Segregatie maakt van ons land de kampioen van de sociale ongelijkheid op school

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het weekblad Knack en Le Soir pakten op 29 januari uit met een nieuwe studie op basis van de PISA-resultaten over de impact van de sociale afkomst op de schoolresultaten. De studie is het werk van de tweetalige lerarenorganisatie Ovds-Aped (Oproep voor een democratische school – Appel pour une école démocratique), meer bepaald van Nico Hirtt.

Sinds 2000 worden om de drie jaar ongeveer 500.000 leerlingen tussen 15 en 16 jaar van 60 landen getest op wiskunde, leesvaardigheid en wetenschappelijke geletterdheid door het programma PISA, georganiseerd door de OESO. Deze PISA-testen leveren een schatkamer aan statistische gegevens op.De gegevensbestanden van PISA 2012 dienden als basis van de Ovds-studie die ons Vlaams en Franstalig onderwijs vergelijkt met 17 andere West-Europese onderwijssystemen.

Kampioen sociale ongelijkheid in het onderwijs

Aan de hand van een aantal indicatoren, zoals het studieniveau en het beroep van de ouders, de materiële bezittingen van het gezin (aantal boeken, aantal badkamers, feit of de leerling thuis een aparte studeerruimte heeft, …), stelt PISA voor elke geteste leerling een sociaal-economische en culturele index samen, de zogenaamde ESCS ( Economic, Social and Cultural Scale ). Een hoge ESCS-index wijst op een kansrijke leerling, een lage op een kansarme leerling.

Van de 19 onderzochte West-Europese onderwijssystemen, blijken in België en Frankrijk de schoolse resultaten het sterkst samen te hangen met de ESCS-index. Meerdere grafieken in de Ovds-studie illustreren deze samenhang tussen de sociale afkomst en de PISA-resultaten voor wiskunde. Voor het Vlaams onderwijs is deze vaststelling niet nieuw. De titel van de beleidsnota 2004-2009 van onderwijsminister Frank Vandenbroucke luidde: “Vandaag kampioen in wiskunde, morgen kampioen ingelijke kansen? “ Een vrome wens, zo blijkt nu. Huidig onderwijsminister Pascal Smet erkent in een reactie op de studie van Ovds: “In Vlaanderen is er een uitgesproken verband tussen de leerprestaties van leerlingen en hun sociale achtergrond en migratiestatus. Ons onderwijs slaagt er onvoldoende in om de invloed van de sociale ongelijkheid te corrigeren” (Knack, 29 januari 2014)

Onderwijsbeleid werkt sociale segregatie in de hand

In feite werkt ons onderwijsbeleid de sociale ongelijkheid in de hand. “Volgens Hirtt zijn er vier vormen van segregatie, die bijna 70 procent van de invloed van sociale ongelijkheid op de PISA-prestaties verklaren”, vat Knack (29 januari 2014) samen. Nico Hirtt illustreert met cijfers en grafieken vier mechanismen van segregatie in ons Belgisch onderwijs.

Ten eerste de sociale polarisatie of het bestaan van concentratiescholen met ofwel veel arme ofwel veel rijke kinderen. De residentiële segregatie (het bestaan van armere en rijkere wijken en gemeenten) speelt natuurlijk een rol maar verklaart niet alles: twee scholen in dezelfde straat hebben soms een totaal ander schoolpubliek. België kent een bijna absolute vrije schoolkeuze terwijl in de meeste andere landen een pro-actief inschrijvingsbeleid zorgt voor meer sociaal gemengde scholen.

Ten tweede de vroegtijdige (in het Vlaams onderwijs op de leeftijd van 12 jaar) opsplitsing in onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO) en studierichtingen. In de laagste sociale groepen volgt 20 procent van de vijftienjarigen ASO, in bemiddelde gezinnen is dat meer dan 80 procent. Volgens PISA 2012 bestaat er in het Vlaams onderwijs een kloof van 184 punten tussen de gemiddelde wiskundeprestaties van een leerling uit het ASO en het BSO; in het Franstalig onderwijs bedraagt deze kloof 146 punten. Ter vergelijking: het verschil tussen de gemiddelde prestatie van een leerling uit het Vlaams en het Franstalig onderwijs, bedraagt “slechts” 38 punten. Men kan dus stellen dat de vroegtijdige opsplitsing bijdraagt tot een academische en sociale segregatie van de leerlingen.

