Actieplan tegen ongewenst gedrag op school

Op 7 november 2025 verschijnt het Actieplan Goed Gedragen van minister Zuhal Demir als Mededeling aan de Vlaamse Regering. Ik denk dat de ware toedracht van dit document slechts duidelijk tot uitdrukking komt mits enige contextualisering.

Context

Vaak hoor en lees je dat de omgangsvormen in onze samenleving er kwalitatief sterk op achteruitgaan. Aan de oppervlakte van het maatschappelijk gebeuren wordt voortdurend verwezen naar het sociale verkeer dat slachtoffer is – zou zijn? – van een verandering in negatieve zin. Substantieven die vaak worden gebruikt om deze verandering te karakteriseren zijn o. a.: verzuring, verharding, verruwing, verschraling. Adjectieven zijn: vulgair, brutaal, onbeleefd, agressief, vijandig enz. Ze worden aanzien als uitdrukking van respectloosheid en intolerantie, die sterk zouden zijn toegenomen tijdens de laatste decennia. Vaak worden de sociale media (YouTube, Instagram, Tik Tok, Facebook, X, Linkedin, WhatsApp …) aangewezen als hoofdverantwoordelijken, zo niet als schuldigen voor heel deze ontwikkeling. Dit lijkt mij een grove simplifiëring. Sociale media bieden de mogelijkheid om ondoordachte en hatelijke meningen op korte tijd en op grote schaal te ventileren en op die manier bij te dragen tot een klimaat van wantrouwen en achterdocht. Dit maakt hen nog niet tot oorzaak van het verschijnsel. Ik meen dat zij eerder symptoom zijn. Overigens blijven op die manier de positieve mogelijkheden van sociale media onderbelicht, ook al komen ze te weinig aan bod. [1]

Om de oorzaak te achterhalen, meen ik dat moet worden gekeken naar meer omvattende mentaliteitsveranderingen en de oorzaken daarvan, die zich sinds de Tweede Wereldoorlog in de westerse wereld hebben voorgedaan. Daartoe wil ik twee periodes onderscheiden.

Van 1945 tot 1975

Tijdens de Trente Glorieuses, met de Golden Sixties, kent West-Europa een lange periode van nooit tevoren gekende groei en bloei. Daarenboven zijn grote lagen van de bevolking – die voorheen bijna steeds verstoken waren gebleven van elke vorm van vooruitgang of welvaart – daaraan nu deelachtig, voor een belangrijk deel dankzij de inzet van de georganiseerde arbeidersbeweging. Dit uit zich in allerlei aspecten van het dagelijkse leven. Een omvangrijk deel van de bevolking krijgt toegang tot een – vaak eigen – woning met gas, elektriciteit, stromend water, met een toilet in huis en soms zelfs een badkamer met bad of stortbad. Geleidelijk aan worden kolenkachels vervangen door centrale verwarming, koelkasten maken het mogelijk om ook in de zomer voedsel te bewaren en zelfs het bezit van een auto wordt meer en meer een realistisch perspectief. De kroon op het werk is echter een omvattend socialezekerheidsstelsel dat bescherming biedt tegen de risico’s van ziekte, ouderdom en werkloosheid. Al deze veranderingen, in die tijd meestal nog synoniem van verbeteringen, hebben na de gruwelen van de oorlog een ingrijpende invloed op de algemene gemoedsgesteldheid van de mensen, die we die kunnen samenvatten met de term vooruitgangsgeloof.

Zelfs al worden de eerste tekenen van uitputting van natuurlijk rijkdommen en van verloedering van het milieu [2] gesignaleerd, toch blijft optimisme de algemeen dominante gemoedsgesteldheid.

