Boeiende studiedag rond boek “De school van de ongelijkheid”

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op zaterdag 12 april organiseerde Ovds in Antwerpen een studiedag rond het boek “De school van de ongelijkheid”. De deelnemers werden welkom geheten door Paul Geerts, directeur van Maris Stella & Sint-Agnes, de school op de Turnhoutsebaan in Borgerhout waar de activiteit plaats greep. Hij noemde het symbolisch dat een studiedag rond sociale ongelijkheid plaats greep in een concentratieschool: in de eerste graad zijn er 93% GOK-leerlingen.

In de voormiddag stonden conferenties van de auteurs en een vragenronde op het programma. In de namiddag verspreidden de deelnemers zich over drie thematische discussiegroepen.

A. Is een lange gemeenschappelijke basisvorming wenselijk en haalbaar?

B. Hoe komen we tot sociaal gemengde scholen en klassen?

C. Hoe de leerachterstand bij allochtone leerlingen aanpakken?

Een tegenvaller was dat Nico Hirtt op het laatste moment verstek moest laten gaan wegens ziekte. Zijn afwezigheid werd echter perfect opgevangen door de mede-auteurs Ides Nicaise en Dirk De Zutter die hun voorziene uiteenzettingen uitbreidden met enkele elementen uit de presentatie die Nico Hirtt had voorzien.

Dirk De Zutter gaf toelichting bij enkele grafieken en cijfertabellen, o.a. op basis van de Pisa-onderzoeken, die illustreren dat de ongelijkheid tussen sterke en zwakke leerlingen en tussen scholen in ons land groot is en sterk bepaald is door de sociale afkomst van de leerlingen. Statistisch kan men aantonen dat er een positieve correlatie bestaat tussen sociale ongelijkheid en een index ‘vrije schoolkeuze’ (hoe meer private scholen en hoe sterker de vrije schoolkeuze van de ouders, des te meer sociale ongelijkheid) en een negatieve correlatie tussen sociale ongelijkheid en de leeftijd waarop de leerlingen volgens studierichtingen worden verdeeld (hoe later, des te minder sociale ongelijkheid).

Ides Nicaise wees de marktwerking in het onderwijs en de vroegtijdige selectie aan als twee factoren die de grote sociale ongelijkheid in ons onderwijs verklaren. Onderwijs werkt als een markt met een groot aanbod aan scholen (de vrijheid van onderwijs laat grondwettelijk toe dat iedereen een school kan openen) en aan de vraagzijde de vrije schoolkeuze (ook grondwettelijk gewaarborgd). Het is weliswaar geen echte markt maar een quasi-markt omdat de overheid grotendeels als derde betaler functioneert. De vrije schoolkeuze is nergens in Europa zo absoluut als in ons land (en nog twee andere landen). In vergelijking met de tijd van het Schoolpact (1958) is de concurrentie tussen het katholiek en het officieel onderwijs afgezwakt maar de marktwerking in het onderwijs is niet verminderd. De concurrentieslag op een markt waar door de demografische ontwikkelingen de vraag stagneert, viert hoogtij, ook tussen scholen van een zelfde net. Er zijn scholen met een schoolpopulatie uit de hogere sociale lagen. Zij kunnen selectief te werk gaan en hun reputatie eventueel nog versterken. Als er veel kampeerders voor uw school staan, kan je nog meer selecteren. Er zijn ook scholen met een kansarme schoolpopulatie, die verplicht zijn elke leerling aan te nemen om te overleven. Zo krijg je een polarisatie op de scholenmarkt. Het is niet goed voor jongeren dat ze in gesegregeerde scholen zitten. Voor leerlingen uit de hogere klassen maakt het niet veel uit op welke school ze zitten. De schoolprestaties van leerlingen uit de lagere klassen worden wel negatief beïnvloed door het bestaan van gettoscholen. De vroegtijdige selectie is een andere factor die meespeelt in de grote ongelijkheid op school. Bij ons eindigt de gemeenschappelijke stam op 12 jaar. In de Scandinavische en in enkele andere landen werden door sociaal-democratische regeringen een langere gemeenschappelijke stam ingevoerd, tot 15 of 16 jaar.

