Het lerarentekort is nu een acuut probleem, maar het is niet dat we het niet zagen aankomen

Facebooktwittermail

 

‘Pasklare oplossingen om deze crisis in het onderwijs aan te pakken, zijn er helaas niet’, schrijft Vincent Van Roy over het lerarentekort. ‘Daarvoor is het probleem te complex.’ Hij schetst een overzicht van de uitdagingen waar het onderwijsveld vandaag mee kampt.

De jongste weken is er veel aandacht voor het lerarentekort in het Vlaamse onderwijs. Er wordt gewezen op de urgentie van de zaak en er worden – al dan niet realistische – ballonnetjes opgelaten om dit tekort op korte én lange termijn op te vangen. Het is echter niet zo dat we dit gebrek aan instroom van leerkrachten niet zagen aankomen. Dit is een ‘getelefoneerd’ probleem en eentje dat zich al meer dan tien jaar manifesteert. Er konden reeds lang signalen worden opgevangen dat het ‘mis’ zou gaan.

Hieronder enkele redenen waarom jongeren niet (meer) vóór de schoolbanken willen gaan staan. Ondanks de beperkte successen vallen ook zij-instromers niet ‘en masse’ voor een carrièreswitch naar ons onderwijs. We reiken ook enkele suggesties aan hoe we uit deze malaise kunnen geraken. Ik focus me hierbij in de eerste plaats op het secundair onderwijs.

Veranderende sociologische en demografische omstandigheden

Een eerste element welke een belangrijke invloed uitoefent, zijn de wijzigende sociologische en demografische omstandigheden binnen onze samenleving. Hiermee doelen we op het wijzigende leerlingenbestand in diverse regio’s, de introductie van een (groot)stedelijke problematiek, het dalende prestige van autoriteit en ‘voorbeeldberoepen’ zoals leerkracht en de toenemende complexiteit van de samenleving in het algemeen.

De periode dat je als leerkracht de luxe had om voor een vrijwel homogeen leerlingenpubliek met een gelijkaardige beginsituatie te staan, ligt al geruime tijd achter ons. Tenminste grotendeels. In steeds meer regio’s in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar een kwart van de leerlingen Nederlandstalig onderwijs volgt, is superdiversiteit reeds geruime tijd de realiteit en de lerarenopleidingen spelen daar helaas nog te weinig op in. Zo werd er tijdens mijn eigen academische lerarenopleiding omstreeks 2005 niets of nauwelijks iets gezegd over de omgang met leerlingen van diverse achtergronden, terwijl ook toen dat gegeven binnen een stedelijke context reeds lange tijd een feit was.

De opleidingen spelen (nog) te weinig in op deze diversiteit, terwijl er dus vaak sprake is van een grote discrepantie tussen de sociaal-economische, sociaal-culturele, etnografische en religieuze achtergrond van het leerlingenpubliek (en hun ouders) en het onderwijzend personeel. Dit leidt tot meerdere problemen, een voorbeeld hierbij is dat men elkaar letterlijk vaak niet meer goed verstaat. Er zijn weliswaar scholen die zich in bijvoorbeeld anderstalige nieuwkomers specialiseren (OKAN scholen), maar vele scholen hebben nog steeds een onbestaand of ondermaats plan van aanpak met betrekking tot het omgaan van dit (groeiende) deel van hun leerlingenpubliek. Het is een open deur intrappen te stellen dat er nog steeds te weinig studenten met een ‘alternatieve’ achtergrond aanwezig zijn in de diverse lerarenopleidingen, wat natuurlijk een onevenwicht met de sociaal-demografische realiteit met zich teweegbrengt.

Het is allesbehalve evident om de dag van vandaag met een gebrekkige voorbereiding inzake ‘superdiversiteit’ voor de klas te komen. Dit vergt bijzonder veel inspanning van beginnende leerkrachten, zowel temporeel als emotioneel. Het maakt de uitoefening van het lerarenberoep ook op mentaal vlak bijzonder belastend, daarbij is het verre van evident om de toegewezen klassen ’te begrijpen’ en met deze klasgroepen op een vlotte wijze om te gaan. Meerdere onderzoeken wijzen uit dat het bijzonder inspannend is om concrete vakgebonden leerstof over te dragen op klasgroepen die men te weinig kan ‘doorgronden’, ook al is de leerkracht in kwestie de best denkbare vakspecialist met een feilloze kennis. Lesgeven is veel meer dan het louter overdragen van kennis en vaardigheden naar de leerlingen toe. Het is de manier van overbrenging van deze skills naar de klasgroep met haar vaak divers publiek die bepaalt of men kan spreken van ‘succes’ of ‘falen’.

