Het kamperen voor de schoolpoorten eindelijk voorbij?

Facebooktwittergoogle_plusmail

De tijd dat onderwijsmedewerkers met ‘allochtone’ leerlingen van school tot school leurden om toch een plaatsje te vinden, behoort in grote mate tot het verleden. De leerachterstand van deze leerlingen blijft evenwel kolossaal. Marc Laquière, pedagogisch raadgever van de Federatie van Marokkaanse Verenigingen in Antwerpen, onderzocht de problematiek. In onderstaand artikel formuleert hij een aantal kritische bedenkingen en voorstellen rond het inschrijvingsbeleid.

Ook ‘autochtone’ ouders werden nu geconfronteerd met capaciteitsproblemen van de scholen. In de eerste plaats in het basisonderwijs. In het secundair onderwijs is het eerder het oud zeer van Vlaamse ouders, die met zijn allen hun zinnen hebben gezet op een paar scholen die – al dan niet terecht – gezien worden als kwaliteitsscholen.
‘Autochtone’ ouders verhieven hun stem en voerden actie alom. Meteen werden hele reeksen beloften gelanceerd. De ‘kilometerregel’ zal afgeschaft worden, de scholenbouw zal beter gekoppeld worden aan de stadsgroei, aan de scholen zal gevraagd worden een masterplan op te stellen om de capaciteitsbehoeften te detecteren. Mogelijk zullen niet alleen de ‘criteria bij aanmelding van inschrijving’ maar ook de ‘voorrangsregels’ herbekeken worden.
Opeens is the sky the limit. Ongetwijfeld zullen alle leerlingen daar hun voordeel bij hebben. Toch stemt het tot nadenken dat ‘allochtone’ ouders en hun kinderen tientallen jaren hebben moeten wachten vooraleer er beweging kwam in het inschrijvingsrecht.

In Gent loopt op 15 maart de tweede en meteen laatste elektronische aanmeldingsperiode voor het basisonderwijs ten einde. Nadien kan men zich (proberen) in te schrijven in de school zelf. In Antwerpen liep de enige aanmeldingsperiode ten einde op 26 februari. Pas vanaf 19 april kan men zich in de school zelf (proberen) in te schrijven. In Brussel kon men zich aanmelden tot 31 januari. Vanaf mei kunnen zij die nog geen school gevonden hebben op zoek gaan. En voor het secundair gelden weer andere afspraken. Wat de precieze capaciteitsproblemen voor het schooljaar 2010-2011 zijn, zal pas na het eind van al die inschrijvingsperiodes bekend zijn. Duidelijk is dat er een structureel probleem is en dat er veel meer aan de hand is.

Even een duik in het verleden: het GOK-decreet van 2002

Het Gelijke Onderwijskansendecreet van 2002 (1) leidde tot verschillende maatregelen om te verhinderen dat leerlingen op basis van niet relevante kenmerken, zoals herkomst, huidskleur … niet werden ingeschreven in de school van hun keuze. Kansarme en ‘allochtone’ ouders hadden het immers bijzonder moeilijk om hun kinderen ingeschreven te krijgen in de school van hun keuze. Het was voor hen vaak een ingewikkelde en frustrerende zoektocht naar een geschikte en ‘goede’ school. Verenigingen van etnisch-culturele minderheden oefenden druk uit op de overheid om een correct inschrijvingsrecht voor alle leerlingen te garanderen.

Het inschrijvingsrecht – zoals bepaald in het GOK-decreet – en vervolgens in de praktijk gebracht door de Lokale Overlegplatforms (LOP’s) was, zoals zoveel onderwijsdossiers, het resultaat van wat men in onderwijskringen al te vaak als een ‘niet te vermijden’ compromis beschouwd. Een dergelijk compromis zit vaak al in de uitgangspunten van een voorstel ingebouwd. Durf je een dergelijk compromis in vraag te stellen, dan word je verantwoordelijk gesteld dat er van een aanvankelijk interessant voorstel weinig of niets meer in huis komt. Typisch voor dergelijke compromissen is dat er meestal meteen al een reeks achterpoortjes ingebouwd zitten, die het voor sommige partijen mogelijk maken aan de gemaakte afspraken te ontsnappen.

