De leerlingen een plaats toewijzen in een school

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het derde punt van het 10-puntenprogramma van Ovds spreekt zich uit voor een andere aanpak van het inschrijvingsbeleid in de scholen. Het individuele recht van de ouders om een school voor hun kind te kiezen (de vrije schoolkeuze) is ondergeschikt aan de noodzaak om voor alle kinderen een school te vinden die gemakkelijk toegankelijk is (te voet, met de fiets of met openbaar vervoer of de schoolbus) en waar een sociale mix gegarandeerd is.

Voorstel van Ovds

Het grondgebied wordt ingedeeld in onderwijszones. Men kan daarbij denken aan de LOP-zones (Lokaal Overleg Platform) in het Vlaams onderwijs of de “bassins scolaires” in het Franstalig onderwijs die zijn uitgetekend door een inter-universitaire werkgroep.

Per onderwijszone beheert een instantie de inschrijvingen, bv. het LOP. Het gecentraliseerd beheer (centrale computer) sluit “dubbele inschrijvingen” uit. De regulerende instantie zou aan elke (nieuwe) leerling een school voorstellen. In functie van twee soorten criteria. Het moet een school zijn die gemakkelijk bereikbaar is: dus een buurtschool of gemakkelijk bereikbaar met het openbaar vervoer of de schoolbus. En ze moet een voldoende sociale mix garanderen. Daartoe zou men in het Vlaams onderwijs gebruik kunnen maken van de sociale leerlingenkenmerken (diploma moeder, inkomen gezin, thuistaal leerling) die reeds gehanteerd worden voor de toekenning van een deel van de werkingsmiddelen. Het percentage “GOK-leerlingen” in een school(onderdeel) zou slechts in beperkte mate mogen afwijken van het regionaal gemiddelde.

Wij denken dat de meerderheid van de ouders de voorgestelde school zouden aanvaarden. Vele ouders vinden het immers goed dat hun kind naar een buurtschool kan gaan met een goede sociale mix. Bovendien zouden de ouders verlost zijn van de verplichting en de rompslomp om zelf een school te gaan zoeken waar nog plaats vrij is. Als de ouders de voorgestelde school weigeren, zouden ze zelf een aantal scholen mogen voorstellen. De regulerende instantie zou bij de definitieve arbitrage rekening houden met deze keuze van de ouders als ze de globale doelstelling van sociale mix in alle scholen niet in het gedrang brengt.

Natuurlijk veronderstelt een succesvolle toepassing van dit voorstel dat het niveau tussen de scholen niet te groot is want daarom houden veel ouders thans sterk vast aan de vrije schoolkeuze. Dit vergt maatregelen zoals kleinere klassen in het basisonderwijs, gedifferentieerde financiering en een verbeterde pedagogische aanpak. In het secundair onderwijs kan het slechts toegepast worden voor zover er een gemeenschappelijke stam bestaat.

Leidt het GOK-decreet tot sociale mix?

Door het Gelijke Onderwijskansendecreet (GOK-decreet) van 2002 kregen kinderen en ouders het recht op een inschrijving in de school van hun keuze en werden de LOP’s opgericht met de bedoeling discriminatie uit te bannen en een grotere sociale mix in de scholen na te streven. Later werden voorrangsregels uitgewerkt voor broertjes en zusjes en voor GOK-leerlingen in scholen met relatief weinig GOK-leerlingen of voor niet-GOK-leerlingen in scholen met veel GOK-leerlingen. Via extra lesuren (“GOK-uren”) kregen scholen met veel kansarme leerlingen ondersteuning.

Vanaf het schooljaar 2008-2009 werden 10% (in het secundair onderwijs) of 15% (in het basisonderwijs) van de werkingsmiddelen toegekend op basis van vier sociale leerlingenkenmerken (diploma moeder; recht op een schooltoelage wegens beperkt gezinsinkomen; thuistaal; woonbuurt van de leerling). Deze gedifferentieerde financiering (en omkadering) beoogt eveneens een betere sociale mix na te streven.

Om de wachtrijen bij fel gegeerde scholen tegen te gaan, werd het GOK-decreet in 2008 gewijzigd om voor de inschrijvingen voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 experimenten mogelijk te maken. Het meest verregaande experiment situeert zich in Gent waar men voor alle basisscholen het criterium “afstand tot de school” hanteert voor de inschrijvingen, wat neerkomt op voorrang voor buurtkinderen. Dit criterium geeft ouders een vrij grote kans om voor hun kind een plaatsje te bemachtigen in de school om de hoek. Het systeem stelt de buurtschool opnieuw centraal en heeft bovendien als voordelen dat het kampeertoestanden vermijdt en een eventueel capaciteitstekort ondubbelzinnig aan het licht brengt. Een jaar na Gent werd op 10 juni 2009 een akkoord bereikt binnen het Antwerpse LOP om voor alle basisscholen hetzelfde systeem toe te passen op een belangrijk verschil na: de scholen mogen kiezen voor welk percentage (tussen 30 % en 100%) het criterium “afstand” wordt gehanteerd. De scholen van het Antwerpse stedelijk net zullen “afstand” voor 70% laten meetellen. In Antwerpen blijft chronologie dus, naast “afstand”, nog een rol spelen.