Van ca. 1975 tot heden

De ouderen onder ons herinneren zich nog de eerste petroleumcrisis en de autoloze zondagen eind 1973. Het waren de eerste, opvallende uiterlijke tekenen van een veranderend getij. Er moest orde op zaken worden gesteld en het hele maatschappelijke gebeuren moest ondergeschikt worden gemaakt aan economische prioriteiten. Het neoliberale offensief wordt ingezet. Guy Verhofstadt voelt zich geroepen om de Belgische Thatcher te spelen en hij trekt naar de verkiezingen met de wel erg populistische slogan: ”Minder staat!” De georganiseerde arbeidersbeweging legt zich niet zomaar neer bij deze aanval op een aantal historische verworvenheden. De drastische bezuinigingsplannen van de regering Martens V (Martens, Gol, Verhofstadt) lokt een kordate reactie van de bonden uit, die in september ‘83 leidt tot de grootste arbeidersstaking in ons land sinds de winter van ‘60-’61 [3]. Ondanks mineure concessies kan onmogelijk van een overwinning worden gesproken. Een tijdperk is voorbij. Van 1975 tot 2025, een halve eeuw lang, kennen we een periode die is gekenmerkt door besparingen, bezuinigingen en inleveringen. De arbeidersbeweging heeft niet weerloos staan toekijken, maar is er slechts in geslaagd erger te voorkomen, niet van het tij te keren.

Wat het doorvoeren van dit beleid extreem heeft vergemakkelijkt, is dat het neoliberale gedachtegoed ook buiten het liberale kamp is overgenomen; uiterst rechtse partijen tonen zich donkerder blauw dan de traditionele liberale families en ook ter linkerzijde worden de neoliberale dogma’s sinds het Europa van Maastricht als onvermijdelijk voorgesteld. Zo hebben we in ons land een periode gekend waarin geen enkele van de in het parlement vertegenwoordigde partijen de vrije markteconomie niet beschouwde als de onoverkomelijke horizon van alle maatschappelijk handelen. In het beste geval worden sociale correcties wenselijk, maar vaak onmogelijk geacht.

Het neoliberalisme was (en is?) de heersende ideologie. Een soort eenheidsdenken heeft zich van de samenleving meester gemaakt en iedereen die ‘afweek’ werd als onrealistisch naïeveling opzijgezet of als extremist met de vinger gewezen.

Nog even de neoliberale principes op een rijtje. De maatschappij kan enkel heil verwachten van een situatie waarin de markt zich naar wijd en zijd, vrij en volledig kan ontplooien. Voorwaarden daartoe zijn: afbraak (of minstens drastische inperking) van elk socialezekerheidsstelsel; tegelijkertijd substantiële fiscale cadeaus voor de ondernemingen; privatisering van de openbare diensten met inbegrip van cultuur, gezondheidszorg en onderwijs; afschaffing van elke structurele aanpassing van lonen en wedden aan de stijging van de levensduurte; met steeds meer nadruk op het opruimen van al wat competitiviteit, flexibiliteit en de concurrentiepositie van de bedrijven in de weg staat.

Kort bilan van deze ontwikkeling

50 jaar sociale afbraak heeft diepe wonden geslagen in het sociale netwerk, precariteit tot regel gemaakt, het zoeken naar individuele oplossingen versterkt en communautarisering geconsolideerd. Zo werd geleidelijk aan een gunstige voedingsbodem gecreëerd voor de ontwikkeling en inplanting van uiterst rechtse, c.q. fascistische organisaties. Toen Johnny Rotten in 1977 op de Londense podia “No future” stond te krijsen, heb ik het premonitoire karakter van zijn act zwaar onderschat.

Ik wil de toestand niet voorstellen alsof iedereen steevast in zak en as rondloopt, maar om het beeld tegelijk realistisch en concreet te maken wil ik een vergelijking als voorbeeld geven. Toen ik eind jaren zestig, begin jaren zeventig naar de toekomst keek, dacht ik – en velen met mij – dat het socialisme voor de deur stond … of althans op de oprit. Wie dit vandaag denkt, is dringend aan therapie toe. Hiermee bedoel ik niet dat mensen niet met hun toekomst zouden bezig zijn, evenmin dat ze niet geëngageerd zouden zijn – de inzet van bv. studenten rond Palestina bewijst het tegendeel – wel dat het perspectief van ingrijpende maatschappelijke veranderingen met meer welvaart en vrijheid niet tot hun voorstelling van de toekomst behoort.