We geven enkele voorbeelden uit de vele. Het opleggen van andere voorwaarden om ingeschreven te worden dan deze bepaald in het GOK-decreet (b.v. onterechte eisen zoals een rapport van een leerling moet meer dan 85 % vermelden om ingeschreven te worden in een nieuwe school, geen documenten afleveren zoals het verplichte inschrijvingsdocument, onterechte doorverwijzingen), het niet naleven van de LOP afspraken over het informeren over het inschrijvingsperioden en –modaliteiten, het niet overmaken van de capaciteit van de school aan het LOP… (2)
Al te vaak wordt de grondwettelijke ‘vrijheid van onderwijs’ te pas en te onpas uit de kast gehaald om onderwijsvernieuwingen of verbeteringen in de kiem te smoren.

Al bij al maakten de systematische bijsturingen van het GOK-decreet vanaf 2002 het voor (elitaire) scholen steeds moeilijker om leerlingen te weigeren. Er werden echter onnodig veel energie, tijd en middelen gestoken in het opeisen van een correcte toepassing van het inschrijvingsrecht. Iedere keer dat er een verbetering van dit recht werd gerealiseerd, leek het erop dat een nieuwe zoektocht werd begonnen naar achterpoortjes. Niettegenstaande de grote vooruitgang in de realisatie van het inschrijvingsrecht vanaf het schooljaar 1994 -1995, blijven nog steeds kordate en aanvullende maatregelen nodig voor een correcte toepassing van het inschrijvingsrecht, het GOK-decreet en de afspraken die in de LOP’s gemaakt worden.

Leve de spreiding?

In plaats van consequent te kiezen voor kwaliteitsonderwijs voor alle leerlingen -ongeacht hun socio-economische en etnisch-culturele achtergrond – staarde men zich in Vlaanderen jarenlang blind op de spreiding van ‘allochtone’ leerlingen. Spreiding werd gezien als een mirakeloplossing voor de leerachterstand van deze leerlingen. Een aantal onderwijsdeskundigen, politici en beleidsmakers die het uitzichtloze van deze aanpak aantoonden, het discriminerend spreidings- en inschrijvingsbeleid aan de kaak stelden en een aantal haalbare alternatieven voorstelden, botsten op hardnekkige weerstanden.

Een spreidingsbeleid is voor ons een voedingsbodem voor vooroordelen, discriminatie en racisme. Men stelt of suggereert immers dat de kwaliteit daalt vanaf een bepaalde concentratie ‘allochtone’ kinderen. Op die manier legt men de verantwoordelijkheid voor een daling van de kwaliteit van het onderwijs eenzijdig bij deze kinderen en hun ouders. Het spreidingsbeleid leidde de afgelopen jaren tot een uitzichtloze discussie, die het zoeken naar en het uitvoeren van doeltreffende oplossingen eindeloos vertraagde. Alleen de ‘allochtone’ leerlingen waren het doelwit van dit spreidingsbeleid. Aan de spreidingsmaatregelen werden meestal geen kwaliteitsverbeteringen gekoppeld, zodat deze leerlingen er niet beter van werden.

Hoewel er tegenwoordig op beleidsniveau een brede consensus bestaat dat een spreidingsbeleid niet werkt en dat men beter focust op kwaliteitsonderwijs voor alle leerlingen, met positieve acties voor leerlingen met leerachterstand, leeft het spreidingsbeleid nog steeds in de hoofden van heel wat (onderwijs)mensen.

Ook tijdens de discussie over de kampeertoestanden zag men de spreidingsgedachte de kop weer opsteken. Een aantal ‘zwarte’ concentratiescholen dromen van het aantrekken van ‘witte’ leerlingen, in plaats van zich zoals andere gelijkaardige scholen in de eerste plaats te concentreren op de verhoging van de kwaliteit van hun onderwijs.