Ides Nicaise bracht ook een uiteenzetting over meritocratie en egalitarisme in het onderwijs, het thema van het derde hoofdstuk van het boek. Meritocratie betekent dat leerlingen recht op onderwijs hebben naargelang hun “mérites” of verdiensten. De verdiensten worden dan gedefinieerd als een combinatie van natuurlijke aanleg en inspanning. Egalitarisme vertrekt van de opvatting dat iedereen recht heeft op onderwijs, los van zijn talenten. De meritocratische opvatting over onderwijs, die dominant aanwezig is in het Vlaams onderwijs, blijft steken op het niveau van gelijke (start)kansen, terwijl gelijkheid van behandeling en vooral gelijke uitkomsten een sterkere invulling van het begrip “gelijkheid” betekenen. Een egalitaristische opvatting op onderwijs streeft naar gelijke uitkomsten of gelijke resultaten aan de eindmeet en impliceert o.a. een gedifferentieerde aanpak en positieve discriminatie (meer onderrsteuning van zwakke leerlingen).

Dirk De Zutter schetste het opzet van het boek als het stimuleren van het maatschappelijk debat over de school. Het boek maakt een analyse van de macrostructuur, in vergelijking met het buitenland, en van de effecten daarvan in de scholen en in de klassen. Ter illustratie confronteerde hij het publiek met een aantal uitspraken – over een gemeenschappelijke stam tot 16 jaar, over onderwijs in de multiculturele samenleving, over de vermarkting, over de kritiek op het meritocratisme – over ons onderwijs waarbij hij de vraag stelde in welke mate onze mening beïnvloed wordt door de Belgische schoolstructuur waarin wij al ons hele leven in leven en werken.

Tijdens de vragenronde werd expliciet de vraag gesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de graad van vrije schoolkeuze en sociale ongelijkheid en of gettoscholen nefast zijn voor de leerlingen. Ides Nicaise antwoordde positief. Als men hetzelfde arbeiderskind in een gettoschool of in een homogene klas met zwakke leerlingen plaatst zal het minder goed presteren dan in een sociaal gemengde school of in een heterogene klas. Er is wel degelijk sprke van een peer-group-effect.

Heeft het inschrijvingsrecht dat vervat zit in het GOK-decreet (Decreet Gelijke Onderwijs Kansen, 2002) en in het boek als een stap vooruit wordt geëvalueerd, geen averechts effect voor sommige concentratiescholen in een grootstedelijke context? Ides Nicaise ging uitgebreid in op deze vraag. “Het positief aspect van het inschrijvingsrecht is dat scholen geen leerlingen meer kunnen weigeren op basis van afkomst of vroegere schoolresultaten. Maar het is mogelijk dat sommige concentratiescholen hierdoor een nog grotere concentratie van kansarme leerlingen hebben gekregen. Het gaat hier over een complexe zaak waarvoor we als auteurs ook geen eenvoudig recept gevonden hebben waar we volledig achter staan. Persoonlijk zou ik meer de nadruk leggen op de aanbodzijde dan aan de vraagzijde. Als het niveau van de scholen dichter bijeen komt, dan vervalt automatisch de drang bij sommige ouders om hun kind in een school “top of the bill” in te schrijven. Langs de vraagzijde zou men kunnen paal en perk stellen aan het doorsturen van leerlingen. In andere landen is het vanzelfsprekend dat men op dezelfde school blijft. De vrije schoolkeuze zelf vind ik niet slecht, ze kan de school prikkelen om er iets voor te doen. Ik ben voor minimumquota: elke school zou minstens een bepaald aandeel kansarme leerlingen moeten opnemen”.

  • Verslag van werkgroep A “Is een lange gemeenschappelijke stam wenselijk en haalbaar?”
  • Verslag van werkgroep B “Hoe komen we tot sociaal gemengde scholen en klassen?”
  • Verslag van werkgroep C “Hoe de leerachterstand bij allochtone leerlingen aanpakken?”

De Powerpoint presentaties van de voormiddag kunt u hier downloaden of bekijken :