Om deze overdracht efficiënt te laten verlopen moet met een ‘klik’ hebben met de leerlingen in het bijzonder en de klasgroep in het algemeen. Het wordt dringend tijd dat de diverse lerarenopleidingen hier meer op inzetten, er zijn weliswaar de jongste jaren fundamentele verbeteringen merkbaar, maar er blijft nog veel werk aan de winkel.

Van een schoolvos naar een papieren tijger…

Eigenlijk is het overbodig om nog te vermelden, want iedereen vindt het vanzelfsprekend, maar toch: de administratieve last voor onderwijzend personeel neemt draconische vormen aan. De aandacht voor deze toenemende ‘planlast’ is echter niet nieuw, wel integendeel, het Kabinet van toenmalig minister Marleen Vanderpoorten haalde dit meer dan twintig jaar geleden reeds aan. Er werd destijds al beloofd om iets aan die planlast te doen, zodat de leerkrachten zich terug meer konden focussen op hun kerntaak en dat was en is namelijk ‘goed lesgeven’. Ook bij alle ministers die Vanderpoorten opvolgden, kwamen dezelfde beloftes terug.

We stellen echter vast dat de concrete planlast echter nauwelijks afneemt, vaak is zelfs het tegendeel waar. Onderzoek wijst uit dat de gemiddelde leerkracht in het secundair onderwijs minstens 30 tot 40 % van zijn werktijd met vrijwel pure administratie bezig is. Leerkrachten kiezen echter voor het beroep ‘onderwijs geven’, niet dat van administratieve bediende. Geen wonder dat dit vele beginnende leerkrachten doet afschrikken of sommige starters ertoe noopt na een aantal jaren er terug de brui aan te geven.

Waarom is die administratieve last voor onderwijzend personeel de jongste jaren dan zo toegenomen? Wel, daar zijn meerdere verklaringen voor… Eerst en vooral situeert zich dat op macroniveau, waarbij de tendens bestaat dat men alles veel meer op papier moet vastleggen of ‘het bestaat niet’. Waar ouders zich vroeger tevreden stelden met een rapportcijfer en voor extra uitleg terecht konden bij de betreffende leerkracht, wil men nu alles op papier hebben en liefst kwantitatief meetbaar. Let op, vroeger was zeker niet alles beter en was er soms een fundamenteel gebrek aan feedback, maar misschien is de slinger van de ‘bewijsbaarheid’ iets te veel in de andere richting doorgeslagen. Dit zorgt voor veel druk bij het onderwijzend personeel en letterlijk veel extra administratieve last, diverse leerkrachten zullen beamen dat zij per week vele extra uren bezig zijn met het zich schriftelijk verantwoorden van resultaten en allerhande acties.

Komt daar nog bij dat de overheid een heel aantal extra eisen heeft opgelegd aan het onderwijzend personeel op administratief vlak en men daar ook minder ‘uren’ voor krijgt. Dit extra werk dient dus buiten de gewone lesuren te gebeuren. Zo kregen vele leerkrachten in het secundair onderwijs vroeger een vrijgesteld lesuur om klassenraden bij te wonen, een oudercontact voor te bereiden, speelplaats- en studietoezicht te doen, etc.

Daar is de jongste jaren absoluut geen sprake meer van. Al deze extra taken die inherent zijn aan het lerarenberoep zijn in ‘surplus’ gekomen en komen nog eens bovenop het reguliere takenpakket welke in lesuren is gegoten. Hierbij ook nog eens fijntjes opmerken dat een aanzienlijk deel van het lerarenkorps een of meerdere plage-uren krijgt toebedeelt en dat deze tot en met het vierde ‘overuur’ op geen enkele manier financieel vergoed worden. Ik kan mij geen andere (overheids)sector voor de geest halen waar zulks een feit is. O ja, zulke plage-uren worden niet zelden ingevoerd vanwege het steeds nijpender wordende lerarentekort. Aanwezige leerkrachten moeten het tekort opvangen via een ‘systeem’ van gratis overuren draaien!