Experimenten om wachtrijen en kampeertoestanden te vermijden

Het oud zeer van kamperen aan de schoolpoorten kreeg in 2007 grote aandacht in de media. Er was vrij vlug een consensus om iets te doen aan deze asociale, bijna mensonterende toestanden.
Nederlandstalige scholen in Vlaanderen en Brussel kunnen door een decreetswijziging van 2008 experimenteren met methodes om wachtrijen en kampeertoestanden te vermijden.

Ouders kunnen hun kinderen, naar het voorbeeld van de Gentse basisscholen, ook elektronisch aanmelden in de Gentse secundaire methodescholen, in het Brussels basis- en het secundair onderwijs en in de Antwerpse basisscholen.
Gent startte in 2008 met succes met elektronische inschrijvingen voor het schooljaar 2009-2010. In Antwerpen werd een gelijkaardig voorstel in de Algemene Vergadering van het LOP – Basisonderwijs in 2008 meerderheid tegen minderheid verworpen. In 2009 kwam men tot een compromisakkoord om met elektronische inschrijvingen van start te gaan voor het schooljaar 2010-2011. De federaties van Antwerpse etnisch-culturele minderheden sloten zich met tegenzin aan bij het compromis en formuleerden hun bezwaren. (3)

Opvallend is dat de overwegingen en doelstellingen in het Antwerps compromis vaag en onduidelijk zijn. In tegenstelling tot Gent waar men opteert voor het hanteren van één criterium van rangschikking bij aanmelding nl. ‘afstand tot de woonplaats’, gebruikt men in Antwerpen nog een tweede criterium, nl. ‘chronologie van aanmelden’. De motivatie voor het hanteren van twee criteria was bijzonder vaag: ‘Een systeem dat gebaseerd is op slechts 1 criterium van rangordening wordt als te beperkend gezien.’ Wat bedoelt men met ‘te beperkend’? Wie vindt dat te beperkend? Hoe motiveert men een dergelijke keuze? Vragen waarop geen antwoord kwam.

Het elektronisch inschrijven is ongetwijfeld een grote stap vooruit voor het inschrijvingsrecht. Het maakt de inschrijvingen zichtbaar, evalueerbaar en controleerbaar. Het biedt zekerheid aan de ouders dat hun kind effectief ingeschreven is. Dubbele inschrijvingen kunnen aldus vermeden worden. Het heeft voor het eerst de capaciteitsproblemen in het Vlaams onderwijs aan het licht gebracht. Goede en tijdige communicatie, eenvoudige, heldere en niet voor interpretatie vatbare informatie én ondersteuning zijn echter noodzakelijke voorwaarden om het systeem succesvol te maken. Uit de evaluatie van de inschrijvingen van 2010 – 2011 in Antwerpen zal moeten blijken wat kan verbeterd worden. Het Centraal Aanmeldingsregister in Gent en Antwerpen is een grote stap vooruit. In Antwerpen zorgden de koppeling van twee criteria voor aanmelding echter voor de problemen die de Federaties voorspeld hadden. Ze dienen voor de Federaties dan ook herzien te worden.

De Gentse versus de Antwerpse invulling van het systeem

Zowel in Gent als Antwerpen kunnen ouders hun kinderen elektronisch aanmelden en vervolgens inschrijven. In Gent speelt het criterium ‘tijdstip van aanmelden’ geen rol. Ouders hebben de tijd om zich aan te melden tot het einde van de aanmeldingsperiode. In Antwerpen was dat niet het geval. Dat was dan ook om problemen vragen.

