Goed onderwijs, maar toch zo’n grote kloof.

Facebooktwittergoogle_plusmail

N.a.v. het boek ‘School onder Schot’ interviewden we indertijd Nico Hirtt (Aktief 1998, nr.1). Vandaag slaat deze oprichter van ‘Oproep voor een democratische school’ de handen in elkaar met Ides Nicaise (KU Leuven) en Dirk De Zutter (vrijgestelde bij de Christelijke Onderwijscentrale) om eens te meer te pleiten voor een democratischer aanpak van ons onderwijs.

Basis van hun betoog vormen de cijfers van PISA, een wereldwijd vergelijkend onderzoek naar leesvaardigheid en wiskundekennis, en de cijfers over de nog steeds ondermaatse deelname van kinderen uit sociaal zwakkere milieus aan het hoger onderwijs. Uit de PISA cijfers bijvoorbeeld blijkt dat Vlaanderen gemiddeld beter scoort dan Wallonië, iets waar de Vlaamse pers heel wat aandacht aan besteed heeft.

Minder of geen aandacht was er voor het feit dat diezelfde cijfers zowel het Franstalig als het Nederlandstalig onderwijs even grote ezelsoren aanmaten als het ging om de verschillen tussen sterke en zwakke leerlingen. In ons land behoren die verschillen tot de grootste ter wereld, en halen onze minder presterende leerlingen lagere cijfers dan de gemiddelden in ontwikkelingslanden.

Begripsverduidelijking

Deze vaststellingen leidden de auteurs tot enkele bespiegelende hoofdstukken over de massaficatie van het onderwijs, over meritocratie en egalitarisme en over de school als reproductieapparaat. Dat massificatie, het talrijker deelnemen van grote groepen aan het onderwijs, niet gelijk mag gesteld worden aan democratisering, moge duidelijk zijn. De veralgemeende toegang tot het onderwijs kwam er vooral omdat het alsmaar ingewikkelder productieapparaat behoefte had aan geschoolde krachten. Nu in deze situatie verandering komt – het productieapparaat is tegenwoordig zo geautomatiseerd dat er eerder behoefte is aan een kleiner aantal supergespecialiseerde hooggeschoolden dan aan een massa geschoolde technici- ondervindt die massaficering trouwens heel wat kritiek.

Maar ondanks de massale uitbreiding van het onderwijs tot steeds grotere lagen van de bevolking, bleef de sociale achtergrond bepalend voor de studierichting die de leerling uiteindelijk voltooide. Interessant is de manier waarop de auteurs ingaan op de discussie over de zogezegde verlaging van het onderwijspeil. Beide partijen hebben in deze discussie gelijk: op het einde van de rit is er geen verschil, maar het is wel waar dat in het huidig onderwijssysteem het niveau in een bepaalde graad lager ligt dan voordien. De auteurs betreuren dit omdat het weer net de gegoeden zijn die door bijscholing, langere studie etc. die handicap kunnen overwinnen, lees betere troeven krijgen op de arbeidsmarkt.

Het hoofdstukje over meritocratie en egalitarisme zou iedereen moeten lezen, gezien de actualiteit ervan in de huidige onderwijsdiscussie. Het komt erop neer dat de meritocratie ervan uitgaat dat iedereen gelijke kansen op onderwijs moet krijgen en dat de maatschappij daarvoor verantwoordelijk is. Waar de maatschappij niet voor verantwoordelijk is, is natuurlijke aanleg en de inspanningen die de individuele leerling moet leveren om bij te benen. Egalitarisme gaat uit van positieve actie om minderheidsgroepen en sociaal achtergestelde groepen meer aan bod te laten komen. Het gelooft dat min of meer gelijke resultaten voor alle leerlingen mogelijk zijn, mits er extra inspanningen geleverd worden voor de zwakkeren. De auteurs wijzen op diverse studies die brandhout maken van de notie ‘natuurlijke aanleg’. Ook merken ze op dat individuele inspanningen afhankelijk zijn van de perspectieven die geboden worden, en van de kennis van codes en verwachtingen binnen een schools milieu – niet voor niets scoren vooral kinderen van leerkrachten hoog. Anderzijds wil egalitarisme niet zeggen dat we moeten streven naar een samenleving van allemaal academici, of dat we niveauverlaging dienen te dulden. Wel pleiten de auteurs voor eindtermen die elk kind moet kunnen behalen, ook al vergt dat extra investeringen in en inspanningen voor individuele kinderen.

Culturele of sociaal-economische oorzaken?

