Masterplan secundair onderwijs: een gemiste kans

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 4 juni bereikte de Vlaamse regering na moeizame onderhandelingen een akkoord over een “masterplan” voor de hervorming van het secundair onderwijs.

De jongste jaren lagen meerdere voorstellen op tafel, zoals de visienota van de commissie Monard (april 2009), de oriëntatienota van minister Smet (september 2010), de nota van Metaforum-KULeuven (januari 2012), de visietekst van het VVKSO (mei 2012). Tot begin juni 2013 maakte minister Smet zich sterk dat hij een hervorming zou realiseren met een brede eerste graad, uitstel van studiekeuze tot 14 jaar en het wegnemen van de schotten tussen aso, tso en bso.

Brede eerste graad?

Een brede eerste graad betekent dat alle leerlingen in de eerste twee jaren van het secundair onderwijs een gemeenschappelijke en veelzijdige vorming volgen en nog niet worden opgedeeld in hiërarchische studierichtingen. Van dit principe blijft in het masterplan niet veel over.

In het eerste jaar zullen de leerlingen van de A-stroom (leerlingen zonder getuigschrift van het lager onderwijs komen in een B-stroom terecht) gedurende 27 uren een basispakket met dezelfde vakken krijgen. Het masterplan somt deze vakken niet op maar men kan vermoeden dat techniek (technologische opvoeding) zwaarder zal doorwegen en elke leerling een initiatie in economie zal krijgen. Daarnaast is er een differentiatiepakket van 5 uren waar zwakke leerlingen kunnen worden geremedieerd en sterkere leerlingen uitgedaagd met verdieping of uitbreiding. Het masterplan vermeldt de mogelijkheid tot extra techniek, wiskunde, wetenschappen, kunst, economie, Nederlands, Frans, Engels en klassieke talen.

Elke school kiest welke differentiatiepakket ze aanbiedt. De ene school zal zich dus kunnen profileren met Latijn, een andere met handel of economie en nog een andere met “techniek”. Maar ook met het basispakket (27 uren) zullen de scholen zich kunnen blijven profileren. Het staat de netten en de scholen immers vrij om deze basisvorming “in verschillende abstractieniveau’s of moeilijkheidsgraden” aan de bieden aan de leerlingen. Het staat de scholen ook vrij de leerlingen in te delen in niveaugroepen voor sommige of alle vakken. Het “gemeenschappelijk” basispakket zal dus, zoals vandaag, van school tot school en van klas tot klas behoorlijk kunnen verschillen.

Twee derden van de scholen met een eerste graad hebben ook een bovenbouw. Deze bovenbouw – vaak ofwel aso, ofwel tso-bso – bepaalt in sterke mate het profiel van de eerste graad. Het masterplan voorziet geen maatregelen of stimulansen om de eerste graad te organiseren in “autonome” middenscholen. Het zijn nochtans sommige van deze scholen, bv. de 80 scholen die behoren tot StAM (Studiegroep Authentieke Middenscholen), die de beste ervaringen inzake brede eerste graad kunnen voorleggen.

In het tweede jaar van de A-stroom zal het basispakket 25 uren en het differentiatiepakket 7 uren bedragen. Volgens het masterplan kiezen de leerlingen vanaf het tweede jaar een basisoptie. Ook vandaag zijn er basisopties (latijn, moderne talen, sociaal-technische, handel …), hun aantal zou wel verminderen.

Dat betekent dat de door minister Smet vooropgestelde uitstel van studiekeuze tot 14 jaar (na de brede eerste graad) sneuvelt. De leerlingen moeten voor een “basisoptie” kiezen op 13 jaar.

ACOD-Onderwijs stelt terecht: “Er wordt geen brede eerste graad gerealiseerd. Doordat basisopties blijven bestaan, ligt de theoretische studiekeuze op 13-jarige leeftijd en blijft de feitelijke op 12 jaar. Het zijn net deze basisopties die toelaten dat scholen zich zodanig profileren dat een gezonde sociale mix van leerlingen onmogelijk wordt!” (Perscommuniqué, 5 juni)

Verdwijnen de schotten tussen aso, tso en bso?