Ouders van GOK-kinderen stonden op 6 januari 2010 in Antwerpen al geruime tijd voor het van start gaan van het systeem te wachten om als eerste hun kind in te schrijven. De volgorde van aanmelden speelt immers een belangrijke rol bij het toekennen van de plaatsen. Op die manier werd de wachtrij van voor de scholen verplaatst naar de verschillende organisaties, waar ouders ondersteuning konden krijgen bij het inschrijven van hun kinderen. Niet alleen werden de ouders die het moeilijk hebben met het werken met een computer of de Nederlandse taal minder goed machtig zijn, benadeeld, maar daarenboven werd – cynisch genoeg – de concurrentie tussen GOK-ouders nog eens aangewakkerd door het hanteren van dit discriminerend criterium.

Om 14u05 trad het systeem in werking. Ouders probeerden als eerste een plaats te bemachtigen achter een van de computers. Men probeerde zo vlug mogelijk in te loggen om zijn kind in te schrijven. Met stress bij ouders en begeleiders als onvermijdelijk gevolg. De ouders en de begeleiders hadden vooraf niet kunnen oefenen met het systeem van aanmelden. Wat iedereen had kunnen weten, gebeurde ook. Men geraakte niet ingelogd. Er waren vertragingen bij het invullen. Het aanmeldingsformulier werd soms te vlug ingevuld en men werd weer uitgelogd. Vragen werden niet begrepen, etc. Bepaalde termen zoals bijvoorbeeld ‘bewaar’ waren onbekend voor de ouders. Hoeveel ouders zijn vertrouwd met begrippen als bijvoorbeeld inloggen, verificatiecode, wachtwoord hoofdlettergevoelig, enzovoort? Sommige straatnamen werden door het systeem niet herkend.
Bij het intikken van het rijksregisternummer verscheen de melding op het scherm: ‘Rijksregisternummer is al in gebruik. Controleer of dit niet van een ander kind is, zo niet contacteer het LOP op het nummer: 0475.52.37.14. Zonder dit rijksregisternummer kunt u niet verder’. Het GSM-nummer naar waar de infobrochure over de inschrijvingen verwees, was onbereikbaar en de voicemail van dit GSM-nummer was in een mum van tijd overvol. De telefonische hulplijnen van de Studiewijzer van Antwerpen konden de hulpvragen niet aan.

De gevolgen van dit alles laten zich raden. Ouders die het opgeven. Onmacht, frustratie, woede, schelden op het inschrijvingssysteem. Onzekerheid of hun kind nu wel is aangemeld.
Kortom, met het criterium ‘chronologie’ worden de kansen om ingeschreven te geraken voorbehouden aan mensen die het vlotst en het snelst kunnen omgaan met een computer en met computertaal. Aan mensen die over een snelle computer en internetverbinding beschikken. Een door specialisten bemand call center is een noodzaak. Ook de informatiecampagne moet ongetwijfeld vroeger op gang komen.

De criteria van rangschikking bij aanmelding

Het hanteren van één criterium, zoals ‘afstand tot de woonplaats’ in Gent, heeft als voordeel dat alle ouders tijdens eenzelfde aanmeldingsperiode de tijd krijgen om zich aan te melden, zonder dat ze zich massaal op hetzelfde moment op het elektronisch systeem moeten storten.

Het criterium ‘afstand tot de woonplaats’ is duidelijk een objectiever, bruikbaarder en eerlijker criterium dan het criterium ‘chronologie van aanmelden’.

Het criterium ‘afstand tot de woonplaats’ biedt transparantie naar alle ouders toe. ‘Afstand tot de woonplaats’ is een meetbaar en controleerbaar gegeven.
Het criterium ‘chronologie van aanmelden’ heeft een gelijkaardig discriminerend effect als de kampeertoestanden. Het fysieke kampeerprobleem wordt immers vervangen door een elektronische kampeerellende.

Kortom, het hanteren van het criterium ‘afstand tot de woonplaats’ is voor ons een relevant criterium. Een ‘goede’ school in de buurt een praktisch ideaal. Zeker voor kansarme en ‘allochtone’ ouders. Het criterium ‘chronologie bij aanmelding’ is niet alleen irrelevant, maar heeft – zoals hierboven vermeld – nefaste en discriminerende effecten.

