De school van de ongelijkheid

Facebooktwittergoogle_plusmail

Dat het Vlaamse onderwijs zwaar tekortschiet inzake gelijke kansen, is geen nieuwe vaststelling. Maar welke mechanismen zijn er verantwoordelijk voor dat de school de reproductie van ongelijkheden naar sociale en etnische afkomst in stand houdt? Dit is het vertrekpunt van het boek “De school van de ongelijkheid”.

Nico Hirtt, Ides Nicaise en Dirk De Zutter proberen, met feiten en cijfers in de hand, enkele structurele en culturele wortels ervan bloot te leggen. Ze wijzen met name op de slechte materiële omstandigheden (te grote klasgroepen, onderfinanciering) waarin leerkrachten te vaak moeten werken, op de extreme concurrentie op de scholenmarkt, het overbenadrukken van instrumentele kennis tegenover kritische kennis, het misbruik van het buitengewoon onderwijs als sociale bezemwagen, de té vroege studieoriëntering van leerlingen, het zwakke integratiebeleid t.a.v. migranten…

Maar de auteurs wijzen ook op concrete, haalbare stappen om er iets aan te doen. Ook principes voor de pedagogisch-didactische praktijk op klas- en schoolniveau worden daarbij besproken.

We willen dit boek warm aanbevelen aan alle lezers van “De democratische school”. Het brengt niet enkel een heldere en gefundeerde analyse. Het brengt vooral ook alternatieven en perspectieven.

De auteurs zijn bereid, in de mate van het mogelijke, over de thema’s van het boek een conferentie te geven of deel te nemen aan debatten of seminaries. Bv. ter gelegenheid van pedagogische studiedagen op school. U kunt hen rechtstreeks contacteren: nico.hirtt@democratischeschool.org – ides.nicaise@hiva.kuleuven.be – ddezutter@skynet.be.

Het boek “De school van de ongelijkheid” ligt te koop in de boekhandel. Het telt 172 bladzijden en kost 19,5 euro. Men kan het ook bestellen bij de uitgeverij EPO via www.epo.be . Op deze website vind je de inhoudstafel van het boek.

Context en korte inhoud van het boek

In de kennissamenleving verschuift de rol van ‘herverdeler van kansen’ steeds meer van de sociale zekerheid en het arbeidsmarktbeleid naar het onderwijs. Dit laatste is potentieel de krachtigste hefboom voor sociale integratie van achtergestelde groepen. Tegelijk is het in zijn huidige organisatie ook de instelling bij uitstek die bijdraagt tot de reproductie van sociale ongelijkheden van generatie op generatie. In “De school van de ongelijkheid” gaan de auteurs op zoek naar de mechanismen die, in het Vlaanderen van vandaag, de reproductie van ongelijkheden naar sociale en etnische afkomst in stand houden. Ze tonen aan dat die mechanismen het gevolg zijn van min of meer bewuste maatschappijkeuzen. Niet onwetendheid, maar de gevestigde belangen en politiek verzet van bepaalde groepen staan verdere hervormingen in de weg.

De wetenschappelijke analyse van de oorzaken van sociale reproductie is zo ver gevorderd, dat de recepten voor een rechtvaardiger en tegelijk effectiever en succesvoller systeem klaar liggen. Maar niet iedereen is overtuigd van deze recepten, of niet iedereen heeft er evenveel baat bij. Het komt er dus op aan het maatschappelijke debat over een meer democratisch onderwijssysteem te stofferen met analyses en voorstellen, en het debat aan te zwengelen.


Onthullende cijfers

Het boek begint met een overzicht van cijfermateriaal, zowel uit recent onderzoek als uit nieuwe analyses van de PISA-gegevens voor Vlaanderen. Daarmee moet duidelijk zijn dat de onderwijsongelijkheid start in de eerste kleuterklas, en zich geleidelijk accumuleert. Indicatoren zoals (niet-)participatie, schoolse vertraging, studie-oriëntering, schoolresultaten en (on)gekwalificeerde uitstroom verschillen sterk volgens het opleidings- en beroepsniveau van de ouders, het gezinsinkomen, en de etnische herkomst van leerlingen. Vlaanderen is weliswaar wereldkampioen in wiskunde, maar het is tegelijk ongeveer de slechtste leerling van de klas wanneer het gaat om sociale ongelijkheid in het onderwijs.


Democratisering stopgezet ?

Zelfs over een periode van een eeuw bekeken, kunnen we niet van een duidelijke democratisering van het onderwijs spreken: er heeft wel een massificatie plaatsgevonden, eerst van het secundair, en nadien van het hoger onderwijs, maar het lijkt wel een ‘kikkersprong-fenomeen’: als de achterste kikker vooruitspringt, springen alle andere ook vooruit, waardoor de relatieve posities van schoolverlaters uit verschillende sociale groepen niet naar elkaar toegroeien.
Na de tweede wereldoorlog werd de arbeidersgroep aangezogen in het voortgezet onderwijs, omdat de economische groei steeds meer geschoolde arbeidskrachten vergde.

