Uittreksels uit boek “Je veux une bonne école pour mon enfant”

Facebooktwittergoogle_plusmail

In april 2009, verscheen het boek ‘Je veux une bonne école pour mon enfant!’ van Nico Hirtt. In dit boek stelt Nico Hirtt een ander inschrijvingsbeleid in de scholen voor. De overheid moet eerst aan alle kinderen een kwaliteitsschool in hun omgeving voorstellen. Pas nadien zouden de ouders hun recht op vrije schoolkeuze kunnen uitoefenen. Het is het voorstel dat Ovds verdedigt. De auteur schreef dit boek in de context van de beroering die het decreet ‘mixité sociale’ (minister Dupont) tijdens het schooljaar 2008-2009 in het Franstalig onderwijs teweeg bracht. Het boek schetst eerst uitgebreid de problematiek van de sociale ongelijkheid en segregatie in ons onderwijs, alvorens een alternatief voor het inschrijvingsbeleid te formuleren. Hieronder volgt de vertaling van enkele uittreksels.

Uittreksels uit boek van Nico Hirtt ‘Je veux une bonne école pour mon enfant!’ (Ik wil een goede school voor mijn kind!)

Het recht op een school

In maart 2007 stelde Ovds (Oproep voor een democratische school) zijn programma voor de hervorming van het (Vlaams en Franstalig) onderwijs voor. Dit 10-puntenprogramma bevat een belangrijk luik over het inschrijvingsbeleid.

Aan het debat over de inschrijvingen ligt ten gronde de tegenstelling tussen het collectief recht op kwaliteitsonderwijs en het individuele recht op een vrije schoolkeuze. We hebben in dit boek aangetoond dat, in de huidige omstandigheden, de voorrang die in deze tegenstelling wordt gegeven aan de vrije schoolkeuze niet enkel een hinderpaal vormt om iedereen een kwaliteitsschool aan te bieden maar ook dat deze vrijheid in de praktijk vaak niet kan uitgeoefend worden omdat er geen plaats is in de school van zijn keuze.

Het wordt tijd dat men deze knoop ondubbelzinnig doorhakt: de individuele vrijheid bereikt haar limiet wanneer ze in botsing komt met fundamentele collectieve rechten, zoals het recht op onderwijs. Een juiste en rechtvaardige inschrijvingsprocedure zal dus eerst aan elk kind een plaats in een kwaliteitsschool garanderen en pas nadien aan de ouders die het wensen, de grootst mogelijke keuzevrijheid voor zover het eerste principe niet wordt aangetast.

Alle inschrijvingsprocedures uit het verleden, sinds het compleet ontbreken van ook maar enige reglementering gedurende decennia, tot de projecten voor de “bassins scolaires” en de pogingen tot hervormingen van de ministers Arena en Dupont in het Franstalig onderwijs, het GOK-decreet (Vanderpoorten), de wijzigingen van de decretale voorrangsregels en de experimenten in Gent, Antwerpen, Brussel die in de LOP’s (lokaal overlegplatform) werden beslist … hebben gemeen dat ze vertrekken van de keuze van de ouders en vervolgens proberen een minimum van rechtvaardigheid te verzekeren. Wij stellen voor om die volgorde om te keren.

Alle leerlingen een kwaliteitsschool in hun omgeving garanderen, betekent vermijden dat er gettoscholen worden gevormd of dat er binnen de scholen een concentratie van “goede” en “slechte” leerlingen in aparte klassen ontstaat. Er moet dus een inschrijvingssysteem komen dat garandeert dat alle scholen, zonder uitzondering, gemengd zijn qua sociale samenstelling en heterogeen qua “niveau” van de leerlingen. Dit kan niet het resultaat zijn van de blinde werking van de markt, die eerder het tegendeel zal bevorderen. De sociale mix en de heterogeniteit moeten bewust georganiseerd worden.

Het principe dat wij voorstellen is het volgende: men begint met aan de ouders een school voor te stellen – een kwaliteitsschool, dus sociaal gemengd – en men laat de markt pas in tweede instantie spelen.Tijdens het schooljaar vóór de start van het kind in de basisschool (of in het secundair onderwijs, zie verder) ontvangen de ouders een brief met vermelding van de school waarin een plaats is voorzien. De brief preciseert dat in geval de ouders met het voorstel van school akkoord gaan, ze enkel het (bijgevoegd) antwoordformulier naar de betreffende school vóór een bepaalde datum moeten opsturen. Gedaan met wachtrijen, stress, weigeringen en dubbele inschrijvingen. Een plaats vinden in een school wordt een recht in plaats van een karwei vol onzekerheid zoals nu vaak het geval is.