Het hanteren van percentages

Antwerpse scholen kunnen daarenboven zelf het gewicht van de specifieke criteria bepalen. Ze bepalen zelf tot op zekere hoogte in hoeverre ‘afstand tot de woonplaats’ en ‘chronologie van aanmelding’ een rol spelen in de rangschikking.
Scholen bepalen vooraf hoeveel plaatsen ze precies toekennen op basis van ‘afstand tot de woonplaats’. Dat aantal kan tot 100% gaan, met als afspraak dat scholen een minimum van 30% hanteren.
Scholen kunnen dus tot maximaal 70% kinderen inschrijven op basis van het criterium ‘chronologie van aanmelden‘. Scholen die daarvoor opteren moeten met andere woorden maar 30% kinderen inschrijven op basis van het criterium ‘afstand tot de woonplaats’. Het is duidelijk dat men scholen die een specifieke (elitaire) rekruteringspolitiek voeren, ongemoeid heeft willen laten.

Als men in Vlaanderen bereid is de kansen van kansarme en ‘allochtone’ leerlingen te verhogen, dan mogen we verwachten dat scholen kinderen die in de buurt wonen voorrang geven op alle andere kinderen. Tegenstanders van deze optie stellen dat men hierdoor de groei van ‘zwarte’ concentratiescholen in de hand werkt. Men vergeet te vermelden dat de mogelijkheid voor alle ouders blijft bestaan om hun kinderen elders dan in hun eigen buurt in te schrijven en dat ook sommige ‘allochtone’ ouders daar gebruik van maken.

Er is meer aan de hand

Het Antwerps inschrijvingssysteem is onnodig complex en ondoorzichtig voor ouders. Wat zijn de achterliggende bedoelingen? Wilde men koste wat het kost vermijden dat er buurtscholen ontstaan? Wilde men vermijden dat de bestaande leerlingenpopulatie in het gedrang komt? Willen sommige scholen zoveel mogelijk proberen ‘witte’ scholen blijven?
We zijn de negatieve impact niet vergeten van het gebruik van bovengrenzen en ondergrenzen – die we toen ‘number games’ noemden – in de zgn. non-discriminatie overeenkomsten, die in de jaren 1993-1994 in verschillende Vlaamse steden werden afgesloten. (4)

Wordt het niet de hoogste tijd dat het Antwerpse onderwijs rechtuit zegt waarom ze per se twee criteria hanteert, waarom scholen de mogelijkheid hebben om naar eigen goeddunken om te springen met de percentages voor ‘afstand’ en ‘chronologie’?
‘Het schaars aantal plaatsen moet zo eerlijk mogelijk verdeeld worden’ heet het in het Antwerps compromisvoorstel. Moet er niet dringend voorrang verleend worden aan die groepen in onze samenleving die daar het meeste nood aan hebben? Zijn gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor alle leerlingen niet meer dan ooit op hun plaats? (5)

Antwerpse basisscholen kunnen vrijwillig, onder bepaalde voorwaarden er voor kiezen om zgn. GOK – leerlingen (leerlingen waarvan de ouders aan de GOK-criteria beantwoorden (6) of kansarme, en ‘allochtone’ leerlingen) of niet-GOK leerlingen in te schrijven. Op de 210 Antwerpse basisscholen gaven slechts 11 scholen voorrang aan GOK-leerlingen tegenover 22 scholen voor niet-GOK leerlingen. 177 scholen gaven geen voorrang aan een van beide groepen.

