeft de algemene trend aan van het verband tussen de sociaaleconomische index en de prestaties. Hoe steiler de helling van deze lijn, hoe sterker het verband.

Maar we merken ook op dat de relatie tussen sociale afkomst en cognitief niveau helemaal niet automatisch is. Er zijn arme leerlingen die goede scores en rijke leerlingen die slechte scores halen. Dit wordt weerspiegeld in de spreiding van de punten boven en onder de regressielijn.

Een maatstaf voor sociale ongelijkheid in het onderwijs moet dus met deze twee aspecten rekening houden:

  • Enerzijds de helling van de regressielijn: met hoeveel punten stijgt de score als de index ESCS met 1 eenheid stijgt?). Deze factor wordt uitgedrukt door de hellingsgraad β van de regressielijn te berekenen.
  • Anderzijds door de mate waarin de punten rond de regressielijn zijn geconcentreerd. Kwantitatief wordt daarvoor de coëfficiënt van statistische determinatie R² gebruikt.

Een grote sociale ongelijkheid wordt gekenmerkt door een grote hellingsgraad en een hoge coëfficiënt van statistische determinatie. Als één van deze twee maatstaven dicht bij nul ligt, is de impact van de sociale herkomst op de schoolse prestaties gering. Daarom gaan we een index van sociale ongelijkheid (I) in het onderwijs berekenen door het product te berekenen van de twee vernoemde maatstaven. [2]

Figuur2.pdf

Figuur 2

 

Figuur 2 geeft de waarden van I aan die men op deze wijze bekomt voor de Europese onderwijssystemen. De resultaten voor België zijn verdeeld over het Franstalig (FWB, Fédération Wallonie-Bruxelles) en het Vlaams onderwijs (VLG, Vlaamse Gemeenschap). Men bemerkt dat deze twee Belgische onderwijssystemen tot de meest ongelijke in Europa behoren. Het Vlaams onderwijs scoort hier beter (minder ongelijkheid) dan het Franstalig onderwijs.

Hoe meten we de sociale segregatie ?

Om de sociale segregatie in het onderwijs te meten, beginnen we met het identificeren van “concentratiescholen” in de PISA-database. We spreken van een “concentratieschool” als de school een abnormaal hoog percentage arme of rijke leerlingen telt. [3]

Figuur 3 geeft het percentage leerlingen aan dat in een (arme of rijke) concentratieschool zit. Onze index voor de sociale segregatie is de som van deze twee percentages. Of, met andere woorden, de kans dat een leerling terecht komt op een (arme of rijke) concentratieschool.

Figuur3.pdfFiguur 3

Wat is het verband tussen segregatie en ongelijkheid in onderwijs ?

Er is een duidelijke correlatie tussen gettovorming en ongelijke resultaten. Dit wordt geïllustreerd in figuur 4. De belangrijkste Europese landen (en de Belgische gemeenschappen) worden gerangschikt volgens hun mate van sociale segregatie op de horizontale as en volgens hun index van sociale ongelijkheid op de verticale as. Het is duidelijk dat sociale ongelijkheid in schoolprestaties nauw samenhangt met sociale segregatie tussen rijke en arme scholen. Figuur4.pdf

Figuur 4

Deze correlatie kan worden gemeten met behulp van een statistische berekening die “lineaire regressie” heet en die ons een “correlatiecoëfficiënt” geeft. Voor alle Europese landen is dit r = + 0,660. Merk op dat r altijd tussen +1 en -1 ligt. Een positieve r betekent dat meer segregatie gelijk staat aan meer ongelijkheid. Waarden van r groter dan 0,5 (of kleiner dan -0,5) duiden op sterke correlaties. We gebruiken ook het kwadraat van de correlatiecoëfficiënt, R2 of de “statistische determinatiecoëfficiënt” genoemd en uitgedrukt als een percentage. Hier is R2 = 44% voor alle Europese landen. Dit betekent dat 44% van de verschillen tussen landen inzake onderwijsongelijkheid verklaard kan worden door de segregatie-index.

Als we de kleinste landen (en dus de statistisch minst significante) buiten beschouwing laten en ons beperken tot de 22 belangrijkste Europese onderwijssystemen [4], die in de grafiek worden weergegeven, dan stijgt r tot +0,717 (R2 = 51,4%).

Verschillende mechanismen kunnen deze correlatie verklaren. Sommige studies tonen bijvoorbeeld het bestaan aan van zogenaamde “peer-effecten”: het feit dat de prestaties van een leerling op school sterk beïnvloed worden door het gemiddelde niveau van de leerlingen in de groep (klas of school, bijvoorbeeld) waarmee hij of zij samen zit. Andere studies tonen aan dat leerkrachten hun verwachtingen en ambities ook aanpassen aan dit “klasniveau” en aan de verwachtingen van de ouders.