Hoewel vaak goedbedoeld, scheelt er ook op microniveau iets aan de steeds toenemende administratieve last. Zo leggen vele directies hun korps extra administratieve verplichtingen op om zich in te dekken. Dit ‘indekken’ dient te gebeuren tegen bijvoorbeeld de nakende schooldoorlichting, ‘kritische’ ouders die dreigen met procesvoering, de leiding van de scholengroep, externe actoren, … vaak zijn deze extra opgelegde lasten jegens het lerarenkorps niet slecht bedoeld, maar ze zorgen ongewild wel voor extra druk en stress onder de leerkrachten. Beginnende leerkrachten – die natuurlijk al veel achter de kiezen krijgen met de talloze lesvoorbereidingen en het bestuderen van leer- en jaarplannen van al het nieuwe dat zij te verwerken krijgen – worden hierdoor uiteraard nog eens extra afgeschrikt. Vele elementen die sommige directies opleggen zijn weliswaar niet verplicht door de overheidsinstanties, maar toch voelen ze zich genoodzaakt om deze op te leggen.

Als voorbeeld kunnen we hierbij het elektronische leerlingvolgsysteem op het digitale platform aanhalen, waarvan men het noodzakelijk acht dit met veel neergeschreven informatie te overladen om een ‘geloofwaardig’ en bewijsbaar dossier op te bouwen om actie ten overstaan van een leerling die niet in de pas loopt te kunnen ondernemen. Deze intentie is logisch en goedbedoeld, maar leidt ongewild ook tot veel extra stress en last bij het personeel. Wie vroeger een leerling met ‘stout gedrag’ tijdens de les buitenzette, was er vanaf toen de les geëindigd was, nu wordt van die leerkracht verwacht telkens een omstandig verslag op het bewuste platform te plaatsen.

Hervormingen en nieuwsgezindheid

Een ander euvel waar vele collega’s in het werkveld over klagen is de implementatie van allerhande nieuwigheden en hervormingen de jongste twintig jaar. Er worden steeds tal van nieuwe ideetjes gelanceerd en deze zorgen niet zelden voor stress bij het onderwijspersoneel. Uiteraard zijn vele leerkrachten in de grond niet gekant tegen noodzakelijke evoluties en aanpassingen – ook de maatschappij evolueert immers voortdurend – maar ’trop is trop’ en beleidsmakers en ondersteuners hebben niet zelden de neiging steeds opnieuw het warm water te willen uitvinden. Dit wordt bovendien ervaren als een aantasting van de autonomie van de individuele leerkracht waarbij deze laatste steeds meer rekening moet houden met richtlijnen en bijkomende regelgeving allerhande.

We gaan hier niet te diep uitweiden over de hervormingen in het secundair onderwijs die momenteel in het derde jaar zijn aanbeland en beantwoorden niet de vraag of dit al dan niet een goede zaak is, maar feit is wel dat ze opnieuw een bovengemiddelde inspanning vergen van de betrokken collega’s. Vorig ‘coronaschooljaar’ richtten de inrichtende machten en uitgeverijen van nieuwe schoolboeken tal van webinars en online workshops in om kennis te maken met de nieuwe eindtermen, jaarplannen en onderwijsmethoden. Uiteraard gebeurde dit telkens met de beste bedoelingen, maar vaak vonden deze momenten van bij- en nascholing plaats buiten de reguliere lestijden, wat niet zelden door het onderwijzend personeel als extra belastend werd ervaren. Het spreekt voor zich dat de implementatie voor startende collega’s ook nog eens als extra belastend wordt ervaren buiten het zich eigen maken van een noodzakelijke onderwijsroutine waar alle beginnelingen mee te maken krijgen.

Concurrentie van andere sectoren

De jongste weken en dagen legden misschien net iets te veel actoren uit het onderwijsveld en de politiek de nadruk op het gegeven dat geld voor leerkrachten niet al te veel rol speelt. Verdienste in de letterlijke betekenis van het woord zou slechts ondergeschikt zijn aan andere elementen in de onderwijswereld zoals omgaan met werkdruk en de erkenning van het lerarenberoep. Het is inderdaad waar dat het element ‘salaris’ niet de voornaamste bekommernis is van het onderwijzend personeel, deze komt in tal van bevragingen en lijstjes meestal terug tussen plaats zes en tien indien men een ranking van prioriteit wil opmaken.

