Meer handen … voor kleinere klassen

Facebooktwittermail

Veel leerkrachten zijn overtuigd van het nut van kleinere klasgroepen. Toen de Vlor (Vlaamse Onderwijsraad) onlangs een oproep deed om voorstellen in te dienen voor een beter onderwijs, kreeg een pleidooi voor kleinere klasgroepen het meeste bijval. In kleinere klasgroepen kan de leraar meer aandacht besteden aan de vooruitgang van elke leerling, leerlingen met bijzondere noden zullen beter opgevangen worden. Leraren zullen meer beroepsvreugde ervaren en minder dan vandaag vroegtijdig het onderwijs verlaten.

Kleinere klasgroepen zijn noodzakelijk om kwaliteitsvol onderwijs te realiseren

“Klasgroepen van meer dan 25 kleuters (soms zelfs 30 tot 35 kleuters) zijn al lang geen uitzondering meer. De verwachtingen t.o.v. de klasleerkracht om in te spelen op alle individuele noden van de kinderen en om tegelijk op pedagogisch vlak aan alle vereisten van kwaliteitsvol onderwijs te voldoen, zorgen voor een zeer grote werkdruk. Om optimaal aan al deze verwachtingen tegemoet te komen, zijn dringend kleinere klasgroepen nodig. Zo kan de klasleerkracht op een haalbare manier inspelen op de noden van de kinderen en echt kwaliteitsvol onderwijs aanbieden.

Sinds het M-decreet en het inclusieve onderwijs zitten in ‘gewone’ basisscholen meer en meer kinderen met speciale noden. Zeker zij hebben speciale zorg en omkadering nodig. Om deze kinderen optimale zorg te kunnen bieden, heeft de klasleerkracht meer tijd en ruimte nodig naar opvolging en begeleiding toe. Dit is enkel haalbaar in kleine klasgroepen van maximaal 15 kinderen. Verhoog het lestijdenpakket om deze omkadering te kunnen voorzien.

Ook voor de jongste kleuters, die nog veel individuele aandacht en zorg nodig hebben, zou dit absoluut een meerwaarde zijn. Bijvoorbeeld naar persoonlijke verzorging toe: in de peuterklassen zitten steeds meer peuters die nog niet zindelijk zijn. Zonder permanente ondersteuning van een kinderverzorgster is het voor de klasleerkracht niet haalbaar om in dergelijke grote groepen tegemoet te komen aan de noden van de kinderen.

Bovendien zijn heel wat kleuterklassen qua ruimte niet aangepast aan dergelijke grote groepen, wat zorgt voor lawaai, drukte, overprikkeling, conflicten. Kinderen zouden veel meer rust ervaren wanneer ze meer ‘ruimte’ krijgen en in een prikkelarme(re) omgeving zouden kunnen spelen en werken. Idem qua infrastructuur, ook deze is niet altijd aangepast aan grote klasgroepen. Denk aan één toilet voor vijftig kleuters. (helaas geen uitzondering!).

Heel veel problemen zouden preventief kunnen aangepakt worden wanneer kinderen aan de start van hun schoolcarrière meer rust, ruimte en gerichte stimulering zouden krijgen. Uit onderzoek blijkt dat vier- en vijfjarigen de grootste groei doormaken op vlak van zelfregulerende vaardigheden en dat deze vaardigheden de basis leggen voor hun later schoolsucces!  (Sardes, 2019). De kleuterleeftijd (3-5j) vormt de meest kritische periode voor de ontwikkeling van de zelfregulerende vaardigheden (Shaul & Schartz, 2014). Kleinere klasgroepen scheppen potentieel voor leerkrachten om hierop in te spelen, een investering in de toekomst dus!”

(Ideeënplatform Vlor, Ine De Volder, www.vlor.be/deleraar )

STAR-onderzoek

Wat de meeste leerkrachten uit ondervinding weten, wordt bevestigd door wetenschappelijk onderzoek, zoals het Amerikaanse STAR-onderzoek of het onderzoek van Frederikson rond de splitsing van klassen in Zweden …) [1] :

– De positieve effecten van kleine klassen zijn het grootst op jonge leeftijd

-.In vergelijking met leerlingen in gewone klassen, halen alle leerlingen in kleine klassen leerwinst. Die effecten spelen op korte termijn, maar ook later, als ze terug in gewone klassen zitten.

– De leerlingen uit kansarme milieus halen relatief het meest voordeel uit kleine klassen.

– Om een significant effect te hebben, moet er een significante vermindering van de klasgrootte zijn

– Het positieve effect zal nog groter zijn indien de leerkracht beter wordt opgeleid en begeleid

Covid: meer dan ooit nood aan “meer handen”

Om de impact van de covid-pandemie op het onderwijs zo veel mogelijk te neutraliseren zijn “meer handen in en om de klas” nodig. Om aan de sanitaire voorwaarden te voldoen, om de werkdruk op het personeel te verlichten en om de leervertraging stap voor stap in te lopen.

Bij de heropening van de scholen in mei 2020 werden om virologische redenen de klassen gesplitst, er mochten slechts een beperkt aantal leerlingen binnen op een bepaalde oppervlakte zitten. De afstandsregels en de regels rond de gescheiden klasbubbels (op de speelplaats) bleken echter onhaalbaar wegens onvoldoende personeel en werden daarom zeer snel versoepeld.

