Panel met de drie auteurs van “De school van de ongelijkheid”

Facebooktwittergoogle_plusmail

De auteurs van “De school van de ongelijkheid”, Nico Hirtt, Ides Nicaise en Dirk de Zutter namen deel aan een panelgesprek tijdens de “zes uren voor de democratische school” op 20 oktober in Brussel. Moderator was Chico Detrez (voorzitter ACOD-Onderwijs, Antwerpen) die een reeks vragen had voorbereid.

De auteurs vertrokken vanuit hun voorstel voor een gemeenschappelijke stam voor alle leerlingen tot 16 jaar in het secundair onderwijs als alternatief voor het huidige watervalsysteem. Met cijfers van de OESO en van het PISA-onderzoek toonden zij aan hoe de sociale selectie in het onderwijs het grootste is in die landen waar leerlingen op zeer jonge leeftijd een studiekeuze moeten maken.

Een gemeenschappelijke stam tot 16 jaar mag volgens hen zeker niet vertrekken vanuit het huidige ASO-curriculum. Bovendien moet die gemeenschappelijkheid al voorbereid worden in het basisonderwijs. Daar moeten er voldoende middelen zijn om ervoor te zorgen dat alle leerlingen gelijke tred kunnen houden. Alle scholen moeten voldoende middelen krijgen om intern te kunnen differentiëren, niet naar leerinhouden maar naar ondersteuning van de leerlingen. Nu is het zo dat zelfs al in de lagere scholen de quasi-markt speelt en de segregatie begint. Dat een lange gemeenschappelijke stam tot een nivellering naar beneden leidt, wordt door de PISA-onderzoeken tegengesproken. In de landen met een minder selectief onderwijssysteem, worden zeker geen slechtere resultaten behaald.
Een gemeenschappelijk curriculum hoeft ook niet tegengesteld te zijn aan de eigen belangstelling van de leerlingen. De heterogeniteit die in klassen aanwezig is en de verschillen in belangstelling kan men optimaal gebruiken. Voorwaarde is wel dat de klasgroepen niet te groot zijn en er een voldoende grote omkadering aanwezig is.

Tijdens het debat werd erop gewezen dat er nu – een restant uit het VSO-tijdperk – nog steeds scholen zijn die opteren voor deze grote gemeenschappelijkheid. Zij zijn gegroepeerd in STAM (Stichting Authentieke Middenscholen): een 70-tal middenscholen, hoofdzakelijk uit het katholiek onderwijs.
Een comprehensieve school hoeft ook geen éénheidsworst te zijn. Via keuzepakketten kunnen de verschillende interesses van leerlingen aan bod komen. Keuzepakketten mogen echter de verdere keuze van leerlingen niet determineren.

Door de panelleden werd vastgesteld dat heel wat onderzoeken, besteld door de overheid, steeds in dezelfde richting wijzen: structuurveranderingen in het secundair onderwijs dringen zich zeker op. En toch wil de overheid deze conclusies niet trekken.

De eindtermen zijn in Vlaanderen door de Vlaamse overheid vastgelegd. De scholen hebben echter een grote vrijheid bij de concrete invulling ervan. Deze deregulering zet evenwel de poort open naar diversifiëring tussen de scholen. Gevolg is een grote ongelijkheid tussen de scholen. De inspectie kijkt bovendien of de school in het algemeen die eindtermen haalt en niet of de “laatste” leerling de eindtermen bereikt. Bovendien is België een van de landen waar de leerlingen het meest geëvalueerd worden door de eigen leerkrachten.

De auteurs pleitten voor meer gestandaardiseerde nationale tests, die echter niet mogen dienen om de scholen te vergelijken en met elkaar in concurrentie te brengen. Als er minder geëvalueerd wordt is de druk bovendien minder groot om te weten of “de leerlingen wel op hun plaats zitten” of “naar een ander niveau” moeten.

In België is het de overheid zelf die de vrije concurrentie tussen de scholen organiseert. De vrije keuze van de ouders en het vrije aanbod zoals ze in ons land bestaan zijn uniek in de wereld. Deze vrijheid geeft aan scholen de kans om hun publiek te selecteren. Argumenten als “traditie, reputatie, strengheid en hoge intellectuele eisen van een school” betekenen de facto een sociale segregatie. De auteurs staafden met Europese cijfers de vaststelling dat hoe groter de zgn. “quasi-markt” in het onderwijs is, hoe groter meteen ook de sociale ongelijkheid.

De onderwijsnetten afschaffen en raken aan de typisch Belgische vrijheid van onderwijs en de “verworvenheden” van het schoolpact is voor de auteurs niet meteen een optie. Wel meenden ze dat de vrije schoolkeuze moet gereguleerd worden door o.a. het versterken van de eindtermen, het versterken van de non-dicriminatieregels en het invoeren van een maximum-factuur. De discussie over dergelijke maatregelen kan bovendien de globale en fundamentele discussie over de ongelijkheid in het onderwijs aanzwengelen.

In het debat werd de vraag gesteld of het in de huidige socio-economische context – in een context van vermarkting – wel het meest geschikte moment is, om de discussie te voeren over een onderwijs met meer gelijke kansen. Welk onderwijs we willen, met welke doelstellingen is immers ook een politieke vraag en dus een kwestie van politieke krachtsverhoudingen.

Tien jaar geleden was er geen discussie over de quasi-markt. De onderzoeken van het HIVA, van Jan Van Damme en Bernard Delvaux en vele anderen hebben ondertussen het debat opnieuw gelanceerd en op het publieke forum gebracht. Uiteindelijk moeten we naar een fusie van de onderwijsnetten en een aan banden leggen van de marktwerking in het onderwijs (al zag Nicaise – een econoom ! – ook wel een aantal voordelen in concurrentie tussen de scholen, zolang ze maar met gelijke wapens kunnen strijden). De wetenschappelijke argumenten hiervoor moeten echter nog meer verspreid worden.

Vanuit de zaal werd op ook gewezen op de cruciale rol van de grote christelijke en socialistische organisaties (de onderwijsvakbonden, de bredere arbeidersbeweging e.d.), die opnieuw de strijd tegen de sociale ongelijkheid in het onderwijs moeten opnemen.

Terug naar overzicht artikels rond het boek “De school van de ongelijkheid”