Iedereen heeft recht op een goede school voor zijn kinderen !

Facebooktwittermail

Van alle Europese onderwijssystemen is dat van de Franse Gemeenschap het meest ongelijk. Deze trieste vaststelling wordt erkend door alle beschikbare internationale studies, welke indicator men ook gebruikt. We citeren één voorbeeld uit tientallen studies: op de PISA-testen voor wiskunde is het gemiddelde verschil van de leerlingenprestaties tussen de twee uiterste kwartielen ( de 25% rijksten en de 25% armsten) in de Franse gemeenschap 126 punten. In Vlaanderen is dit verschil 102, in Frankrijk 101, in Spanje 87, in Italië 76, in Finland 63 punten.

Maar het Franstalige onderwijs haalt nog twee andere records: dat van het verschil in prestatieniveau tussen de scholen – wij hebben meer dan elders “elitescholen en “restscholen” – en dat van de sociale segregatie tussen de scholen – onze scholen zijn meer dan elders opgesplitst in “rijke scholen” en “arme scholen”.

In werkelijkheid zijn deze drie factoren met mekaar verbonden. Zij gaan terug op een specifiek kenmerk van het Belgische onderwijs: wij zijn één van de weinige Europese landen waar de instellingen leerlingen op basis van een volledig vrije markt rekruteren. De statistische analyse toont echter aan dat bijna de helft van de verschillen tussen de Europese landen op vlak van onderwijsgelijkheid door de graad van vrijheid op de onderwijsmarkt verklaard wordt.

Lovenswaardig maar onvoldoende

In die omstandigheden moeten we de wil van de ministers Arena en Dupont van de Frans gemeenschap om enige regulering, waar nu de anarchie van de markt heerst, zeker toejuichen. De vraag is natuurlijk of de gekozen methode wel de goede is. Want zowel het oude inschrijvingsdecreet als het nieuwe decreet over de (sociale) mix lijden aan dezelfde gebreken. De regulering die het oude en het nieuwe decreet nastreven slaat niet op het beperken van de draagwijdte of de omvang van het onderwijsliberalisme maar alleen op het garanderen van de gelijkheid tussen de ouders op de schoolmarkt. De concurrentie wordt er zonder twijfel wel rechtvaardiger door, maar ook scherper. Op slag wordt de vrije schoolkeuze niet alleen een recht, maar meer en meer een beangstigende verplichting.

Deze decreten bieden namelijk geenszins een antwoord op de diepe oorzaak van de angst van de ouders, namelijk de vrees dat zij uiteindelijk hun kind in een school met een “middelmatige” reputatie moeten inschrijven. Want dat is juist de motor van de vicieuze cirkel waarin ons onderwijs zich bevindt: om de gelijkheid op vlak van het prestatieniveau van de scholen te verzekeren moeten we de sociale mix van hun publiek organiseren; maar de ouders zullen deze mix slechts aanvaarden, als eerst de gelijkheid op vlak van de “kwaliteit” van de scholen gewaarborgd is.

Voorstel van Ovds

Binnen Ovds (Oproep voor een democratische school) denken leraars van alle netten uit beide taalgemeenschappen reeds meerdere jaren na over hoe we uit dit dilemma kunnen geraken. Zij doen volgende voorstellen.

We vertrekken eerst van het elementaire principe dat elke ouder het recht heeft om voor zijn kind een plaats in een school, die gemakkelijk toegankelijk is, te vinden. Dit recht was tot nog toe niet en wordt ook niet met de decreten Arena en Dupont gewaarborgd.
Ons voorstel voorziet heel eenvoudig dat er een bepaalde school aan de ouders wordt voorgesteld, zonder enige verplichting, maar met de garantie dat er een plaats voor hun kind voorzien is. De ouders krijgen tot een te bepalen datum bedenktijd. Daarna worden de nog overblijvende plaatsen toegekend aan ouders die niet akkoord gaan met de school die hen werd voorgesteld.