Slechts een beperkt aantal ‘witte’ scholen gaven dus voorrang aan GOK-leerlingen. Het verbaast dan ook volgende tekst op de voorpagina van De Morgen van 8 maart 2010 te lezen: ‘Zeker in Antwerpen heerst er veel ongenoegen omdat sommige scholen die in buurten met veel allochtonen liggen, door bepaalde voorrangsregels van een gezonde culturele mix (opnieuw) dreigen te evolueren naar een concentratieschool’. Vragen hierbij zijn bij wie is dat ongenoegen aanwezig, wat is een – suggestieve – ‘gezonde culturele mix’; We hebben vragen bij de suggestie dat ‘zwarte’ concentratiescholen recent zouden ‘witter’ geworden zijn en door de voorrangsregels opnieuw zouden ‘zwarter’ geworden zijn. Op basis van welk cijfermateriaal kan men zoiets beweren? Wat suggereert men hiermee? Zoals we hoger aangaven worden de voorrangsregels voor GOK-leerlingen slechts door een beperkt aantal scholen werden toegepast.

De bewering van Filip Dewinter op 10 maart in het Vlaams Parlement dat ‘allochtone’ kinderen zouden bevoordeligd worden op wat hij noemt kinderen ‘van bemiddelde, hoog- of goedopgeleide blanke ouders’ (7) klopt niet en versterkt de vooroordelen over ‘allochtonen’.
In 22 ‘zwarte’ scholen krijgen niet GOK-ouders (zeg maar ‘witte ouders’ ) voorrang op andere ouders. We zijn benieuwd hoeveel ouders van deze voorrang gebruik hebben gemaakt. In amper 11 ‘witte’ scholen op de 210 Antwerpse basisscholen krijgen ouders die beantwoorden aan de GOK-indicatoren (zeg maar ‘allochtone’ en kansarme ouders) voorrang op andere ouders.

Laten we hopen dat het – vaak subtiele – boycotten van een correct inschrijvingssysteem eindelijk tot het verleden zal behoren en dat een correct inschrijvingsrecht een fundamenteel recht wordt. Op die manier kan er meer aandacht vrijkomen voor andere relevante en fundamentele aspecten van het GOK-decreet.

Het is duidelijk dat het aantal scholen en de capaciteit in stedelijke agglomeraties zoals Antwerpen, Brussel en Gent dringend moet verhoogd worden. (8)
Dit blijkt ondertussen een probleem te zijn voor alle ouders, maar zoals hoger aangetoond met de kansarme en ‘allochtone ouders’ als extra slachtoffer.

We krijgen meer en meer klachten van ouders die vertellen dat hun kinderen, die met vrij goede schoolresultaten willen veranderen van school, een toelatingsproef moeten afleggen vooraleer ze ingeschreven worden. Opmerkelijk is dat – aldus deze ouders – alleen ‘allochtone’ kinderen in deze scholen worden getest.
Verenigingen van etnisch-culturele minderheden vragen de overheid om nauwlettend toe te zien op de correcte toepassing van het GOK-decreet en de spelregels van het inschrijvingsrecht. De bepalingen van het GOK-decreet en het inschrijvingsrecht zijn democratisch verworven rechten, die niet mogen worden prijsgegeven. Als het GOK-decreet niet correct wordt toegepast, moet er kordaat opgetreden worden. Als er bepaalde reële tekorten in het decreet worden geconstateerd, moeten ze bijgestuurd worden. Als een Lokaal overlegplatform niet efficiënt werkt, dient nagegaan te worden waaraan dat ligt en wat er kan verbeterd worden.
Als scholen het GOK-decreet, de reglementeringen of de afspraken in hun LOP’s niet respecteren, heeft dat voor kansarme en ‘allochtone’ leerlingen nefaste en discriminerende gevolgen. Niet alleen ouders en kinderen zijn daar de dupe van, maar ook scholen die het inschrijvingsrecht wél correct toepassen.