Ten derde de courante praktijk van het zittenblijven. In het Franstalig onderwijs heeft bijna de helft (47%) van alle 15-jarige leerlingen reeds minstens één jaar gedubbeld; in het Vlaams onderwijs gaat het om 26% van de leerlingen. Zittenblijven komt vooral voor bij (kans)arme leerlingen. Tussen het tiende (rijkste) en het eerste (armste) deciel verdrievoudigt het percentage leerlingen dat minstens één jaar gedubbeld heeft. Van de 10% armste 15-jarige leerlingen heeft niet minder dan 70% (in het Franstalig onderwijs) of 50% (in het Vlaams onderwijs) reeds gedubbeld.

Ten vierde het bestaan van concurrerende onderwijsnetten. Overal in West-Europa trekt het privaatrechtelijk onderwijs een kansrijker schoolpubliek aan dan het officieel onderwijs. In het Vlaams onderwijs ligt de gemiddelde ESCS-index van leerlingen uit het vrij onderwijs 0,3 hoger dan bij leerlingen uit het officieel onderwijs; in het Franstalig onderwijs bedraagt het verschil 0,2. In combinatie met het feit dat het vrij (katholiek) onderwijs in ons land, zeker in Vlaanderen, het grootste onderwijsnet is – met Nederland en Ierland uniek in West-Europa – draagt het bestaan van concurrerende netten zijn steentje bij tot de sociale segregatie.

Sociale segregatie verklaart twee derden van de sociale ongelijkheid

Het is de verdienste van Nico Hirtt om de correlatie (samenhang) tussen deze vier vormen van segregatie (scheiding van armere en rijkere leerlingen in de scholen) enerzijds en de impact van de sociale afkomst op de schoolresultaten anderzijds statistisch in beeld te brengen.

De laatste grafiek (nr 28) van de Ovds-studie is dan ook bijzonder leerrijk. Men ziet aan de ene kant drie onderwijssystemen waar de sociale segregatie in het onderwijs groot is: het Vlaams en het Franstalig onderwijs van België en Frankrijk. In deze drie onderwijssystemen stelt men de grootste impact van de sociale afkomst op de schoolprestaties vast.

Aan het andere uiterste zien we vier Scandinavische landen (Noorwegen, Finland, IJsland, Zweden) met een beperkte sociale segregatie in hun onderwijs. In deze onderwijssystemen speelt de sociale afkomst van de leerling een veel beperktere rol in de schoolresultaten.

De statistische determinatiecoëfficiënt R² bedraagt 0,67. Dat betekent dat 67% van de sociale ongelijkheid in het onderwijs kan verklaard worden door de vermelde segregatiemechanismen. Indien de leerlingen niet vroegtijdig zouden opgesplitst worden in hiërarchische onderwijsvormen en studierichtingen maar een gemeenschappelijke basisvorming zouden volgen tot 16 jaar, indien er geen arme en geen rijke concentratiescholen zouden zijn, indien zittenblijven en concurrerende onderwijsnetten niet zouden bestaan, dan zouden de schoolse prestaties van de leerlingen nog altijd beïnvloed worden door hun sociale afkomst (studieniveau en beroep van de ouders, gezinsinkomen …), maar véél minder dan nu. De impact van de sociale afkomst op de schoolresultaten zou statistisch met twee derden verminderen.

Het onderwijsbeleid kan niet rechtstreeks inwerken op de sociale afkomst van de leerlingen maar het kan wel de sociale segregatie drastisch verminderen.Hieruit volgt het belang om het onderwijsbeleid te veranderen. De studie van Ovds eindigt dan ook met een oproep naar de politieke verantwoordelijken voor een radicaal ander onderwijsbeleid dat de sociale segregatie drastisch vermindert.

De volledige studie, 50 bladzijden met 28 grafieken, kan men hier downloaden