Daarenboven vrees ik dat de afwezigheid van een verbindend perspectief waarin gezamenlijke oplossingen centraal staan, bijna dwingt tot het zoeken naar persoonlijke uitwegen om aan de precariteit te ontsnappen: van carrièreswitch over startups naar individueel ondernemerschap met de gekende risico’s en valkuilen. Dat vreet aan een mens. Relaties worden even precair als werk, van kinderwens wordt afgezien [4], ook omdat het vinden van een betaalbare woning steeds meer problematisch wordt.

Ik denk dat de schets voldoende duidelijk maakt waarom in deze context de intermenselijke relaties verharden, verruwen, verdrogen en schaarser worden (en voor dit laatste valt de rol van de blauwschermen niet te onderschatten). Daarom stelde ik dat wat in de sociale media tot uitdrukking komt eerder symptoom dan oorzaak is. Sociale media zijn het ventiel waarlangs opgekropte ergernis en uitbarstingen van uitzichtloze woede de vrije loop krijgen. Ergernis en woede worden echter in alle sectoren van de samenleving gegenereerd en dus deelt onderwijs ook in de klappen.

Malaise in het onderwijs

Als het hele maatschappelijke systeem een langdurige crisis doormaakt, ontsnapt het educatieve subsysteem evenmin aan de malaise, ook al heeft ze zich daar beduidend later ingezet [5].

De objectieve factoren zijn genoegzaam bekend: systematische onderfinanciering, chronisch lerarentekort, een snel diverser wordende leerlingenpopulatie [6], de overstap van een bestuur met duidelijke en vaste regels naar de willekeur van het human resources management e.d;

Ik beroep mij voor een aantal andere factoren op een vrije tribune van Michel Juffé [7]: pesterijen (en niet enkel onder leerlingen); agressie tegen leerkrachten (verbaal en fysiek geweld); “radicalisering” zich uitend in het verwerpen van leerinhouden (evolutieleer, seksuele voorlichting), activiteiten (zwemmen), zelfs vakken (lichamelijke opvoeding) en organisatievormen (coëducatie); wantrouwen tussen leerlingen en leerkrachten; morbide vrees voor het mislukken op school; verkeerde oriënteringen qua studie- en beroepskeuze.

Dit is – kort samengevat – de achtergrond waartegen het actieplan Goed gedragen. Van ongewenst gedrag naar leerondersteunend gedrag van onderwijsminister Zuhal Demir moet worden bekeken.

Analyse van het actieplan. Algemene opmerkingen

De voorgestelde maatregelen hebben een erg hoge graad van abstractie, cf. p. 6 uit het Actieplan. “Er zijn situaties waarin bepaalde problemen zoals ernstig ongewenst gedrag of een groot risico op schooluitval vragen om een meer substantiële aanpak.” [8] Jammer genoeg blijft het wachten op deze aanpak. Welke boodschap heeft een leerkracht aan dergelijke vage algemeenheden in haar/zijn dagelijkse praktijk? Elke keer als je hoopt op concrete voorstellen blijf je als man of vrouw voor de klas op je honger. Als je niet zoekt naar de oorzaken van “ernstig ongewenst gedrag”, ben je noodzakelijkerwijze aangewezen op – in het beste geval – symptoombestrijding en anders op vage en algemene, dus nietszeggende raadgevingen als het al niet om window-dressing gaat.

Nergens is aangegeven of de gedragsproblemen zich op gelijke wijze over verschillende (soorten) scholen of ev. regio’s verspreiden en om welk ongewenst gedrag (geweld, pesten, spijbelen,…) het precies gaat [9]. Ik kan mij nochtans moeilijk voorstellen dat geweld of spijbelen dezelfde aanpak vragen.

Sommige passages uit de tekst komen over als betweterig, betuttelend en soms ronduit denigrerend. Een voorbeeld: reeds op de eerste pagina staat “uit onderzoek blijkt dat scholen nog meer kunnen inzetten op het uitbouwen van een brede basiszorg en zien we dat preventieve acties die meer inzetten op rust, routine en sterke instructie nog niet breed geïmplementeerd worden.” We zien de toverformule “rust, routine en sterke instructie” doorheen de tekst nog een aantal keer tot in de titeltjes opduiken. Ze wordt werkelijk aanzien als de zaligmakende oplossing voor alle gedragsproblemen (samen met het autoritatief schoolklimaat). Nochtans weet elke student uit de lerarenopleiding na enkele weken stage dat de aard van de activiteit die in de klas wordt georganiseerd, bepalend is voor het gewenste “klasklimaat”. Het instrueren van de staartdeling vergt een ander soort ‘tucht’ en sfeer in de klas dan creatief beeldend werken.