Het onderwijs dient resoluut te kiezen voor een echt gelijke rechten-, kansen- en uitkomsten- beleid. Vertragingsmanoeuvres zoals schermen met de ‘vrijheid van onderwijs’, ‘planlast’, lokale autonomie … kunnen niet langer.
Het is dan ook verwonderlijk te moeten lezen dat twee parlementairen de negatieve gevolgen van het ‘tijdscriterium’ bij de inschrijvingen gebruiken om aan te tonen dat het inschrijvingsrecht niet werkt en dat ‘aldus de autonomie terzake van de scholen van tafel (wordt) geveegd’ (sic). (9) De auteurs gaan ervan uit dat heel wat (witte) scholen uit vrije wil al van voor het GOK-decreet bezig waren met het invoeren van een sociale mix in hun scholen. Voor het GOK-decreet in werking trad, leefden we wat betreft de inschrijvingen in een tijd van de jungle, waar iedere school kon doen en laten wat ze wilde en de ‘allochtone’ en kansarme ouders aan willekeur van sommige scholen waren overgeleverd.

Het zijn net de ondemocratische, discriminerende toestanden bij de inschrijvingen van voor het GOK-decreet – waarbij sommige scholen koste wat het kost hun scholen ‘wit’ en ‘elitair’ wilden houden – die een correct inschrijvingsrecht broodnodig hebben gemaakt. Het zijn conservatieve, reactionaire krachten die in Vlaanderen een goed functionerend inschrijvingsrecht bemoeilijkten en anderen dwongen tot het aanvaarden van ondemocratische compromissen. Wilde men immers geen compromis aanvaarden, ook al was het een ‘rotten’ compromis zoals de Israëlische filosoof Avishai Margalit dat noemt, dan werd ieder zinnig voorstel – onder het motto van ‘de vrijheid van onderwijs’ – schaamteloos van tafel geveegd.
In het Vlaams regeerakkoord werd volgende zin opgenomen: ‘We creëren een decretaal kader voor aanmeldingsprocedures voor de inschrijvingen’. ’We hopen dan ook dat minster Pascal Smet in dit decretaal kader geen ruimte open zal laten voor discriminerende criteria zoals het criterium ‘chronologie van aanmelden’ en dat achterpoortjes definitief tot het verleden zullen behoren.

De belangrijkste vraag die zich bij dit alles opdringt, is de volgende: vanuit welke visie wil men aan het onderwijs van de toekomst werken. Eén die draait rond angst en rond de belangen van elitaire scholen of één die draait rond gelijke rechten, kansen en uitkomsten?

Een goed en niet voor interpretatie vatbaar inschrijvingsbeleid moet een realiteit worden. Het is de hoogste tijd dat men problemen zoals achterstand van ‘allochtone’ leerlingen, de capaciteitsproblemen … in het onderwijs krachtdadig aanpakt. Keuzes dringen zich op, wil men in Vlaanderen in Europees perspectief beter scoren op het vlak van gelijke onderwijskansen voor alle leerlingen, wil men de toekomst van een grote groep leerlingen niet in het gedrang brengen en wil men de samenleving in haar geheel niet hypothekeren.

Marc Laquière

(1) Voor een uitgebreide situering van deze thematiek:

Marc Laquière. Het inschrijvingsrecht: de processie van Echternach.

Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2008-2009 nr. 6, juli-aug. 2009, p. 449-458.

(2) Zie document van de Werkgroep van het NOP (Antwerps Platform Generatiearmen vzw, FMV – Federatie van Marokkaanse Verenigingen, De Schoolbrug vzw, Meldpunt Onderwijs – de 8). Elk kind de school van eigen keuze. Ervaringen en aanbevelingen inzake de toepassing van het GOK decreet van de Antwerpse Niet-OnderwijsPartners.

Een uitgave van NOP (de niet-onderwijspartners van het LOP). p/a Meldpunt Onderwijs – Langstraat 102 – 2140 Borgerhout. Tel. 03 270 39 45, e-mail: meldpunt@de8.be.

(3) Antwerpse Federaties van Etnisch-culturele Minderheden. Voorstel van een experiment met aanmeldingsprocedures (LOP-Antwerpen, basisonderwijs). Bemerkingen bij dit voostel vanuit de federaties van etnisch-culturele minderheden. Borgerhout, 10 juni 2009 (ingekorte en licht aangepaste versie van 6 januari 2010).