We moeten echter voorzichtig blijven, aangezien de causale relatie tussen segregatie en ongelijkheid niet noodzakelijk in één richting werkt. Men zou bijvoorbeeld kunnen veronderstellen dat een grotere sociale ongelijkheid (als gevolg van bijvoorbeeld slechte onderwijskeuzes of een gebrek aan financiering) ertoe kan leiden dat ouders uit bevoorrechte milieus op zoek gaan naar nog “exclusievere” scholen, wat resulteert in een grotere gettovorming op school.

Hoe meten we de quasi-onderwijsmarkt ?

De complexiteit van de diverse aspecten van de marktwerking in het onderwijs terugbrengen tot één numerieke variabele is een hele opgave. Om dat te doen met de PISA 2022 databank wordt extra moeilijk gemaakt door het feit dat niet alle landen deelnamen aan het volledig onderzoek. Sommige landen lieten bijvoorbeeld de vragenlijsten die bedoeld zijn voor de ouders van leerlingen, niet invullen. Er zijn ook landen waar de autoriteiten beslissen om bepaalde antwoorden niet publiek te maken. In de database van PISA 2022 kan men daardoor niet terugvinden tot welk onderwijsnet een school in het Vlaams of het Franstalig onderwijs behoort.

Desalniettemin konden we in de PISA-gegevens drie variabelen vinden die representatief zijn voor drie essentiële aspecten van een quasi-scholenmarkt. Het gaat om de drie items in vraag 12 van de vragenlijst voor schoolhoofden:

“In welke mate wordt er rekening gehouden met de volgende factoren bij het toelaten van een leerling op uw school?

  • Woonplaats in een bepaald geografisch gebied”.
  • Instemming van de ouders of de voogd met de educatieve of religieuze “filosofie” van de school”.
  • De studieloopbaan en de vroegere resultaten van de leerling”.

Op deze drie vragen konden schoolhoofden antwoorden: “Nooit”, “Soms” of “Altijd”.

We veronderstellen dat een groot aantal antwoorden “Nooit” op de eerste vraag (rekening houden met de woonplaats) een teken is van een zwakke regulering van de keuzevrijheid van ouders. Omgekeerd betekent een groot aantal antwoorden “Altijd” wellicht dat er een sterke regulering bestaat bij het inschrijvingsbeleid.

We veronderstellen dat een groot aantal antwoorden “Altijd” op de tweede vraag (het instemmen met de religieuze of pedagogische oriëntatie van de school) betekent dat het onderwijssysteem wordt gekenmerkt door een groot aantal privaatrechtelijke scholen met een sterke identiteit. Omgekeerd wijst een groot aantal antwoorden “Nooit” op een groot net van openbare scholen die onderwijs aanbieden zonder een uitgesproken filosofische oriëntatie.

Tot slot gaan we ervan uit dat een hoog percentage antwoorden “Altijd” op de derde vraag (rekening houden met eerdere schoolresultaten) betekent dat scholen zich vrijer kunnen positioneren op de scholenmarkt en de lat hoger of lager kunnen leggen bij de rekrutering van leerlingen.

Deze drie variabelen komen dus overeen met drie centrale aspecten van een “vrije markt”:

  • Keuzevrijheid voor de klant (ouders)
  • Vrije concurrentie (tussen onderwijsnetten)
  • Vrijheid van aanbod (selectie aan de ingang)

Wij hebben deze drie variabelen dan gecombineerd tot één “quasi-marktindex”.

Figuur 5 toont de uiteindelijke resultaten voor de belangrijkste Europese landen.

Positieve waarden duiden op landen of onderwijssystemen met een meer liberale schoolmarkt; negatieve waarden komen overeen met systemen die meer gereguleerd zijn.

Figuur5.pdfFiguur 5

Leidt de quasi-markt tot sociale segregatie ?

Produceert de quasi-markt in het onderwijs sociale segregatie? Op theoretisch niveau wordt over deze vraag heftig gedebatteerd. Aan de ene kant kan worden aangenomen dat de “vrije keuze” van ouders de reflex van “ons kent ons” zal aanmoedigen Ze zullen geneigd zijn een school te zoeken waar het kind mensen uit “ zijn milieu” zal aantreffen, familie, vrienden, collega’s van de ouders … Anderzijds sluit de verminderde keuzevrijheid het kind op in het sociale keurslijf van zijn buurt. Wat weegt het zwaarst?