Een laatste algemene bedenking: het actieplan is voor alle geledingen van het onderwijs een substantiële verzwaring van de opdracht – en voor sommigen vooral een mentale verzwaring – aangezien er geen mensen of middelen tegenover staan. Wellicht zijn het andermaal de CLB’s die het ergst in de klappen delen, hoewel ook de inspectie niet ongemoeid wordt gelaten.

Specifieke opmerkingen

Ik zal uit de tekst enkele significante citaten lichten om de algemene teneur te onderstrepen, eerder dan in te gaan op details. De lezer zal hopelijk de algemene opmerkingen in de specifieke voorbeelden herkennen.

Illustrerend voor de wijze waarop door de overheid over “goed” onderwijs wordt gedacht, is het volgend citaat uit de alinea over het “Aanleren van gedragsvaardigheden vanaf de kleuterklas. (…) Van kleins af aan helpen om een goede leerhouding en gewenst gedrag te ontwikkelen. Dit betekent dat je hen gewoonten aanleert die horen bij de vooropgestelde waarden binnen de school, zoals luisteren (respect), stilzitten en concentratie opbouwen (doorzettingsvermogen).” (p. 7). Dit is een pijnlijk voorbeeld van wat de dorre en verschraalde visie op goed onderwijs van de beleidmakers voor onze kleutertjes in petto heeft. Welke ouder voelt zich uitgenodigd om een kleuter aan een dergelijke dressuurschool toe te vertrouwen? Daaraan wordt toegevoegd: “Deze gewoonten (…) stimuleren hen om verantwoordelijkheid te nemen voor hun gedrag (…).” (p. 7). Hier wordt dus afgestapt van een basisidee uit wijsbegeerte, rechtsleer en pedagogiek die verantwoordelijkheid linkt aan besef van de gevolgen van vrij en bewust gekozen handelingen. Kinderen leren dus niet langer verantwoordelijkheidszin ontwikkelen door de confrontatie met de effecten van eigen handelen en de reflectie daarover, maar door luisteren en stilzitten.

“Wanneer ongewenst leerlinggedrag de klasmanagementvaardigheden van de leerkracht overstijgt, is de schoolleider verantwoordelijk voor extra ondersteuning die leerlingen beter gedrag leert. De schoolleider kan daarbij een ander personeelslid aanduiden om deze ondersteuning te bieden.” (p. 9). Praktisch betekent dit: “We introduceren de rol van gedragsexpert in de school. Elke school zal binnen zijn schoolteam een deskundige moeten aanduiden” (p. 16). [10] Dus wel een nieuwe rol, maar geen nieuwe middelen. Ik heb tijden gekend dat het schoolhoofd dat soort problemen zelf aanpakte, maar toen was de directeur nog geen human resources manager zonder pedagogisch diploma en zonder onderwijservaring. Los daarvan moet je eens trachten je deze situatie concreet voor te stellen. Welke invloed zal deze maatregel hebben op de intermenselijke relaties in de school? Op de collegiale sfeer? Wat zal de houding van de leerlingen zijn? Hoe zal die gedragsexpert worden ‘aangeduid’? Welk zal het effect zijn van deze maatregel op het schoolklimaat?