(4) In heel wat zgn. non-discriminatievereenkomsten stonden ‘bovengrenzen’ vermeld, die aangeven vanaf welk percentage ‘doelgroepleerlingen’ de school mag doorverwijzen of oriënteren. Heel wat scholen interpreteren deze bovengrenzen als een absolute stop en weigerden ‘allochtone leerlingen in te schrijven. Het doorverwijzen, oriënteren of in de praktijk weigeren, gebeurde niet altijd op basis van de formele toelatingsvoorwaarden, maar op basis van etnisch-culturele kenmerken zoals huidkleur, herkomst, cultuur en godsdienst. De gehanteerde bovengrenzen waren een louter subjectieve aangelegenheid die verschilden van gemeente tot gemeente.

(5) Individuele verschillen in inspanning, voorkeuren en zelfs talenten zullen steeds blijven leiden tot ongelijke uitkomsten. De term‘meer gelijke uitkomsten’ verwijst enkel naar de ambitie om die verschillen los te koppelen van de sociale afkomst van leerlingen.

Ides Nicaise. Gelijke kansen op school: wie wordt er slechter van? In: De-Gids-Okt-2008

(6) Omzendbrief (datum laatste wijziging: 7 december 2009). Het gelijke onderwijskansenbeleid voor het basisonderwijs. Schoolbesturen kunnen een voorrangsrecht toekennen aan leerlingen die voldoen aan ten minste één van de gelijke kansenindicatoren, nl.:

– de ouders behoren tot de trekkende bevolking;

– de moeder is niet in het bezit van een diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;

– de leerling wordt tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen;

– het gezin ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, minstens één schooltoelage van de Vlaamse gemeenschap;

– de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling spreekt met vader, moeder, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid het Nederlands spreekt Verschillende broers en zussen worden steeds als één gezinslid beschouwd.
Het beantwoorden aan de gelijkekansenindicator “schooltoelage” wordt bewezen aan de hand van een bewijs van toekenning van schooltoelage door de dienst schooltoelagen. Voor het beantwoorden aan de andere indicatoren gelden de regels zoals bepaald in punt.3.4.1 van deze omzendbrief.

(7) ‘Men zal in een grootstad als Antwerpen, Brussel en andere maar het kind zijn van bemiddelde, hoog- of goedopgeleide blanke ouders. Die zijn er aan voor de moeite want via dat GOK-decreet krijgen allochtone kinderen van zogenaamd minderbegoede gezinnen en dergelijke meer, die beantwoorden aan dat fameuze criterium uit het GOK-decreet, voorrang bij de plaatsing’.

In: Handelingen Plenaire Vergadering Vlaams Parlement van 10 maart 2010 Actualiteitsdebat over het tekort aan plaatsen in de scholen in de grote steden, voorlopig verslag.

(8) Zie Patrick De Boosere over de nieuwe babyboom in Phara , uitzending 25.02.2010 http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/mediatheek/programmas/phara/2.9324/1.724887 .

Volgens De Boosere voorspelde het Federaal Planbureau al in 2008 grote tekorten op het vlak van kinderopvang, scholen, maar was er op dat moment nauwelijks belangstelling voor de bevindingen van Federaal planbureau (zie Federaal planbureau, Bevolkingsvooruitzichten 2007-2060, Brussel, 2008.)

(9) Inschrijvingsbeleid voor scholen is een piste die tot nergens leidt. Paul Delva (Vlaams Parlementslid) en Blanca Debaets (Brussels Parlementslid), CD&V in De Morgen, 7 januari 2010, p. 22.

Deze bijdrage verscheen eerder op www.dewereldmorgen.be (19 maart 2010).

Een uitgebreide versie van dit stuk verschijnt binnenkort in het maandblad Samenleving en Politiek.