Op 4 juli 2025 stelde onderwijsminister Zuhal Demir haar conceptnota “Ieder kind taalheld” aan de Vlaamse regering voor. Dit taalplan is de concrete uitwerking van de eerste pijler van haar beleidsnota onderwijs (2024-2029) [1] waarin het Nederlands wordt gezien als een verbindende en emanciperende taal die dé sleutel bij uitstek is tot gelijke kansen en sociale integratie. Hiervoor dient de taalvaardigheid versterkt, zowel bij leerlingen als bij ouders (via ouderbetrokkenheid en NT2-cursussen). Het accent op Nederlands (en wiskunde) vinden we ook terug in de minimumdoelen voor kleuter- en lager onderwijs [2] , evenals bij de Vlaamse toetsen en de hernieuwde focus van de onderwijsinspectie.
Minimumdoelen Nederlands: woordenschat is de motor, teksten zijn de brandstof
Een grondige beheersing van het Standaardnederlands is essentieel. Het stelt leerlingen in staat om verder te gaan dan communicatie: taal wordt een instrument voor kennisverwerving, creativiteit, kritisch denken en persoonlijke ontwikkeling. Door fictie en non-fictie leren leerlingen zichzelf en de wereld begrijpen, hun ideeën te verwoorden en maatschappelijk betrokken te raken.
Het onderricht Nederlands richt zich op vijf onderling verweven domeinen: lezen, schrijven, mondeling taalgebruik, taalsysteem & taalgebruik, en literatuur. Woordenschat is de motor; teksten zijn de brandstof. Leerlingen leren taal niet alleen gebruiken, maar ook analyseren (taalbewustzijn), wat hun cognitieve ontwikkeling versterkt. Het vak wordt opgebouwd volgens een spiraalstructuur: vaardigheden die in de kleuterklas worden opgebouwd, vormen de basis voor de latere leerjaren.
De leerdoelen omvatten drie pijlers:
- Declaratieve Kennis: beheersing van kernconcepten zoals grammatica, spelling, communicatiemodellen en literaire basisprincipes.
- Procedurele Kennis: vaardigheden zoals vlot lezen, tekstbegrip, schrijven (handschrift en digitaal), en mondelinge communicatie (spreken, luisteren, presenteren).
- Vakspecifieke Denkwijzen: het toepassen van taalinzichten, herkennen van taalwetenschappelijke concepten en kennismaking met kwalitatieve jeugdliteratuur.
Taal speelt een verbindende en fundamentele rol in de hele opleiding: niet alleen binnen de vijf taaldomeinen onderling is er een transfer maar ook de samenhang met andere vakgebieden is essentieel.
Ieder kind taalheld
Nederlands als “bindmiddel van de Vlaamse gemeenschap” en als “dé sleutel tot volwaardige participatie in onderwijs, arbeidsmarkt en samenleving” blijft de mantra. Een alarmerende daling van het taalniveau Nederlands bij leerlingen, vastgesteld in internationale onderzoeken (PIRLS) en in de KOALA-screening (verplichte test van vijfjarige kleuters) vormde de directe aanleiding voor de conceptnota [3] Het taalniveau Nederlands van alle leerlingen moet daarom worden versterkt, van kleuter tot secundair onderwijs. Naast een daling van de onderwijskwaliteit worden ook de gelijke kansen en toekomstperspectieven bedreigd, vooral voor leerlingen met een andere thuistaal en/of uit kansarme gezinnen: “taalachterstand leidt tot schoolvertraging, uitval en lagere inkomsten”. Kortom, Nederlands is de poort naar schoolsucces en maatschappelijke participatie. De toenemende diversiteit (27,3% van de basisschoolleerlingen spreekt thuis niet-Nederlands) versterkt de urgentie voor een structureel taaloffensief.
10-punten-plan
De conceptnota “Ieder kind taalheld” bevat tien actiepunten. De eerste vier punten betreffen het basisonderwijs, het vijfde punt het secundair onderwijs.
1. Verbeterde opsporing van de taalachterstand door screening vanaf 2,5 jaar en een actualisering van de KOALA-testen (bij het begin van de derde kleuterklas) die worden uitgebreid naar woordenschat, fonetisch bewustzijn en getalbegrip. De resultaten moeten verplicht centraal gerapporteerd worden.
2. Voor peuters tot en met het eerste leerjaar wordt pre-teaching (voorinstructie) voorzien, individueel of kleinschalig, tijdens de lesuren. Hiervoor wordt 25 miljoen euro per jaar voorzien.
3. Voor leerlingen vanaf het tweede leerjaar die het Nederlands onvoldoende beheersen om in het regulier onderwijs mee te kunnen, worden aparte “taalheldklassen” ingericht. Deze taalheldklassen worden beperkt in de tijd tot in beginsel één jaar (mogelijks ook korter), maximaal verlengbaar door de klassenraad tot twee leerjaren. Voor de taalheldklassen wordt 12,6 miljoen euro per jaar voorzien.
4. Voor leerlingen van het tweede tot zesde leerjaar die ondersteuning nodig hebben maar niet voor taalheldklassen in aanmerking komen, wordt drie uur per week extra remediëring voorzien. Hiervoor wordt 14,4 miljoen euro per jaar voorzien.
5. In het eerste jaar secundair onderwijs worden drie uur extra Nederlands verplicht bovenop het curriculum voor leerlingen die bij de overgang naar het secundair onvoldoende taalvaardig zijn. Hiervoor wordt 8,6 miljoen euro voorzien. De OKAN-klassen worden omgevormd tot taalklassen met nieuwe, ambitieuze minimumdoelen en een brede vorming in alle vakken.
