Opiniërende recensie van DE SCHOOL VAN DE ONGELIJKHEID

Facebooktwittergoogle_plusmail

“De PISA-rapporten hebben de grote kwaliteit aangetoond van het Vlaamse onderwijs, maar evenzeer hoe nergens anders de kloof tussen wie niet meekan op school en de anderen zo groot is. Dit boek wil die ongelijkheid niet alleen in kaart brengen, maar ook voorstellen aandragen om de gelijkheid op onze scholen beter na te streven. De drie auteurs komen uit diverse achtergronden: een marxistisch publicist, een arbeidssocioloog en een vakbondsman. BOCO was aanwezig op de persvoorstelling in het HIVA in Leuven.

Vooreerst brengt Dirk de Zutter interessante statistieken waaruit de kwetsbaarheid van specifieke groepen overduidelijk blijkt: gezinnen waar de ouders zelf een lage opleiding hebben, eenoudergezinnen en anderstaligen uit niet-westerse landen. De kans om uit die kansarmoede opgetild te worden ligt een pak lager in België dan bijvoorbeeld in Finland. Ook valt op dat etnische achtergrond niet de belangrijkste ongelijkheidsfactor is: de sociale achtergrond van de leerlingen weegt meer door dan etnische elementen. Daarom is het belangrijk maatregelen te nemen die gericht zijn op elke vorm van sociale achterstand.

Er zijn een heleboel factoren die een rol spelen in het in stand houden van de ongelijkheid op school: de pedagogische aanpak, de integratieproblematiek, het gebrek aan materiële middelen. Toch zijn er twee die extra belangrijk zijn: de vroegtijdige selectie in het Belgische onderwijssysteem en de quasi-marktwerking.

Nico Hirtt licht de gevolgen van de vroege selectie in ons onderwijssysteem toe. Het is immers zo dat de keuze – al dan niet via het watervalsysteem – voor ASO, TSO en BSO reeds op de leeftijd van 12-13 jaar gemaakt wordt. De PISA-resultaten (afgenomen op de leeftijd van 15 jaar) voor wiskunde vallen ook daarom slechter uit voor leerlingen uit TSO en vooral BSO omdat die nu eenmaal wegens hun vroege specialisatie minder algemene vakken en zeker minder wiskunde hebben.

Verschillende onderzoeken tonen echter wel aan dat de kloof tussen TSO en BSO voor een deel sociaal gedetermineerd is en niet steeds berust op andere capaciteiten van de leerlingen. Het (gebrek aan) belang dat sommige families hechten aan studies speelt een rol, maar slechts gedeeltelijk. Een andere vaststelling is immers dat men zelfs al in de Basisschool bepaalde zwakker presterende leerlingen niet speciaal ondersteunt , “want die gaan toch naar het BSO”.

De auteurs doen daarom zeer concrete voorstellen die allemaal te maken hebben met het basisprincipe dat de opleidingen langer gelijk zouden moeten blijven; ze pleiten dus voor een soort comprehensief onderwijs:

de eerste graad secundair moet voor iedereen een gelijk aanbod hebben; eventueel moet dit zelfs uitgebreid worden tot de leeftijd van 16 jaar, zoals in het UK bijvoorbeeld;

elitistische opvattingen moeten bijgestuurd: iedereen moet zowel basiskennis van algermene vakken als technologische en kunstzinnige vorming krijgen;

gelijke kansenbeleid betekent dat iedereen aan een gelijkaardig resultaat moet uitkomen, maar ook dat dit alleen kan door ongelijke vertreksituaties via gedifferentieerde ondersteuning, ook in het huiselijk milieu van de leerlingen te corrigeren;

voldoende omkadering, vanaf het kleuteronderwijs, moet ervoor zorgen dat er geen nivellering naar beneden plaatsvindt.


Prof. Ides Nicaise
behandelt dan de tweede grote onderwijsorganisatorische reden voor ingebakken ongelijkheden in onze scholen: de quasi-markt.

Door ondermeer de vrijheid van onderwijs en van de keuze van de ouders – vastgelegd in onze zeer liberale “heilige” grondwet – is de variatie tussen scholen in Vlaanderen groter dan in elk ander land uit het PISA-onderzoek. Dit heeft te maken met de sociale waterval van ASO naar TSO en BSO, maar vooral ook met de quasi-markt in het onderwijs.

De zeer grote vrijheid van organisatie en van ouderkeuze in het onderwijs zorgen – in de praktijk, niet zozeer in de ideologie – voor een sociale segregatie. Aangezien de financiering en personeelsomkadering van scholen gebeurt op basis van de leerlingenaantallen, kan men van een markt spreken; een quasi-markt omdat er geen winstbejag of prijsmechanismen gehanteerd worden, dankzij de rol van de overheid als derde betaler.
De keuze van de ouders voor een school wordt daarbij dikwijls gemaakt op basis van reputaties van “hogere kwaliteit”, waardoor de polarisatie tussen de scholen toeneemt.