Maar vandaag lijkt zich eerder een polarisatie af te spelen: de globale arbeidsmarkt vraagt enerzijds hooggespecialiseerde kenniswerkers en anderzijds ‘hamburger-arbeid’, d.i. flexibel inzetbare arbeid die niet veel basisscholing, maar regelmatige omscholing behoeft. Het onderwijs speelt (al te gemakkelijk) op deze eisen in door op zijn beurt de sterkste leerlingen uit te selecteren voor kennisjobs, en voor de anderen het aanbod te flexibiliseren en meer nadruk te leggen op pasklare gebruikskennis. Dit is volgens de auteurs een eerste vorm van ‘vermarkting’ van het hedendaagse onderwijssysteem. Ze hameren op de eerste roeping van het onderwijs om zelf motor te zijn van maatschappelijke verandering. Een democratische samenleving veronderstelt minstens dat alle jongeren een stevige algemene vorming tot kritische burgers krijgen.

Meritocratie: de ideologie van het watervalsysteem

De overheersende maatschappijvisie in Westerse onderwijssystemen heet ‘meritocratie’: je krijgt je plaats in de samenleving niet meer toegewezen op basis van je afkomst, maar op basis van je verdienste. Het klinkt mooi, maar wat betekent verdienste in de praktijk ? Men gaat ervan uit dat het cognitieve niveau van jongeren bij de start van het secundair onderwijs een weerspiegeling zijn van hun genetische aanleg, en bepaalt hun bestemming op basis van die ‘verdienste’: de knapsten moeten naar het algemeen secundair onderwijs, de falers naar het beroepsonderwijs. Het arsenaal van toetsen dat voor deze grote selectie-operatie gebruikt wordt, meet in feite een mengeling van natuurlijke aanleg en sociale kansen. Zo wordt de meritocratie een karikatuur van zichzelf: ze versterkt de sociale selectie in plaats van ze ongedaan te maken. Kinderen uit de hogere klassen krijgen de schoolcultuur door hun ouders van bij hun geboorte ingelepeld, en heel wat private goederen en diensten worden in hun talenten geïnvesteerd; terwijl de anderen zich te pletter lopen in de rat race zonder dat hun ouders bij machte zijn om hen te helpen.

Tegenover die meritocratische mythe stellen de auteurs een egalitaristische visie, die zoveel mogelijk mikt op gelijke uitkomsten voor jongeren uit alle lagen van de bevolking. Neen, dit betekent niet dat iedereen moet universitaire studies voltooien, maar wèl, dat alle sociale groepen evenredig moeten kunnen participeren aan elk niveau of elke vorm van onderwijs.

Alternatieven

Na de historische, economische en filosofische analyse van de wortels van de ongelijkheid is het tijd voor concrete alternatieven. In deze samenvatting komen slechts de krachtlijnen aan bod.

1. Er is een duidelijk verband tussen de leeftijd van eerste selectie en de sociale ongelijkheid in onderwijsuitkomsten: hoe jonger de studieoriëntering vorm krijgt, hoe slechter. Daarom pleit het boek voor echt comprehensief onderwijs tot de leeftijd van minstens 14 jaar. Comprehensief onderwijs is een breed curriculum dat elementen van algemene, wetenschappelijke, artistieke en praktische vorming op gelijke voet integreert.

Verschillende varianten worden in het boek besproken; maar essentieel is
(a) dat de studieoriëntering naar ASO-TSO-BSO-KSO uitgesteld wordt tot de tweede of zelfs derde graad,
(b) dat in het basisonderwijs en lager secundair onderwijs meer geïnvesteerd wordt in omkadering en begeleiding voor de zwakkere leerlingen;
(c) dat de algemene en theoretische vorming in de bovenbouw van het technisch en beroepsonderwijs versterkt wordt – in die mate dat ook het beroepsonderwijs op termijn toegang verschaft tot het hoger onderwijs;
(d) dat de studieoriëntering voortaan gebeurt op basis van ‘wat men graag wil doen’ en niet, zoals nu, door uitsluiting van ‘wat men niet aankan’.

2. Een tweede krachtlijn voor hervorming is het beperken van de marktwerking in het onderwijs. Vrije schoolkeuze en vrijheid van onderwijs zijn op zich mooie principes, maar in ons land zijn deze zó extreem doorgedreven dat ze geleid hebben tot een polarisatie tussen elitescholen en gettoscholen. De sociaal sterkste ouders kiezen voor hun kinderen de elitescholen uit, en die elitescholen filteren ook hun doelpubliek om het zichzelf makkelijker te maken. Ook internationaal vergelijkend onderzoek wijst op een verband tussen de mate van marktwerking en ongelijkheid in onderwijsuitkomsten. België is op dit vlak te ver gegaan.