Over schoolklimaat gesproken: ik ben even in de literatuur gedoken, voor schoolklimaat werd ik verwezen naar pedagogisch klimaat. Daar vond ik: “Daarmee wordt dan bedoeld dat de leerkrachten een sfeer weten te scheppen van “opgewektheid, acceptatie, belangstelling en tolerantie’ (Dumont).” [11] Ik kan mij moeilijk van de indruk ontdoen dat we hier wel erg ver verwijderd zijn van de invulling die het Actieplan aan schoolklimaat geeft. “Scholen hebben de vrijheid om te kiezen hoe ze invulling geven aan het schoolklimaat. Dit actieplan wil wel een aantal richtlijnen meegeven om scholen te ondersteunen in het creëren van een schoolklimaat dat beter gedrag en minder schooluitval genereert. We adviseren daarom werk te maken van een autoritatief schoolklimaat (zie bijlage 2), dat een veeleisende en gedisciplineerde aanpak op academisch vlak met een responsieve aanpak combineert.” (p. 12). Ben ik de enige die denkt dat hier een bijzondere invulling wordt gegeven aan het begrip vrijheid? En wat als scholen menen, niet van dit soort vrijheid te willen genieten?!

Hier is het wenselijk even stil te staan bij wat in het Actieplan zoal wordt verteld over gewenst en ongewenst gedrag. Onder de hoofding “De grenzen van gewenst gedrag worden verduidelijkt” lezen we: “Duidelijke schoolregels die grenzen afbakenen van gewenst gedrag én duidelijk maken wat de consequenties zijn als die grenzen worden overschreden zijn noodzakelijk binnen elke school.” (p. 11). Ik hoop dat de auteur van deze zin zich niet bewust is van wat hij/zij hier heeft neergeschreven want anders wordt hier open en bloot een pleidooi gehouden voor totale willekeur. Er wordt hier namelijk niet gepleit voor het sanctioneren van ongewenst gedrag, maar van elk gedrag dat niet – door wie? – als gewenst wordt aangezien. Voor het geval dat de consequenties van dit standpunt niet voldoende duidelijk zijn: stel je even een wetboek van strafrecht voor waarin niet is opgenomen wat verboden is (met de daaraan gekoppelde sancties bij overtreding), maar wat gewenst gedrag is en welke straf je krijgt als je ander gedrag vertoont. Voor diegenen die hun ogen niet geloven, het volgende: “We benadrukken dat sancties noodzakelijk zijn bij het begrenzen van gewenst gedrag.” p. 11. Brave New World wacht in ons onderwijs nog een mooie toekomst [12]. Misschien toch nog even in herinnering brengen: “Scholen hebben de vrijheid …”

Nog steeds worden bepaalde leervormen als straf gehanteerd. “Leerkrachten en directies (…) mogen ingrijpen met strafstudies, extra schooltaken, verplichte begeleiding of andere voorspelbare consequenties of straffen.” (p.11).Hoe kan je leerlingen motiveren voor schooltaken als je ze voordien als straffen hebt gehanteerd ? En wat te denken van die ‘verplichte begeleiding’?

In sommige uitspraken is het zo geprezen “evidence informed” karakter wel ver te zoeken en hebben we eerder te maken met boude, totaal ongemotiveerde stellingen. Een pareltje: “Dit wil zeggen dat alle maatregelen en acties binnen de school bijdragen aan de leerwinst en het welbevinden van leerlingen (…)”. Ik vrees dat kinderen/jongeren voor automatons worden aangezien. Ergens moet iemand gefluisterd hebben dat dit misschien toch niet altijd zo is. Geen probleem! “Dit impliceert ook dat ook personeelsleden erop worden aangesproken wanneer ze niet handelen in lijn met dat integraal schoolbeleid en er consequenties kunnen volgen in kader van functioneren, evalueren of tucht.” (p.12). En toch lopen er in koepels en kabinetten nog figuren rond die niet begrijpen dat ondanks hun hrm en hun integraal schoolbeleid, jonge leerkrachten uit het onderwijs gaan lopen, nog voor ze zijn ingewerkt.