Na de opgegeven datum komen de niet ingenomen plaatsen vrij. Vanaf dan speelt de logica van de onderwijsmarkt, maar dan beperkt tot de nog vrije plaatsen en de ouders die de initieel voorgestelde school hebben geweigerd. De segregerende impact van de onderwijsmarkt zou sterk worden beperkt. Om dubbele inschrijvingen te vermijden kan met een centrale computer gewerkt worden.

Bij het voorstel van toewijzing van een school kunnen meerdere factoren een rol spelen: het aantal beschikbare plaatsen in elke school, de voorrang voor broertjes en zusjes van leerlingen die reeds op de school zitten, eventueel de filosofische voorkeur (zie verder), de woonplaats (of eventueel de werkplaats) van de ouders en vooral een pro-actieve organisatie van de sociale mix.

Voor dit laatste punt kan men rekening houden met het adres (dit veronderstelt dat er een fiscaal kadaster per straat bestaat) ofwel met de individuele fiscale aangiften van de personenbelasting. Natuurlijk zal de gemiddelde sociale samenstelling van een school in Lasne verschillen van die in La Louvière. Belangrijk is dat de vorming van gettos wordt vermeden. In Lasne zijn er ook armen en in La Louvière ook rijken. En overal in België is er een grote middenklasse. Bovendien liggen de rijkere en de armere wijken in onze grote steden nooit ver uit elkaar.

Er zijn goede redenen om in het succes van zo’n systeem te geloven. De grote meerderheid van de ouders zullen de zekerheid van een gegarandeerde plaats verkiezen boven het risico op de schoolmarkt met een fel geslonken aanbod (vrije plaatsen) . Wie tevreden is met de voorgestelde school, heeft geen reden om te veranderen. De anderen zullen tweemaal nadenken omdat ze weten dat ze weinig kans maken in de meest gegeerde scholen nog een plaats te vinden.

Maar vooral zal de sociale mix, samen met de breuk met de logica van de markt, de opkomst bevorderen van scholen die sociaal veel minder ongelijk zijn dan vandaag. Dit zal in grote mate de druk op de ouders verlichten om een andere dan de voorgestelde school te verkiezen. De sociale mix in alle scholen zal dus de voornaamste troef zijn in het succes van de nieuwe inschrijvingsprocedure.

De uitvoering van dit project stoot echter op twee moeilijkheden: het bestaan van verschillende netten en van hiërarchische onderwijsvormen.

De studiekeuze uitstellen

De hierboven beschreven inschrijvingsprocedure is onmiddellijk toepasbaar voor het basisonderwijs. Ze kan gebruikt worden bij een eerste inschrijving in de kleuter- of in de lagere school of bij een verandering van school in geval van verhuis, echtscheiding of een andere reden.

Het is echter onmogelijk deze wijze van inschrijvingen te hanteren in het secundair onderwijs waar de leerlingen een studierichting kiezen en de keuze van de school op de eerste plaats in functie hiervan gebeurt.

In principe zou men nochtans kunnen overwegen het systeem van toewijzing van de school te gebruiken tijdens de eerste twee jaren van het secundair onderwijs als het om een gemeenschappelijke stam gaat. In de huidige omstandigheden is dit zeer moeilijk. Sommige scholen richten enkel ASO in, andere enkel TSO en BSO. Omwille van de verschillende rekrutering zijn er grote niveauverschillen tussen deze scholen. Zelfs indien de regulering van de inschrijvingen een grotere gelijkheid in de schoolbevolking van het eerste jaar van het secundair onderwijs zou meebrengen, zou niet alles opgelost zijn. Door louter toeval zou de ene leerling op 12 jaar in een ASO-school terecht komen en een andere in een TSO-BSO-school. Sommigen zouden in de school kunnen blijven en anderen zouden op 14 jaar moeten veranderen van school.

Daarom bestaat de beste oplossing in een duidelijke scheiding, ook op het vlak van de inplanting, tussen de “gemeenschappelijke school” (lager onderwijs plus de twee eerste jaren van het secundair) en het hoger secundair onderwijs. Een hervorming van het secundair onderwijs zou moeten resulteren in een autonome gemeenschappelijke eerste graad, zonder studierichtingen of specialisaties, op een aparte locatie, en een hogere cyclus met studierichtingen die voorbereiden op hoger onderwijs of op een beroepsopleiding.