In een volgend hoofdstuk rekenen de auteurs ook af met andere verklaringen voor schoolse achterstand. Zij plaatsen vraagtekens bij bepaalde sociaal-culturele verklaringen. Volgens hen, en ze tonen dit aan met cijfers, heeft de schoolse achterstand bij allochtonen minder te maken met cultuurverschillen, maar wel met het feit dat het gros der allochtone kinderen uit sociaal zwakkere milieus komen. Voorts waarschuwen ze voor algemene recepten om schoolachterstand te bestrijden. Wat goed is voor het ene kind, is het daarom niet voor het andere.

Hoewel de auteurs scherp zijn voor de resultaten van ons onderwijssysteem, zijn ze niet blind voor de positieve punten van het onderwijsbeleid: de leerplicht, het gratis maken van het lager onderwijs, het beurzensysteem en de eerder gemakkelijke toegang tot het hoger onderwijs worden geciteerd als even zovele pluspunten. Maar waar gaat het dan wel verkeerd?

Op zoek naar een alternatief

Met het citeren van die zwakke punten, komen we meteen bij de alternatieven die de auteurs voorstellen om ons onderwijs democratischer te maken, zonder aan het niveau ervan te raken. Belangrijk in het betoog van de auteurs is dat zij pleiten voor langer gemeenschappelijk onderwijs. D.w.z. dat er moet worden gewacht met kinderen de keuze te laten tussen ASO, TSO of BSO. De auteurs pleiten ervoor dat kinderen tot hun zestiende samen zitten en dat zeker in de beginjaren gewaakt wordt over kleinere klassen en goede, persoonlijke begeleiding, aangepast aan de capaciteiten en de zwakten van elk kind. De auteurs pleiten voor duidelijke eindtermen, waarin niet enkel plaats is voor instrumentele vaardigheden (het kunnen vergaren van kennis en vaardigheden, iets waar b.v. de werkgevers nogal pleitbezorger van zijn), maar ook voor feitelijke kennisoverdracht (nodig om inzicht te hebben) en kritische vaardigheden.

Ook plaatsen de auteurs kanttekeningen bij de concurrentie binnen het onderwijs, het bestaan van diverse netten en de vrijheid van keuze van de ouders. Volgens hen dienen scholen wat betreft sociale mix op elkaar te gelijken en verdient het aanbeveling examens te maken die voor elke school dezelfde zijn. Voor hen moet de informatie nodig om de eindtermen te behalen en alle terzake nuttige pedagogische methodes massaal en centraal ter beschikking gesteld worden van de leerkrachten. Experimenten om aanvankelijk onderwijs te geven in de taal van grote minderheidsgroepen in deze samenleving verdienen steun, terwijl het leeraanbod in elke school per definitie pluralistisch moet worden. Hoewel de auteurs stellen dat hun recepten in meest zuivere vorm de beste resultaten zullen opleveren, hebben ze wel oog voor de Belgische praktijk en evenwichten, en suggereren ze telkens tussenoplossingen en stappen in de richting van wat ze het meest wenselijke achten.

Een uitdaging die repliek verdient

Al bij al is dit een zeer leesbaar boek, dat iedereen die met het onderwijs begaan is, best zou lezen. Behalve enkele details – zo deel ik b.v. de tolerantie van de auteurs t.a.v. het dragen van hoofddoeken niet – zijn de analyses en de alternatieven doorgaans een verademing. Het is een verademing dat schoolachterstand sociaal-economisch geduid wordt, en dat verklaringen op basis van ‘natuurlijke aanleg’ of ‘culturele verschillen’ op z’n minst zwaar gerelativeerd worden. De aanval tegen de onderlinge concurrentie van de scholen, het bestaan van netten en het in vraag stellen van de vrijheid van schoolkeuze lijken momenteel politieke waanzin wegens onhaalbaar en wellicht beschikken ze momenteel niet over een voldoende publiek draagvlak. Maar wat vandaag utopie lijkt, kan morgen dagelijkse realiteit zijn. Zolang de utopie maar steunt op wetenschappelijke analyse, en niet louter vrijblijvende dagdromerij is. En van dagdromerij mogen de auteurs zeker niet beschuldigd worden: hun werk is gebaseerd op cijfer en analyses, het berekent de kostprijs van bepaalde investeringen, maar ook de besparingen die kunnen worden gerealiseerd en hun terugverdieneffecten.

Misschien kan Frank Vandenbroucke, als huidig minister van onderwijs én als academisch bolleboos, bij wijze van bijdrage aan dit noodzakelijke maatschappelijk debat, op de stellingen en voorstellen in dit boek eens een even visionaire reactie schrijven. We kijken er naar uit.