Nochtans primeert volgens Hirtt, Nicaise en De Zutter het principe van gelijke behandeling op dat van vrije keuze. Daarom moeten grenzen gesteld worden aan de marktwerking. Het ‘recht op inschrijving’ en de maximumfactuur zijn stappen in die richting. Voorts kan gedacht worden aan een versterking en verdere precisering van de eindtermen, of aan meer centraal vastgelegde curricula. Zelfs de levensbeschouwelijke verzuiling, die gepaard gaat met sociale en etnische segregatie, moet verder doorbroken worden. Elke vorm van open of verdoken discriminatie moet aangepakt worden, niet alleen bij inschrijving maar ook bij doorverwijzing van leerlingen, in schoolreglementen enz. En er dient verder gezocht te worden naar formules van inschrijvingsbeleid waarbij de sociale mix in alle scholen verbeterd wordt.

3. De interculturele dimensie van het onderwijs moet dringend versterkt worden. Natuurlijk heeft de zwakke onderwijspositie van allochtone jongeren, vooral die van de ‘tweede generatie’, alles te maken met de sociaal-economische achterstelling van hun ouders. Daarom begint hun schoolsucces met een beter integratiebeleid van de ouders. Maar daarenboven moet een einde gesteld worden aan discriminerende praktijken zoals het verbannen van de hoofddoek van moslim-meisjes, of het verbieden van allochtone talen op de speelplaats.

Voorts breken de auteurs ook een lans voor meertalig onderwijs – en voor de ‘grotere minderheden’ zoals Turken en Marokkanen ook gedeeltelijk onderwijs in de eigen taal en cultuur.

4. Op pedagogisch vlak waarschuwt het boek voor ‘sectarisme’ (constructivisme, leerlinggericht onderwijs…) maar pleit het wel voor accentverschuivingen: bv. wordt er momenteel teveel nadruk gelegd op vaardigheidstraining en te weinig op theoretische kennis. Dit is een gemakkelijkheidsoplossing die de jongeren uit lagere sociale milieus geen dienst bewijst. Daarom zijn ook meer uniforme, voorgestructureerde leerplannen wenselijk. Bovenal zou het samen leren op school moeten ingebed worden in een samen leven, waarbij ook nevenschoolse activiteiten en zelfs arbeid een ruimere plaats krijgen.

Debatopener

De auteurs hebben dit boek niet bedoeld als een doctrine, maar als een aanzet tot reflectie. Zij hebben vooral de probleemstelling en de doelstellingen scherp willen stellen. Ze nodigen de lezer uit tot een debat zonder taboes, dat wellicht nog ettelijke jaren zal duren – ook al blijven ze ervan overtuigd dat er op korte termijn al heel wat verdere stappen naar een meer democratisch onderwijs kunnen gezet worden.

Nico Hirtt, Ides Nicaise en Dirk De Zutter

Ides Nicaise is hoofd van de HIVA-onderzoeksgroep Onderwijs en Levenslang Leren en hoofddocent aan de K.U.Leuven.

Nico Hirtt is leerkracht en oprichter van ‘Oproep voor een democratische school’.

Dirk De Zutter is vrijgestelde bij de Christelijke Onderwijscentrale (COC) als begeleider van lokale inspraakorganen en ex-leerkracht.

Aansluitende artikels:

Interview in Knack (5 september 2007) met Ides Nicaise “Hoge eisen voor zwakke leerlingen”

Opinie in De Tijd, 7 september 2007
“Intenties gelijke onderwijskansen moeten vertaald worden in investeringen”

Opinie in De Standaard, 1 september 2007
“Breken met de school van de ongelijkheid”

Opiniërende recensie van “De school van de ongelijkheid” door Marc Maes, coördinator BOCO (Brussels overleg- en coördinatiecentrum officieel onderwijs)

Interview in ACW-Visie (21 september 2007) met Dirk De Zutter “Sterk in wiskunde, zwak in gelijke kansen”.
Zie www.acw.be/downloads/visie/visie20070921.pdf (pagina 13)

Artikel in Brandpunt (oktober 2007) van Jos Van Der Hoeven, secretaris-generaal van COC “Tussen droom en werkelijkheid”.

Beluister het debat op www.klara.be rond “De school van de ongelijkheid” tussen Ides Nicaise (auteur, KuLeuven-Hiva) en Mieke Van Hecke (hoofd van het katholiek onderwijs), uitgezonden op radio Klara op zaterdag 15 september om 11u (moderator Werner Trio).

Interview met Ides Nicaise op VRT-radio tijdens “Het Vrije Woord” op 22 oktober 2007.

Panelgesprek met de drie auteurs tijdens de “zes uren voor de democratische school” op 20 oktober 20007 in Brussel

Artikel van “Beweging” , januari 2008

Artikel in “Bevrijding” (ACOD-Onderwijs Antwerpen)

[
Nieuwsbrief FOPEM interviewt Ides Nicaise->860]

Boekbespreking door het Masereelfonds

Dwars (studententijdschrift UA) interviewt Ides Nicaise