Om daar achter te komen, vergelijkt de grafiek in figuur 6 onze indexen voor quasi-markt en sociale segregatie. Er kan geen twijfel over bestaan: de landen en onderwijssystemen met een hoge index van quasi-onderwijsmarkt (zoals het Vlaams en Franstalig onderwijs van ons land) zijn ook de landen waar leerlingen het sterkst gesegregeerd zijn in rijke en arme scholen. Omgekeerd zijn de landen waar er weinig segregatie is bijna allemaal landen waar er weinig schoolmarkt is.

Vertaald in cijfers geeft dit een correlatie r = +0,680 (R2= 46,2%) voor alle Europese landen en r = +0,776 (R2= 60,2%) als we ons beperken tot de grootste onderwijssystemen. Figuur6.pdf

Figuur 6

In dit geval bestaat er weinig twijfel over de richting van het oorzakelijk verband. De mate van vrije schoolmarkt weerspiegelt organisatorische en structurele kenmerken. Deze zijn het resultaat van politieke keuzes of historische omstandigheden die voorafgaan aan de waargenomen segregatie en kunnen er dus geen gevolg van zijn.

Is de quasi-markt een oorzaak van sociale ongelijkheid in het onderwijs?

De grafiek in figuur 7 toont aan dat er voor de grootste Europese landen ook een sterke correlatie bestaat tussen de graad van marktwerking en de index van sociale ongelijkheid in het onderwijs (r= +0,643, R2 = 41,4%). Met andere woorden, intra-Europese verschillen inzake de marktwerking kunnen tot 41% van de verschillen in rechtvaardigheid verklaren. Voor alle landen, inclusief enkele kleine, minder representatieve landen, is r = +0,474 (R2 = 22,5%).

Figuur7.pdf

Figuur 7

De grafiek in figuur 7 laat zien hoe de belangrijkste Europese onderwijssystemen in twee grote categorieën uiteenvallen:

  • De onderwijssystemen, linksonder, die worden gekenmerkt door een sterke regulering van de schoolmarkt (weinig privaatrechtelijk onderwijs, weinig vrijheid voor de scholen bij het aanwerven van leerlingen, meer omkadering van de schoolkeuze door de ouders) en waar de sociale ongelijkheid op school relatief laag is. Niet verrassend zijn dit Noorwegen en Finland, maar ook Griekenland, Portugal en, verrassender, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.
  • De landen rechtsboven, waar de inschrijvingen georganiseerd zijn op basis van een vrije schoolmarkt (vraag en aanbod) en waar de sociale ongelijkheden op school groot zijn. De twee Belgische gemeenschappen, Nederland en een aantal Oost-Europese landen (Hongarije, Bulgarije, Roemenië, enz.) vallen in deze categorie.

Enkele landen ontsnappen echter aan deze classificatie. Dit geldt vooral voor Zwitserland en Frankrijk, die ondanks een vrij gereguleerde onderwijsmarkt een hoge mate van sociale ongelijkheid kennen.

Omgekeerd scoort Italië goed in termen van rechtvaardigheid (sociale gelijkheid), ondanks het feit dat het een iets liberalere onderwijsmarkt heeft dan de meeste Scandinavische landen. We moeten ook de positie van Zweden vermelden, dat zijn geleidelijke trend naar meer segregatie en sociale ongelijkheid bevestigt, waarschijnlijk als gevolg van een steeds liberalere organisatie van zijn onderwijsmarkt.

Zorgt competitie voor een stijging van het niveau?

Voorstanders van marktwerking in het onderwijs stellen vaak dat ze de impact op de rechtvaardigheid van onderwijssystemen weliswaar niet betwisten, maar dat ze die toch wenselijk vinden omdat een gezonde concurrentie tussen scholen de algemene resultaten zou helpen verbeteren. Het is daarom nuttig om na te gaan of meer vrije markt daadwerkelijk leidt tot een stijging van de gemiddelde PISA-score. Figuur 8 laat zien dat dit absoluut niet het geval is. Onze quasi-marktindex (M) is helemaal niet positief gecorreleerd met de gemiddelde PISA-prestaties. Dit geldt noch voor de belangrijkste Europese landen (r = -0,13; R2=1,68%) noch voor deze landen als geheel (r = -0,11; R2=1,31%).

Figuur8.pdf

Figuur 8

Besluit : over het belang om de markt te reguleren

Onze berekening van de index van de quasi-onderwijsmarkt is nogal “rudimentair”. Desondanks is er een zeer duidelijke correlatie met zowel de sociale segregatie tussen de scholen als de sociale ongelijkheid in de PISA-prestaties. We kunnen aannemen dat een meer verfijnde meting van de quasi-markt, die meer rekening houdt met de complexiteit van de organisatorische verschillen tussen onderwijssystemen, waarschijnlijk zou resulteren in nog hogere correlatiecoëfficiënten.