Volgens mij zou de gemeenschappelijke cyclus minstens de eerste drie jaren van het secundair onderwijs moeten beslaan. Ideaal zelfs het vierde jaar. De studiekeuze zou dan worden uitgesteld tot 16 jaar, zoals in de Scandinavische landen.

Sommigen zullen verrast reageren. Zou dit niet de deur openen voor een gigantische nivellering naar beneden? Het is waar dat we er vandaag nog niet eens in slagen een gemeenschappelijke eerste graad van twee jaren te realiseren, er zijn grote niveauverschillen tussen de leerlingen die in het secundair onderwijs instromen. Nochtans beogen de hoger beschreven maatregelen net de niveauverschillen te verminderen door de segregatie vanaf de kleuter- en lagere school te bestrijden. Ongetwijfeld volstaat dit niet en zal men ook moeten investeren in kleinere klassen (meer leerkrachten) in de eerste jaren van de lagere school en in de individuele begeleiding tijdens de hele schoolloopbaan. Maar het loont de moeite als men ziet hoe de vroegtijdige selectie volgens hiërarchische onderwijsvormen de sociale segregatie in het onderwijs versterkt.

Natuurlijk zou het in praktijk brengen van de gemeenschappelijke stam en dus ook van de toewijzing van de school in het lager secundair onderwijs geleidelijk moeten gebeuren, nadat is aangetoond dat ze succesvol was in het basisonderwijs.

Riskeert men niet de kwaliteit van de technische en de beroepsopleidingen aan te tasten door de studiekeuze uit te stellen? Nee, integendeel. Alle leerkrachten praktijk van de derde graad BSO of TSO zullen u zeggen: de leerlingen die een langere algemene vorming hebben gevolgd en pas in het vijfde jaar in een kwalificatiestudierichting beginnen, zullen snellere vorderingen maken om tot goede technici en stielmannen uit te groeien.

Wat met de onderwijsnetten?

Men kan aan de ouders slechts een confessionele school voorstellen indien ze er het filosofisch karakter van aanvaarden. Een officiële school daarentegen staat per definitie open voor alle kinderen, omdat ze in principe de verschillende erkende godsdiensten of niet confessionele zedenleer aanbiedt. Hoe hiermee rekening houden bij de toewijzing van een school?

Men zou zich kunnen indenken dat men de ouders vraagt of ze een bepaalde confessionele school verkiezen. Maar bij nader toezien, blijkt dat dit niet kan functioneren. Als de vraag naar een confessionele school het aanbod zou overtreffen, zou men immers niet in staat zijn de keuze van de ouders te respecteren. Het is niet de taak van de overheid om in te staan voor het aanbod van het confessioneel onderwijs. Bovendien bestaat het risico dat de sociale breuklijnen tussen de netten weer groter zouden worden. Het zou niet lang duren vooraleer het katholiek onderwijs weer de school van de rijken en de officiële school die van de armen wordt. Men zou het probleem enkel verplaatst hebben.

Een meer praktische oplossing zou er in bestaan aan de ouders te vragen, niet of ze een confessionele school wensen, maar of ze zouden aanvaarden dat aan hun kind een confessionele school wordt voorgesteld. In dit geval zou de overheid altijd rekening kunnen houden met de keuze van de ouders, door bijkomende officiële scholen te openen indien nodig. Ouders die absoluut een confessionele school wensen, zouden altijd de vrijheid hebben om de voorgestelde officiële school te weigeren .

Dit voorstel heeft het voordeel van de politieke haalbaarheid. Maar de vrees bestaat dat zelfs op de vraag “zou u een katholieke school aanvaarden?” de antwoorden nog altijd enigszins bepaald zouden zijn door de sociale afkomst van de ouders.Waarom zou men dus niet verder kunnen gaan en de onderwijsnetten afschaffen? Alle gesubsidieerde scholen zouden omgevormd worden in neutrale, openbare scholen met een grote autonomie.

Het boek ‘Je veux une bonne école pour mon enfant! Pourquoi il est urgent d’en finir avec le marché scolaire’(uitgeverij Aden) kan besteld worden via www.aden.be

Het boek telt 128 bladzijden.

Het bevat 31 (korte) hoofdstukken. Hierboven vertaalden we hoofdstukken 24, 25 en 26.

Nico Hirtt est physicien de formation et a fait carrière comme professeur de mathématique et de physique. En 1995, il fut l'un des fondateurs de l'Aped, il a aussi été rédacteur en chef de la revue trimestrielle L'école démocratique. Il est actuellement chargé d'étude pour l'Aped. Il est l'auteur de nombreux articles et ouvrages sur l'école.