Het is een gegeven dat het basisloon van starters en jongere leerkrachten inderdaad niet aan de magere kant is. Indien men deze gegevens echter gaat analyseren en vergelijken met werknemers met vergelijkbaar diplomaniveau en type diploma in loondienst van de privésector dan vallen die lonen op termijn misschien toch magerder uit dan men zou denken. Hierbij moeten we vooral rekening houden met de vlakke loopbaan in het onderwijs (toch zeker op verloningsniveau), het gebrek aan extralegale voordelen allerhande en de hogere belastingdruk die een relatief hoger basisloon genereert. Leuke troeven in het onderwijs zoals het ambtenarenpensioen van statutair vastbenoemde collega’s of de bescherming van (langdurig) zieken in het onderwijs, kunnen deze vaststelling niet compenseren. Voor meer informatie over lonen in het onderwijs, verwijs ik graag door naar het specifieke artikel dat ik hierover publiceerde in het ledenblad van ACOD Onderwijs Provincie Antwerpen: Lonen in het onderwijs: vet betaald of zuur verdiend?

Bijkomend stellen we vast dat verloning dan misschien een mindere rol speelt voor personeel dat reeds in het onderwijs is terechtgekomen, maar dat het meer van tel is voor jonge afstudeerders of zij-instromers die twijfelen om in het onderwijs te beginnen of over te stappen. Van diegenen die uiteindelijk toch de stap zetten, zou men kunnen beweren dat deze dit ook doen vanuit een soort ‘idealisme’ om een maatschappelijke meerwaarde te bieden, welk natuurlijk geen slechte eigenschap is voor een geëngageerde leerkracht.

De overheid heeft enkele stappen ondernomen om nieuwe leerkrachten aan te trekken via een uitbreiding van het kunnen meenemen van prestaties uit de privésector (de wedde-anciënniteit) voor diverse vakken en ook de baremieke minimumleeftijd voor jonge starters werd afgeschaft, maar als we eerlijk zijn, beseffen we dat dit slechts doekjes voor het bloeden zijn. Ook een (eindelijk!) verhoging van de fietsvergoeding of het toekennen van een forfaitaire internetvergoeding van 20 euro per maand zal hier weinig aan kunnen verhelpen. Jonge afstudeerders worden vaak verleid door het aanlokkelijke aanbod van de privé en potentiële zij-instromers willen er niet weg… Talloze extralegale voordelen als een salariswagen, een aantrekkelijke groepsverzekering, aandelenopties, bonussen, variabele commissies, maaltijdcheques, hospitalisatieverzekering, etc. overtreffen vaak ettelijke malen de bescheiden ingrepen die in het onderwijs zijn gebeurd. Een eventueel iets lager basisloon nemen deze mensen er graag bij. Temeer omdat afstudeerders en potentiële zij-instromers merken dat het hedendaagse onderwijs allesbehalve is geëvolueerd naar een ‘nine-to-five-job’ en er ettelijke uren meer dan de voorzien 38 uren moeten geklopt worden, zeker tijdens de eerste jaren van de vaak dan nog onzekere onderwijscarrière.

Diverse kwaliteit van de instroom en opleidingen

Het meest gevoelige punt in dit betoog is misschien het gegeven dat de zeer diverse kwalitatieve instroom van beginnende leerkrachten niet zelden zorgt voor een verdere leegloop binnen het onderwijs. De diverse leerkrachtenopleidingen (educatieve masters, hogeschoolopleidingen tot een professionele bachelor, graduaatsopleidingen in volwassen- en avondonderwijs, tal van alternatieve systemen, …) de zwarte piet in deze doorschuiven zou een beetje onrechtvaardig en kort door de bocht zijn, maar dat het niveau in sommige van die opleidingen naar boven kan, staat als een paal boven water. In tijden van tekorten zou men de neiging kunnen hebben om de vereisten voor de instromers te verlagen of zelfs geheel af te schaffen, maar net dit heeft vaak een averechts effect en men komt terecht in een soort neerwaartse spiraal. Dat komt de onderwijskwaliteit in zijn geheel bezwaarlijk ten goede!