Nicaise maakt dan een vergelijking met de Scandinavische landen, waar de concurrentie tussen scholen aan banden gelegd is door het zo goed als ontbreken van privaat onderwijs, door ontzuiling en door een verplichting om de kinderen naar een door de overheid aangeduide school te zenden. Dat laatste lijkt in België onhaalbaar, maar men kan denken aan correcties en ruilmogelijkheden.

Minder drastische maatregelen die zich opdringen zijn in dit verband:

– de onderwijskwaliteit moet in alle scholen hetzelfde zijn

– naast de inschrijvingsplicht ook een inschrijvingsrecht

– een maximumfactuur ter bescherming van kansarme families

– een engagement van de school tot minstens 6 of beter 8 jaar leerlingenbegeleiding

– doorlichtingen op (on)bewuste discriminatie : taalgebruik, hoofddoeken

– inschrijvingen in een subregio/scholengemeenschap, zodat daarbinnen in elke school een soortgelijke sociale mix kan ontstaan – met ruimte voor ruil.

Uit dergelijke concrete voorstellen leidt prof.Nicaise enkele algemene prioriteiten af:

– het onderwijs moet comprehensiever worden (en ook inclusiever overigens);

– de marktwerking moet ingeperkt worden;

– de meritocratische opvatting in het onderwijs (“ontwikkel talenten”, zonder te letten op de sociale standenmaatschappij) is nog altijd als ideologie aanwezig, maar is in de praktijk dikwijls een karikatuur van zichzelf;

– onderwijs mag geen dienstmaagd van de arbeidsmarkt worden;

– het onderwijs moet intercultureel zijn en dus investeren in alle sociaal lagere groepen; toch moet er ook ruimte zijn voor het gebruik van eigen talen;

– het lerarenberoep moet geherwaardeerd en de leraren moeten beter ondersteund worden.

Het vragenhalfuurtje zorgt voor heel wat bijsturingen van de beschikbare informatie en voor bijkomende voorstellen.
Zo worden de normen verduidelijkt die het PISA-onderzoek hanteerde qua armoede, blijkt dat ook de zeer zwakke leerlingen onderaan de Belgische “kloof” het gemiddeld niet slechter doen als vergelijkbare groepen in andere Europese landen, blijkt de topscore van het Fins onderwijs niet echt voor een veel socialer land gezorgd te hebben (denk aan de hoge zelfmoordcijfers).

Opvallend is ook dat het uitstel van studiekeuze in UK tot 16 jaar samenvalt met het einde van de leerplicht en de verborgen sociale discriminatie na 16 jaar en vooral: de ongelijkwaardigheid van het op 16 jaar afgeleverde getuigschrift van secundair onderwijs door de publiek gemaakte schoolrankings. Niet echt een na te volgen voorbeeld.

Een bijkomend element bij de sociale stroming van jonge leeftijd is de neiging om homogene klasgroepen te maken; daardoor komen ook de leerlingen met faalervaringen dikwijls in zo’n homogene klas terecht. “Zit dat kind hier wel op zijn plaats ?”, is een typische vraag.

Een economist sluit daarbij aan: taal- en andere vaardigheidstests meten in zo’n systeem niet de aanleg en het potentieel van de leerling maar het bereikte niveau; leerlingen uit milieus met kansarme en laag opgeleide ouders scoren daardoor sowieso slechter. Daarom moet men zo vroeg mogelijk in deze leerlingen investeren én vooral ook ingrijpen in de families van deze kinderen. In dit verband wordt verwezen naar ouder- en familieprojecten als STAM en ICRA.

Moeten alle leerlingen wel “gelijk” presteren, hebben we “intellectuele arbeiders” nodig, provoceert iemand. Op uitzonderingen na als patiëntloze dokters en succesvolle loodgieters, is het statistisch wel zo dat TSO en BSO-opleidingen tot minder betaalde jobs leiden. Het gaat om dit soort sociale gelijkheid.

BOCO merkt op dat de meeste concrete voorstellen slaan op onderwijsorganisatie. Als er straks ook meer werkingsmiddelen en omkadering komt voor kansarme leerlingen, wordt er dan ook nagedacht wat men didactisch-pedagogisch met die middelen zal doen? Meer geld alleen lost weinig op. Prof. Nicaise kondigt aan dat men gestart is met een praktijkboek van Netwerk School waarin, ondermeer op basis van de voorbije GOK-werking, een 16-tal strategieën zullen gepresenteerd werden. Dit boek zal dan een noodzakelijke aanvulling vormen op het huidige boek dat inderdaad eerder op de structuur van het onderwijs gericht is”.

Marc Maes,
coördinator BOCO vzw

BOCO is het Brussels overleg- en coördinatiecentrum van het officieel onderwijs

Deze boekbespreking verscheen op www.bocobrussel.be