In een nota van de Vlaamse Administratie (dus het Departement Onderwijs) ten behoeve van de nieuwe Vlaamse regering leest men over dit experiment:
Toch is het niet voldoende om concentratiescholen in kansarme gebieden te doorbreken. Bovendien is het niet bruikbaar voor het secundair onderwijs. Kansrijke ouders kiezen niet voor de concentratieschool in hun buurt. Het bij inschrijving toepassen van het criterium afstand tot de school zal hen bijgevolg niet overtuigen. Programma’s waarbij kansrijkere ouders worden aangespoord samen in te schrijven in minder kansrijke scholen (ouderclusterprogramma’s) van het project Samen naar school in Brussel of School in Zicht in Antwerpen kunnen wel overtuigen.

In ieder geval is een grondige evaluatie van de huidige regeling en de experimenten in het licht van de vooropgestelde doelstelling nodig vooraleer er nieuwe regels voor de inschrijvingen worden uitgevaardigd. Biedt de huidige voorrangsregeling voldoende kansen? Komen deze regels het diversiteitsbeleid ten goede? Welke effecten hebben ze op de spreiding van de kansarme allochtone en autochtone leerlingen? (….).

Op dit ogenblik hebben we geen idee hoeveel zitjes er in het onderwijs beschikbaar zijn. Nochtans is dat cruciale beleidsinformatie om de wachtrijen proberen op te lossen en scholen met capaciteitsproblemen eventuele voorrang te kunnen geven in (ver)bouwdossiers. (…)

Het huidige onderwijsbeleid opteerde vol overtuiging voor een decentrale aanpak van het inschrijvingsrecht via de lokale overlegplatforms (LOP). Toch leidt dit niet altijd tot gezamenlijke afspraken. Daarom moet worden nagegaan hoe we dit in de toekomst kunnen verbeteren”
(Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering. Beleidsdomeinspecifieke bijdrage. Onderwijs en Vorming, Mei 2009, p. 39)

Bij het lezen van deze vrij lucide opmerkingen kunnen we niet nalaten op te merken dat het Ovds-voorstel in hoge mate tegemoet komt aan de vastgestelde tekortkomingen.

De toestand in het Franstalig onderwijs

In het Franstalig onderwijs hebben de ministers Marie Arena en Christian Dupont getracht een zekere regulering in te voeren in het inschrijvingsbeleid om de sociale ongelijkheid ten gevolge van het liberale systeem van de absolute vrije schoolkeuze in te perken

Eerst bepaalde Marie Arena met een decreet “Inscriptions” dat de secundaire scholen leerlingen in hun eerste jaren voor het schooljaar 2008-2009 slechts vanaf 30 november 2007 mochten inschrijven. Het gevolg laat zich raden: lange wachtrijen voor de meest gegeerde scholen in de laatste dagen van november. Gegoede ouders betalen zelfs studenten om enkele dagen voor de poorten van de school te kamperen. Een grote storm in de media en Arena wordt naar de federale regering gepromoveerd.

De nieuwe minister Christian Dupont maakt het decreet van Arena ongedaan. Het principe van “wie eerst komt, is het eerst bediend” wordt vervangen door een vrij complex systeem van voorrangsregels (voor kinderen van leerkrachten van de secundaire school, voor kinderen uit de gemeente waar de school is gelegen, voor kinderen uit de lagere school die met de secundaire school verbonden is, voorrang voor kansarme leerlingen, voor leerlingen met een handicap, voor leerlingen die immersie-onderwijs willen volgen …) en … een lottrekking. Vanuit liberale hoek en de eerder elitaire (ouder)verenigingen “Décrèt Lotto” en “Elèves” komt in november 2008 een hetze op gang . Uit schrik voor de lottrekking schrijven veel ouders kun kind in tien verschillende scholen in. Wat individueel een oplossing lijkt, leidt globaal tot chaos, temeer omdat de meeste vrije scholendirecties weigeren om de inschrijvingslijsten aan het ministerie van Onderwijs door te geven en een rationele oplossing van de “wachtrijen” nog bemoeilijken. Zes maanden later zijn er nog altijd leerlingen die niet ingeschreven geraken terwijl er globaal geen capaciteitstekort is in het Franstalig secundair onderwijs.

Het gevolg van deze chaos is dat het decreet “Mixité sociale” van minister Dupont zal worden begraven. Erger is dat de twee ongelukkige experimenten van Arena en Dupont de idee zelf van de noodzaak van een regulering van de inschrijvingen hebben gediscrediteerd. Vanuit de hoek van de PS en ECOLO wordt weinig weerwerk geboden aan het verzet van de liberale MR tegen elke poging tot regulering.

In die context hebben vier progressieve organisaties (MRAX, Infor Jeunes, FEF en Ligue des Droits de l’Enfant) samen met Aped (Appel pour une école démocratique) in mei 2009 tijdens een persconferentie een voorstel gelanceerd dat in de lijn ligt van het hoger vermelde Ovds-voorstel.