Aangezien de structurele kenmerken van onderwijssystemen over het algemeen al bestonden voordat de door PISA beoordeelde leerlingen naar school gingen, kunnen we deze correlatie zonder de minste twijfel interpreteren in termen van causaliteit: de organisatie van het onderwijs als een vrije markt is een van de belangrijkste oorzaken van sociale segregatie op school en sociale ongelijkheid in de prestaties.

De statistische determinatiecoëfficiënten tonen aan dat verschillen in termen van regulering of vrijheid van de schoolmarkt tot 40% van de variantie in niveaus van rechtvaardigheid en tot 50% van de variantie in niveaus van segregatie in de belangrijkste Europese onderwijssystemen verklaren.

Onze studie toonde ook het bestaan aan van een zeer significante correlatie (r = +0,767) tussen segregatie en ongelijkheid, wat in combinatie met de bovenstaande resultaten betekent dat er noodzakelijkerwijs een sterk oorzakelijk verband is tussen segregatie en ongelijkheid.

Sociale segregatie betekent ook dat kinderen met verschillende sociale, culturele, etnische achtergronden op verschillende plaatsen onderwijs krijgen. Dergelijke “apartheid” is een grote ontkenning van democratie.

Er zijn dus twee uitstekende redenen om de gettovorming op scholen te bestrijden.

Maar wat kan er gedaan worden? Hoe kunnen we de onderwijsmarkt zo goed mogelijk reguleren?

Wat België betreft, is het duidelijk dat we moeten afstappen van dit vreemde trekje van ons land, met name dat ouders gedwongen worden zelf een school voor hun kind te vinden. Men heeft de keuzevrijheid vervangen door de verplichting om te kiezen. Het absolute minimum zou zijn om elk kind een gegarandeerde plaats in een school aan te bieden, zelfs als dit betekent dat ouders de vrijheid hebben om dit aanbod te aanvaarden of te weigeren.

Maar als zo’n systeem alleen gebaseerd is op nabijheid, zullen we niet kunnen voorkomen dat het schoolweefsel residentiële sociale segregatie kopieert: kinderen uit rijke buurten zullen naar rijke scholen gaan en kinderen uit arme buurten naar arme getto’s. Hoe kunnen we dit voorkomen of beperken? Door ouders een school aan te bieden, niet alleen op basis van de afstand van de woonplaats of de vlotte bereikbaarheid, maar ook door te streven naar een zo groot mogelijke sociale mix in alle scholen. Een simulatie voor Brussel heeft de technische haalbaarheid van dit project aangetoond. Het is het onderwerp van een burgerinitiatief “Een plaats in een goede school voor elk kind” dat al de steun heeft gekregen van tientallen prominenten, verenigingen, vakbonden, enz.[5]

Nico Hirtt, Olivier Mottint


Hier kunt u de wetenschappelijke studie downloaden. (In deze versie vind je berekeningen, referenties en een bibliografie)

Steun ons burgerinitiatief om segregatie op scholen tegen te gaan


Op 25 maart organiseerde Ovds een webinar met Nico Hirtt over deze studie. Je kan hier de video van de conferentie (43 minuten) bekijken.  

Voetnoten

  1. Hirtt., N., Mottint, O., Impact van de quasi-schoolmarkt op de sociale segregatie en ongelijkheid in het onderwijs
  2. Onze index voor sociale ongelijkheid (I) wordt in feite berekend door het logaritme te nemen van dit product omdat het logaritme een betere lineariteit in de verdere analyses verzekert. De formule is dusI = log(β . R2), waar β de hellingsgraad van de regressielijn en R² de statistische determinatiecoëfficiënt voorstelt.
  3. We definiëren een school als “concentratieschool” als haar sociaaleconomische index (ESCS) minstens een halve standaardafwijking hoger (“rijke concentratieschool” of lager (“arme concentratieschool” is dan de gemiddelde sociaaleconomische index van het land (of, in het geval van België, van de Gemeenschap) .
  4. We selecteerden de 21 Europese landen met minstens 50.000 15-jarige leerlingen. Voor België worden het Vlaams en het Franstalig onderwijs apart genomen (ze tellen beiden meer dan 50.000 leerlingen van 15 jaar) zodat we hier 22 onderwijssystemen vergelijken.
  5. Zie “Burgerinitiatief: een plaats in een goede school voor elk kind”, Burgerinitiatief “Een plaats in een goede school voor elk kind” | Oproep voor een democratische school (skolo.org)

2 REACTIES

Comments are closed.