De criteria waarop de voorstellen aan de ouders gebaseerd zijn houden rekening met: de beschikbare plaatsen in elke school, de nabijheid van hun domicilie en het nastreven van een sociale mix (wat niet moeilijk te verzoenen is in een land met een grote bevolkingsdichtheid). Men kan ook met een beperkt aantal voorkeuren van ouders rekening houden zoals broers en zussen in dezelfde instelling, de werkplaats van een ouder, enz.

We zijn ervan overtuigd dat onder deze voorwaarden, de overgrote meerderheid van de ouders voor de school die hen wordt voorgesteld zullen kiezen. Enerzijds omdat een plaats gegarandeerd is en zij aan de beangstigende corvee om scholen te moeten gaan aflopen ontsnappen. Anderzijds omdat dit systeem ervoor zorgt dat alle instellingen een betrekkelijk heterogeen publiek ontvangen en het onderwijs er onder gelijke voorwaarden zal georganiseerd worden.

Het bestaan van een confessioneel onderwijsnet stelt hier nochtans een probleem. Een oplossing kan erin bestaan een katholieke school alleen aan ouders, die daarover vooraf hun akkoord hebben gegeven, voor te stellen. Men kan ook aan vrije instellingen voorstellen hun uitgesproken confessioneel karakter op te geven (een beetje zoals de Université Catholique de Louvain-La-Neuve eraan denkt de “C” te laten vallen). Zo zou men kunnen komen tot de afschaffing van de huidige onderwijsnetten ten voordele van openbare scholen met een grote autonomie en zonder onderlinge concurrentie.

Een lange gemeenschappelijke basisvorming

Op het niveau van de overgang van het lager naar het secundair onderwijs stelt zich het probleem van scholen die ASO óf TSO en BSO inrichten. Zelfs als in theorie de eerste graad gemeenschappelijk is, zullen ze nooit als gelijkwaardig gepercipieerd worden. Om deze moeilijkheid te omzeilen stellen we voor het hoger secundair onderwijs – met zijn studierichtingen en specialisaties – te scheiden van het lager secundair onderwijs, dat zou instaan voor de voortzetting van de basisvorming. Daarvoor kunnen het Franse ‘collège unique’, dat een soort autonome eerste graad (middenschool) is, of de Scandinavische gemeenschappelijk basisschool van 6 tot 15 jaar, model staan. Op pedagogisch vlak geniet deze laatste keuze de voorkeur, maar zij is gezien de huidige bestemming van de schoolgebouwen ook moeilijker te realiseren.

Het succes van deze onderwijsorganisatie zal ook van de kwaliteit van de begeleidende maatregelen, die de prestatieverschillen tussen de scholen moeten tegengaan, afhangen: programma’s en handboeken, die minder interpretatieruimte op maat van elke school bieden, een batterij gestandaardiseerde proeven die het werk van de lerarenteams beter sturen, bijkomende middelen in de eerste jaren van het basisonderwijs. Deze moeten een geïndividualiseerde omkadering, die de moeilijkheden van de leerlingen verhelpen en niveauverschillen vermijden, enz., verzekeren. Dergelijke hervorming kan natuurlijk niet van vandaag op morgen gerealiseerd worden. Deze moet progressief, te beginnen met het eerste leerjaar, over een tiental jaren gespreid ingevoerd worden. Dit is zonder twijfel lang, maar levert meer op dan jaar na jaar te maken te hebben met maatregelen, die de ene keer afgevoerd worden of de andere keer niet werkbaar zijn.

Nico Hirtt

(Dit artikel verscheen (zonder tussentitels) als vrije tribune in La Libre Belgique van 21 november 2008, p. 32. )

Nico Hirtt est physicien de formation et a fait carrière comme professeur de mathématique et de physique. En 1995, il fut l'un des fondateurs de l'Aped, il a aussi été rédacteur en chef de la revue trimestrielle L'école démocratique. Il est actuellement chargé d'étude pour l'Aped. Il est l'auteur de nombreux articles et ouvrages sur l'école.