Het laatste punt dat ik wil aansnijden staat in de tekst onder de hoofding: “Ouderlijke verantwoordelijkheid“. De tekst luidt: ”Ouders zijn een belangrijke partner voor de onderwijsloopbaan van hun kind. Effectieve thuisbetrokkenheid bij het leren en daar zelf een actieve rol in opnemen, bv. door ondersteuning te bieden bij het verwerken van leerstof, biedt kinderen en jongeren extra kansen om betere leeruitkomsten te behalen.” (p. 17). Mijn eerste bedenking is, hoe wereldvreemd kan men zijn? Hier wreekt zich de totale afwezigheid van enigerlei sociologische analyse van schooluitval, ongekwalificeerde uitstroom, enz. Deze stelling doet vermoeden dat de auteurs van deze tekst uitgaan van de veronderstelling dat kinderen allemaal leven in traditionele middenklasse gezinnen waar de thuistaal de onderwijstaal is, waar de ouders geïnteresseerd zijn in het schoolgebeuren en in staat zijn hun kinderen te helpen bij het verwerken van de leerstof.[13] En wat als ouders dat om honderd en één valabele redenen niet kunnen? Dan moet gesanctioneerd worden! De aangehaalde paragraaf gaat verder als volgt: “Steeds meer scholen geven echter aan dat sommige ouders hun verantwoordelijkheid niet of onvoldoende opnemen. Hierdoor wordt de ouderlijke verantwoordelijkheid naar de school en de leerkracht doorgeschoven.” (p. 17). Welke verantwoordelijkheid wordt doorgeschoven? Die om ondersteuning te bieden bij het verwerken van de leerstof? Strookt dit met de gedachte van gelijke onderwijskansen? En was die niet in de eerste plaats gericht op het opvangen door de school van de ongelijkheid die de kinderen vanuit hun familiale achtergrond meebrengen naar school ? Niets van dit alles.

De oplossing wordt gezien in het schoolcontract. “We verankeren de minimale verantwoordelijkheden van scholen en ouders in het schoolcontract.“ (p. 17). Met deze maatregel komen we weer een beetje dichter bij de juridisering van het onderwijs en het creëren van autoritaire verhoudingen. Van een schoolreglement wordt verwacht dat de ouders er kennis van nemen en dat zij het naleven. Van hen wordt niet verwacht dat ze ermee instemmen. D.w.z. dat hun vrijheid van denken intact wordt gelaten.Een contract is een overeenkomst die wordt af- gesloten tussen twee partijen en van beide partijen wordt instemming verwacht. Een reglement en een contract zijn dus van een andere orde en dat is geen sinecure. Ik wil hier even aanhalen wat Paul Verhaeghe daarover schrijft: “Het is een veeg teken aan de wand, dat zo ongeveer alle menselijke verhoudingen vandaag vooral via een contract geregeld worden, (…) het is ondertussen een courant gebruik dat er met weerspannige leerlingen, met moeilijk opvoedbare jongeren en met psychiatrische patiënten ‘contracten’ worden afgesloten. Alsof een handtekening onder een stuk papier een waarborg biedt tegen diefstal, spijbelen, zelfmoordpogingen, drinken enzovoort. Hoe ziek is een maatschappij als ze de opvoeding van haar toekomstige burgers moet regelen via een contract?” [14]

Ik hoop te hebben duidelijk gemaakt dat dit Actieplan – gericht op tucht en sancties, inperking van de actieradius voor leerlingen én leerkrachten, prestaties in zogenaamde hoofdvakken en vnl. tegemoetkomen aan de noden van de arbeidsmarkt – de kansen voor emancipatorisch onderwijs wel eens serieus zou kunnen hypothekeren, en daarenboven averechts zou kunnen uitdraaien omdat het de schoolmoeheid, om niet te spreken van de aversie tegenover de school, zou kunnen aanwakkeren om een vicieuze cirkel – storend gedrag > repressie > meer storend gedrag > enz.- op gang te brengen.

Het actieplan past wel in de algemene verrechtsing van de samenleving, met als kenmerken de reeds aangehaalde verruwing, verharding, verschraling en verstarring [15].

Invloed van andere subsystemen op het educatieve

Ook al kennen sociale subsystemen een grote mate van autonomie [16], toch staan ze niet los van elkaar. Dat wordt geïllustreerd door de ronselpraktijken van Theo Francken die de plannen van minister Demir dwarsbomen.