De jongste tijd wordt vaak geponeerd dat het lerarentekort vaak wordt veroorzaakt door de dalende kwaliteit, maar als men het stout stelt zou men die boutade kunnen omkeren en kunnen beweren dat de dalende onderwijskwaliteit wordt veroorzaakt door een chronisch en structureel lerarentekort. Net het upgraden van de diverse lerarenopleidingen – niet in het minst op vakinhoudelijk vlak – zou het aanzien van het onderwijs en de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep terug kunnen aanwakkeren. Dus zeker niet het verdere ‘downsizen’ ervan!

Waar men ooit vijf, tien of twintig sollicitanten voor één vacature had, heeft men nu soms vijf openstaande vacatures voor één sollicitant.

Schrijnend is het gegeven dat er voor vele vakgebieden geen vakleerkrachten meer te vinden zijn en noodgedwongen worden dan mensen met een zeer afwijkend diploma, opleiding en expertise aangesteld om deze vakken te geven. Als voorbeeld kunnen we hierbij wetenschapsvakken of wiskunde aanhalen, waar zelfs in een derde graad ASO slechts maximum een derde van de leerkrachten de vereiste vakbekwaamheid heeft. Het is natuurlijk leuk en een groot pluspunt als een niet-wetenschapper gemotiveerd is om wiskundeles te geven aan de richting wetenschappen-wiskunde, maar duurzaam en gezond is deze tendens allerminst. Waarmee uiteraard niet beweerd wordt dat niet-vakspecialisten een bewust vak niet kwalitatief kunnen overbrengen. Maar de lerarentekorten zijn zo fundamenteel, chronisch en structureel geworden de jongste jaren, dat bovenstaande situaties eerder regel dan uitzondering zijn. Waar men ooit vijf, tien of twintig sollicitanten voor één vacature had, heeft men nu soms vijf openstaande vacatures voor één sollicitant. Het is dan verleidelijk en begrijpelijk voor directies om de ‘selectieprocedure’ af te zwakken en het sollicitatiegesprek tot een formaliteit te degraderen, maar op termijn is dat nefast om een aanvaardbare onderwijskwaliteit te waarborgen.

Dalend maatschappelijk aanzien

Dat de onderwijsgerelateerde beroepen kampen met een dalend maatschappelijk aanzien, is als een open deur intrappen. We bemerken hierbij parallellen met het dalende respect voor uniformberoepen. In tijden waarin we niet meer schrikken van berichten waarbij politiemensen, brandweerlui en ambulanciers tijdens interventies worden aangevallen, is het een ‘logisch’ gevolg dat ook het respect voor de positie en autoriteit van de leerkracht erop achteruit geboerd is.

Mondigheid van leerlingen en hun ouders is an sich zeker geen slechte zaak, maar wordt wel problematisch als zich dat vertaalt in een te grote vrijpostigheid tot het ronduit aannemen van een intimiderende, agressieve of brutale houding jegens het onderwijzend personeel. Ook zulke gruwel- en horrorverhalen doen eventuele twijfelaars afhaken om effectief de overstap naar het onderwijs te maken. De boutade van vele collega’s dat vroeger de leerlingen er thuis nog een straf bijkregen als ze op school iets mispeuterd hadden, maar dat ze tegenwoordig meer verhaal komen halen op school met zoon-/dochterlief, is helaas niet altijd uit de lucht gegrepen.

Deels zijn sommige directies, ondersteuners en instanties zelf verantwoordelijk voor het mee neerhalen van de prestige en autoriteit van de leerkracht. Niet zelden gebeurt dit ongewild en vanuit de beste bedoelingen, maar draaien deze goede intenties wel uit op schadelijke bijwerkingen van bepaalde maatregelen. Vanwege de ‘mondigheid’ van sommige leerlingen en hun ouders, is er in sommige onderwijsgemeenschappen een tendens tot cliëntelisme namens deze jongeren en hun ouders. Op zich is dit niet altijd een slechte zaak, ware het niet dat men soms de geloofwaardigheid en autoriteit van de betrokken leerkrachten in de weegschaal legt om – met de beste bedoelingen – tot een bevredigende oplossing te komen. Het is zonneklaar dat deze afbrokkeling van het prestige van het leerkrachtenberoep zijn effect heeft op de krapte van leerkrachten op de actuele arbeidsmarkt. Zeker in een grootstedelijke en ‘superdiverse’ context weegt dit element nog zwaarder door. Stellen dat ons hedendaagse onderwijs verworden is een tot een anarchistisch bolwerk is minstens een paar bruggen te ver, maar het is alleszins niet makkelijk om de eerder negatieve perceptie met betrekking tot het lerarenberoep de dag van vandaag te keren.