De voorstellen van de commissie-Monard (2009) voorzagen een meer gemeenschappelijke en meer veelzijdige eerste graad gevolgd door een tweede graad met een beperkt aantal brede studierichtingen die nog geen definitieve keuze inhielden.

Minister Smet opteerde voor een herindeling van de studierichtingen (vanaf de tweede graad) volgens vijf studiedomeinen (wetenschap en techniek, taal en cultuur, economie en organisatie, kunst en creatie, welzijn en maatschappij) en volgens finaliteit (voorbereiding op hoger onderwijs, arbeidsmarktgerichte en studierichtingen met een dubbele finaliteit). Op die manier zou elke school, voor minstens één van de domeinen, zowel studierichtingen aanbieden die vandaag tot het aso als tot het tso en bso behoren. De dualisering tussen aso-scholen en tso-bso-scholen zou verdwijnen, de sociale segregatie zou verminderen en de overgangen tussen de studierichtingen (binnen een domein) zouden soepeler kunnen verlopen. Belangrijke patronale organisaties zien in het verdwijnen van de labels aso, tso, bso een voorwaarde om meer leerlingen aan te trekken in technologische studierichtingen zodat de relatieve krapte van technisch geschoolden op de arbeidsmarkt niet tot loonspanningen leidt.

De N-VA heeft de invoering van domeinscholen afgeblokt. De Wever wou ten allen prijze voorkomen dat een elitaire aso-school zou verplicht worden studierichtingen aan te bieden die meer arbeiders- en migrantenkinderen aantrekken. Ten eerste zal de volgende regering ten vroegste in 2016 het licht op groen zetten voor het concept van “domeinscholen”. Ten minste als een studie heeft aangetoond dat “de onderwijskwaliteit voor welke studierichting dan ook” hierdoor niet zou dalen. Zelfs in dit geval behouden de scholen de vrijheid om te evolueren naar een domeinschool (ze zouden met incentives aangemoedigd worden) of om enkel doorstromingsgerichte of enkel arbeidsmarktgerichte studierichtingen aan te bieden.

Voormalig onderwijsminister Frank Vandenbroucke zegt hierover: “Het model van die zogenaamde domeinscholen wordt niet de algemene regel. Met andere woorden, scholen kunnen ervoor kiezen om een ‘eliteschool’ te vormen, in het verlengde van een sterke aso-traditie, aangevuld met enkele sterke en goed in de markt liggende technische richtingen. Die vrijheden die men geeft, zouden kunnen leiden tot een nefaste tweedeling tussen domeinscholen en scholen die zich net tegen dat model profileren. De sociale ongelijkheid zou daardoor wel eens kunnen vergroten in plaats van verkleinen”. (De Standaard, 22 juni 2013)

Een gemiste kans

Het is duidelijk dat dit masterplan geen “historisch akkoord” is zoals minister-president Peeters en Smet lieten uitschijnen. De N-VA van De Wever heeft elke ernstige stap in de richting van een minder duaal onderwijs geblokkeerd. De soms diametraal tegengestelde interpretaties door De Wever en Smet hebben bovendien voor veel verwarring gezorgd. Op de werkvloer is er zowel ontgoocheling als opluchting te horen en meer onverschilligheid dan enthousiasme.

Volgens ons blijft een sociale hervorming van het (secundair) onderwijs nochtans noodzakelijk om minstens drie grote redenen: om de grote sociale ongelijkheid (schoolloopbaan is sterk afhankelijk van de sociale afkomst) drastisch te verminderen, om de maatschappelijk relevante kennis van alle leerlingen omhoog te brengen en om alle leerlingen een polytechnische vorming te bieden (tegenover het technologisch analfabetisme van 90% van de leerlingen). Investeren in het basisonderwijs (kleine klassen, snelle remediëring), een sociale mix in alle scholen realiseren via een meer assertief inschrijvingsbeleid en samenwerking in plaats van concurrentie tussen netten en scholen, een lange gemeenschappelijke stam met een veelzijdige (algemene, polytechnische, creatieve, sportieve) vorming voor alle leerlingen, zijn daarbij noodzakelijke bouwstenen.

Romy Aerts

Dit artikel verscheen in “De democratische school”, nr. 54, juni 2013