Een van de doelstellingen van de onderwijsminister is “de gekwalificeerde uitstroom verhogen” (p.9). Waarom zouden leerlingen, die niet “schoolminded” zijn, zich inspanningen getroosten als de minister van oorlog hen volgend aanbod doet: “Je komt terecht in een boeiende en avontuurlijke werkomgeving. (…) Je verdient minimaal 2000 euro (netto) per maand en je bouwt pensioenrechten op. Daarnaast krijg je nog heel wat andere voordelen,(…).” [17] Een beginnende leerkracht die zijn/ haar secundair onderwijs wel heeft afgemaakt en daarenboven een driejarige bacheloropleiding heeft gevolgd verdient nauwelijks een paar honderden euro’s meer. Lerarentekort? So what?

De minister onderstreept in haar Actieplan: ”Het is ook van belang dat ouders betrokken zijn bij de onderwijsloopbaan van hun kinderen”. (p.9). Ook nu wordt de minister door haar collega in de rug geschoten. Hij richt zich over de hoofden van de ouders rechtstreeks tot 17-jarige jongeren om hen te ronselen voor een letterlijk levensbedreigende job. In de brief staat wel: “(…) misschien wil je graag wat extra tijd om na te denken of om erover te praten met je ouders of vrienden.” De toonaard van de brief is ongeveer de volgende: als je per se toch over dit onweerstaanbare voorstel met je ouders wil praten, OK, doe maar, maar mis je kans niet, niet iedereen krijgt de kans om er op zijn achttiende in te blijven.

Dank zij de minister van Oorlog wordt het dus nog moeilijker om vroegtijdig schoolverlaten en ongekwalificeerde uitstroom in te dijken en ouders daarbij te betrekken.

Conclusie

Als de gedachten die ik hierboven ontwikkeld heb, correct zijn, staan ons nog moeilijke tijden te wachten. Ik zal nu even een riskante, maar naar ik vrees niet onrealistische hypothese naar voor schuiven. Het einde van het neoliberale tijdperk is nabij en wel om meerdere redenen. Ik beperk mij tot drie:

Een belangrijk deel van het neoliberale programma is gerealiseerd (cf. privatiseringen, afbraak sociale zekerheid, enz.)

Onder de landen die een vooraanstaande rol spelen op het economisch front op basis van de ontwikkeling van spitstechnologieën herkennen we naast de VS een aantal opkomende economieën vaak aangeduid als de BRIC-landen [18].

Opvallend daarbij is dat het haast steeds om autoritaire regimes gaat. Zelfs in de landen waar de leiders via verkiezingen aan de macht zijn gekomen, zien we zeer vlug autoritaire én autocratisch verglijdingen ontstaan onder het motto: ’the winner takes it all’. Verkiezingsoverwinningen worden als alibi gebruikt om alle macht naar zich toe te trekken. De autonome arbeidersbewegingen, onafhankelijke rechtspraak en kritische media zijn dan de eerste slachtoffers.

De leiders van de GAFAM’s [19] – aanvankelijk meestal “democraten” – hebben ongeveer allemaal hun kar gekeerd. Waarom? Omdat wetten, decreten, verdragen en regels, zowat het hele arsenaal aan middelen van de traditionele rechtsstaat, zovele hinderpalen zijn op weg naar de onmiddellijke implementatie van technologische innovaties die elkaar aan grote snelheid opvolgen in de high-tech sectoren van de economie en door niets mogen worden gehinderd, wat ook de consequenties mogen zijn én omdat het in autoritaire regimes zoveel eenvoudiger is om verlost te geraken van hinderlijke arbeidswetgeving, lastige milieureglementen en belachelijke bescherming van de privacy. Allemaal dingen die niet thuishoren in een moderne, gemondialiseerde omgeving en daarenboven de winstmaximalisatie afremmen;

Het oude Europa past niet in dat prentje en het opruimen van ‘oude’ rechten en beschermende maatregelen zoals vervat in de arbeidswetgeving e.d. duurt veel te lang om competitief te blijven (worden?). Het is in het ‘oude’ Europa dat duidelijkst blijkt dat de GAFAM’s veel beter af zijn in autoritaire regimes.

De strijd voor emancipatorisch onderwijs, syndicale rechten, democratische vrijheden en sociale verworvenheden vormt dus ook de kern van de strijd tegen de opmars van autoritaire en fascistische regimes. It’s now or never.