Duurzame oplossingen op lange termijn?

Het zou bijzonder bevredigend zijn dit overzicht te kunnen afsluiten met het aanreiken van enkele pasklare oplossingen om deze crisis – want dat woord mogen we ondertussen schaamteloos in de mond nemen in deze – op te lossen, maar dat is quasi onmogelijk door de complexiteit van het probleem. Toch zijn er een aantal ingrepen, al beschreven in voorgaande punten, die we kunnen doorvoeren om de tanker te keren en er misschien voor te zorgen dat we het structureel leerkrachtentekort kunnen ombuigen. Die ingrepen kunnen veel geld, inspanningen en tijd kosten, maar in een Vlaamse samenleving waar zelfs onze minister beweert dat onze ‘hersenen’, getriggerd door het onderwijs, onze vrijwel enige winstgevende ‘oliebron’ is, mag daar iets tegenover staan. In deze is het dan ook bijzonder cynisch vast te stellen dat er meer dan 100 miljoen euro de komende jaren in ons onderwijs bespaard moet worden. Dat zulke nog niet gedane uitgaven – zoals onze minister beweert – niet opgemerkt of gevoeld zullen worden, is in deze bijzonder twijfelachtig!

Het inzetten van gepensioneerde leerkrachten of het terughalen van gedetacheerde leerkrachten kan misschien op korte termijn een beetje soelaas brengen, maar voor een duurzame oplossing op lange termijn is er veel meer nodig dan dat.

Concreet zou het nuttig zijn de kwaliteit van sommige onderwijsopleidingen terug op te schroeven of indien de kwaliteit al hoog genoeg is minstens te borgen. Zorgen voor een kwalitatieve instroom waarbij jongeren en zij-instromers voldoende vakkennis tentoon spreiden kan de neerwaartse spiraal ombuigen tot een opwaartse. Uiteraard is dat niet voldoende, in die opleidingen en ook tijdens de startersbegeleiding van leraren in opleiding moet er meer aandacht zijn voor het omgaan met de diversiteit en complexiteit in de samenleving die niet zal afnemen, wel integendeel. Verder moet de administratieve last eindelijk ten goede worden aangepakt en resulteren in minder planlast in plaats van steeds meer… Ondersteunende functies die in het leven worden geroepen moeten de job van de leerkrachten verlichten en niet andersom. Of men het nu graag hoort of niet: men zal ook verder iets moeten doen aan de verloning van leerkrachten met bepaalde gegeerde profielen en de concurrentie aangaan met de privésector. Het verlenen van meer extralegale voordelen mag daarbij ook absoluut geen taboe meer zijn!

Wat betreft het maatschappelijk aanzien van de leerkracht kan iedereen zijn steentje bijdragen: van de directies die (terug) meer de kaart van hun personeel mogen trekken, tot de leerkrachten zelf die met kwalitatief en vernieuwend onderwijs het verschil kunnen maken, tot de media die ook eens wat meer ‘succesverhalen’ mogen belichten, want die zijn er uiteraard ook.

Het inzetten van gepensioneerde leerkrachten of het terughalen van gedetacheerde leerkrachten kan misschien op korte termijn een beetje soelaas brengen, maar voor een duurzame oplossing op lange termijn is er veel meer nodig dan dat. Ook de overheid mag op dat vlak wat meer ambitie aan de dag leggen de lat een stuk hoger leggen. Zeggen dat alles in ons hedendaagse onderwijs kommer en kwel is, is natuurlijk een funeste onwaarheid. Vele leerkrachten zijn nog steeds enorm gemotiveerd het verschil te maken, het leerkrachtenberoep heeft vele positieve en bevredigende aspecten. Om deze enthousiaste en kwalitatieve arbeidskrachten te behouden, moet er echter grondige actie ondernomen worden en daar begint men liever vandaag dan morgen mee…

Vincent Van Roy is leerkracht in het GO! Atheneum MXM en vakbondsafgevaardigde en bestuurslid bij ACOD onderwijs Provincie Antwerpen en ACOD groep GO!

Dit artikel verscheen eerder als opinie op de website van Knack.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here