6. Instapklassen voor peuters en hun ouders (in de vakantieperiode voor het instapmoment van de peuter) waar laagdrempelig kennis wordt gemaakt met Nederlands en schoolse routines. Ouders krijgen bv. ondersteuning in zindelijkheidstraining. Hiervoor wordt 3 miljoen euro voorzien.
7. De zomerscholen worden versterkt via een uitbreiding en professionalisering, met focus op taalremediëring. Hiervoor moeten kwaliteitscriteria en leermateriaal ontwikkeld worden. (bijkomend budget zomerscholen: 2,5 miljoen euro per jaar)
8. Minstens één persoon per school moet een vorming krijgen als “taalexpert’ (via Taalunie en Leerpunt). De pedagogische begeleidingsdiensten worden versterkt en mee in het plan betrokken en er wordt een “kennisrotonde” opgericht voor vragen uit het veld.
9. Leerpunt coördineert de ontwikkeling en verspreiding van kwalitatief, evidence-informed leermateriaal.
10. De minister rekent op een sterke gemeenschapsbetrokkenheid via de activering van bibliotheken, vrijwilligers, lokale partners voor taalstimulerende activiteiten (voorlezen, taalmentoren, huiswerkbegeleiding). Huizen van het Kind en Kind en Gezin worden ingezet voor taalstimulering bij gezinnen. Lokale partnerschappen kunnen rekenen op een projectsteun.
Vanaf september 2026
De voorbereidingen van de eerste acties startten in het najaar van 2025 op. De uitrol in de scholen begint vanaf september 2026.
De minister voorziet 340 miljoen euro tijdens deze legislatuur om haar taalplan met de 10 actiepunten uit te voeren. Dat is een pak geld maar als je nagaat wat dit betekent voor de klasvloer, is het minder spectaculair. Er is bv 8,6 miljoen voorzien per jaar om in het eerste jaar secundair onderwijs 3 uren extra Nederlands te geven aan leerlingen die vanuit het lager onderwijs met grote taalachterstand binnenkomen. Met 8,6 miljoen kan men ongeveer 150 (full-time equivalenten) leerkrachten betalen. Is dat voldoende om meer dan 600 secundaire scholen (met een eerste graad) te bedienen? De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) vraagt zich af of de voorziene financiering voldoende is voor de ambitieuze doelen. De VLOR stelt zich ook vragen over de timing en de haalbaarheid. De invoering op 1 september 2026 valt immers samen met de invoering van de nieuwe minimumdoelen in het basisonderwijs, wat een enorme belasting voor scholen betekent. De minister spreekt van een “huzarenstuk” om 1000 à 2000 extra leerkrachten te vinden en rekent daarbij op logopedisten, taalkundigen, gepensioneerde leerkrachten, vertalers, tolken en zelfs externe organisaties zoals de Taalunie om bij te springen. Echter, Nederlands geven aan leerlingen die het Nederlands niet of onvoldoende machtig zijn, is een specialiteit, met specifieke didactische vaardigheden, merkt Nancy Libert (ACOD) terecht op. Ze wordt hierin bijgetreden door haar collega Marianne Coopman (COV), die daarenboven wijst op de werkdruk van de leerkrachten die nu al hoog is. Bijkomende lessen en bijscholingen geven, kan er niet zomaar bovenop.
Het beleid van minister Demir is niet altijd even coherent. De minister rekent op een grotere inzet en betrokkenheid van de ouders maar de financiering van brugfiguren (die een positieve rol spelen om kansarme en anderstalige ouders bij de school te betrekken) wordt stopgezet door de Vlaamse regering (sommige gemeenten blijven wel brugfiguren inzetten). De inkrimping van de vervolgcoaches voor de OKAN-leerlingen staat haaks op de aangekondigde ambitieuze OKAN-klassen (actiepunt 5). Kris Van Branden, hoogleraar aan KU Leuven: “Uit onderzoek blijkt dat velen het in de periode na hun onthaalklas lastig hebben met het moeilijke ‘schooltaalnederlands’ dat in alle vakken wordt gebruikt. Hoe valt deze besparing te rijmen met de ambitie om ieder kind te laten uitgroeien tot een taalheld? Hoe valt die besparing te rijmen met de ambitie om voor het Okan-onderwijs ambitieuze minimumdoelen in te voeren? De besparing dreigt er net toe te leiden dat het voor veel ex-Okan-leerlingen nog veel lastiger wordt om die minimumdoelen te halen.” (De Standaard, 24 maart 2026)
We zullen verder zien dat er ook ernstige vragen zijn bij de pedgogische-didactische aanpak, o.a. het groeperen van taalzwakke leerlingen in een aparte setting.
Romy Aerts
- Beleidsnota Onderwijs en vorming 2024-2029: https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/70877 ↑
- De nieuwe minimumdoelen basisonderwijs:https://www.vlaanderen.be/onderwijsprofessionals/lesgeven-en-begeleiden/opleidingsinhouden/opleidingsinhouden-basisonderwijs/nieuwe-minimumdoelen-basisonderwijs.Een eerste analyse van Ovds kan hier gelezen worden:https://www.skolo.org/nl/2025/07/10/nieuwe-minimumdoelen-voor-basisonderwijs-een-beloftevolle-werf-in-opbouw/ ↑
- https://www.vlaanderen.be/vlaamse-regering/beslissingen-van-de-vlaamse-regering/conceptnota-ieder-kind-taalheld ↑
Lees ook:
Van “hoge latten” tot “taalhelden”. Weinig nieuws onder de zon.
Nederlands Nederlands. Kritieken op “Nederlands-only”-beleid
Taalonderricht is een deel van het geheel en dat geheel is ongelijk