Tony Van den Heurck

Dit artikel verscheen in “De democratische school”, nr. 105, maart 2026. Je kan een abonnement nemen op ons driemaandelijks tijdschrift (15 euro voor 4 nummers) via deze link.

Voetnoten

  1. Ik denk ook dat omvattende en complexe sociale verschijnselen zelden of nooit tot een enkele oorzaak (i.c. de sociale media) te herleiden zijn; dit geldt ook voor sterk veralgemenende begrippen zoals consumptiemaatschappij of meer recent kennismaatschappij, die meer versluieren dan verhelderen.
  2. In 1972 verscheen het Rapport van de Club van Rome, ondertiteld: De grenzen aan de groei, in het Nederlands als Aulapocket 500.In 1962 verscheen Silent Spring van Rachel Carson, o.a. over de ravages van DDT onder de roofvogelpopulatie.
  3. Voor een nadere toelichting over de staking van september 1983 verwijs ik naar het artikel van Peter Veltmans in Actief, nr. 4 van 2025, p. 19.
  4. Zonder immigratie zouden de bevolkingsaantallen er in ongeveer gans Europa op achteruit gaan.
  5. De jaren ‘70 en ‘80 zijn gekenmerkt door experimenten en vernieuwingen, de opkomst van alternatieve onderwijssystemen (de zgn. methodescholen, de verlenging van de leerplicht tot 18 j….), een groot lerarenoverschot op de arbeidsmarkt, één van de redenen voor de verlenging van twee tot drie jaar van de niet-universitaire lerarenopleidingen.
  6. Wat natuurlijk op zich geen negatieve factor is, maar in de gegeven context van bezuinigingen en personeelstekort de taak serieus verzwaart.
  7. Deze alinea is gebaseerd op een opiniestuk van Juffé. Het is interessant omdat het illustreert dat de symptomen van de malaise geen typisch Vlaams fenomeen zijn, maar in een aantal Europese landen opduiken.Michel Juffé, Malaise dans l’éducation, in Quinzaines, nr. 1258, januari 2024.
  8. Alle verwijzingen naar het Actieplan komen uit: Mededeling aan de Vlaamse Regering, VR 2025 0711 MED.O391/1BISWat in de citaten vet gedrukt staat, is dat eveneens in de tekst van de minister.
  9. Enkel op p. 3 alinea’s 3 en 4 wordt even geraakt aan verschillen in ongewenst gedrag, en dan nog …
  10. Dit doet mij denken aan een kruising van de schachtentemmer uit een folkloristische studentenclub met de brulaap die de rol van sergeant speelt bij de GI’s.
  11. Lexicon voor opvoeding en onderwijs, uitg. Dijkstra Zeist bv, 1986, p. 334-5.
  12. In deze context moet ik denken aan Thomas Hobbes’ Leviathan (1654) en Jeremy Benthams Panopticon (1802). Een totalitair onderwijssysteem met penitentiaire scholen.
  13. Ik vraag mij af of de auteurs van deze tekst al eens de moeite hebben gedaan om de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs te lezen en of zij weten dat de leerkrachten enkele jaren krijgen om zich erin in te werken?
  14. Paul Verhaeghe, De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en gestoord, VUBPRESS, Brussel, 2012, p. 43.
  15. Verstarring met het impliciet streven naar uniformiteit en het nauwelijks verholen opdringen in iedere school van het ‘autoritatief schoolklimaat’..
  16. Cf. Vincent Troger en Jean-Claude Ruano-Borbalan, Histoire du système éducatif, PUF, Parijs, 2005, pp.57 e.v.
  17. De brief is verzonden op 3 november 2025 door het Ministerie van Defensie, defensie.be en geadresseerd aan: Beste jongere,
  18. De Bric-landen zijn Brazilië, Rusland, India en China, maar ook Zuid-Afrika, Iran, Egypte, Ethiopië, de Verenigde Arabische Emiraten, Indonesië
  19. De GAFAM’s: Google, Apple, Facebook, Amazon en Microsoft; dit zijn uiteraard niet de enige.