Een groot deel van het personeel in onderwijs heeft zich extra ingezet tijdens de corona-crisis. Denk aan de CLB’s die in het weekend doorwerkten, directeurs en preventieadviseurs die telkens nieuwe richtlijnen moesten “implementeren”, leerkrachten die moesten improviseren of zich inwerken in digitaal onderwijs, die moesten “schakelen” of contactonderwijs en digitaal afstandsonderwijs combineren, (zorg)leerkrachten die veel energie staken in het bijhouden van leerlingen, soms in moeilijke thuissituaties …

De leerachterstand of leervertraging (in vergelijking met een gewoon schooljaar) kan vandaag nog niet precies ingeschat worden, maar het is zeker dat er gedurende meerdere jaren extra leerkrachten nodig zijn om de schade te herstellen.

Maatregelen op korte termijn

Er werden door de Vlaamse regering dit en vorig schooljaar extra maatregelen genomen in het onderwijs, o.a. op sanitair vlak (onvoldoende doortastend) en om de leerachterstand te beperken.

Om de leerachterstand te beperken:

-.In 2020 werden 730 zomerklassen (maximaal 10 leerlingen gedurende 10 dagen) georganiseerd door scholen en gemeenten. Dit project kreeg (van een onderzoeksgroep van de Thomas Moore-hogeschool) een positieve evaluatie, o.a. omwille van de relatief grote participatie van jongeren uit kansarme gezinnen. Voor 2021 (en de komende jaren) voorziet de Vlaamse regering 10 miljoen euro om tot 20.000 leerlingen op te vangen in zomerklassen. Op 5 juli stond de teller op 11.000 leerlingen, ingeschreven voor een zomerklas in juli of augustus 2021.

– Met het overschot van het budget van de zomerscholen 2020 werden in het najaar en de winter “bijscholen” georganiseerd: bijles en huiswerkbegeleiding op school na de lesuren of op vrije halve dagen.

– Studenten uit het hoger onderwijs worden ingezet in “buddy-projecten” om jongere leerlingen individueel studiehulp te bieden

– Tussen maart en eind juni 2021 wordt 30 miljoen euro geïnvesteerd in “bijsprong”: extra uren-leerkracht voor elke school van het basis- en secundair onderwijs die zich inschreef (de meeste van de 4000 scholen doen mee). Deze injectie komt overeen met 2000 extra leerkrachten, gerekend in voltijds equivalenten. In feite gaat het om meer dan 5000 leerkrachten die deeltijds bijspringen voor bijles aan kleine groepjes op school: voltijdsen die overuren doen, deeltijdsen die enkele uren extra presteren, gepensioneerde leerkrachten en jongere gediplomeerde leerkrachten die terugkomen. Dit project “bijsprong” wordt volgend schooljaar verder gezet à rato van 10 miljoen euro per maand of 2000 leerkrachten (in voltijdse equivalenten). Weyts voorziet daarvoor 85 miljoen euro: 34 miljoen voor het basisonderwijs, 51 miljoen voor het secundair onderwijs.

-. Het verbod op korte vervangingen (minder dan 10 werkdagen) werd (tijdelijk) opgeheven.

Dit zijn positieve maatregelen. Maar ze zijn onvoldoende in verhouding tot de uitdagingen. Volgens twee onderwijseconomen [2] zouden de resultaten van de interdiocesane proeven (juni 2020) in het zesde leerjaar van het lager onderwijs uitwijzen dat de lockdown van verleden schooljaar tot een leerachterstand (in vergelijking met de pre-coronaperiode) van wel 6 maanden leidde. Het secundair onderwijs heeft ook dit schooljaar veel les- en praktijkuren verloren. Vergeleken met Nederland waar scholen kunnen kiezen uit een “menukaart” van interventies met bewezen effecten en op een investering van 8,5 miljard euro in de komende 2 schooljaren, blijven de inspanningen in het Vlaams onderwijs beperkt. Dit was ook de boodschap die Dirk Van Damme, de OESO-expert, bracht op een hoorzitting over leerachterstand in het Vlaams Parlement op 12 maart 2021. Van Damme pleitte er onder andere voor een (tijdelijke) “ontdubbeling van klassen” en het optrekken van de aanwendingspercentages tot … 110 procent. [3]

Structurele maatregelen

Voor de komende schooljaren zijn er structurele (blijvende) maatregelen nodig voor “meer handen in de klas”, in het bijzonder om kleinere klassen te realiseren. Hoe dit precies tot stand zou kunnen komen, zou zeker met de onderwijsvakbonden moeten worden besproken. We vermelden hier enkele mogelijke pistes.

De scholen krijgen minder dan 100% van de lesuren waar ze op basis van hun leerlingenaantal decretaal recht op hebben. De afschaffing van de aanwendingspercentages in het gewoon (98,4%) en buitengewoon (93%) basisonderwijs, in het BuSO (93%), het gewoon secundair onderwijs (96,5%) en in het DKO zou 3000 leerkrachten extra betekenen. De onderwijsvakbonden vragen sinds 30 jaar om deze lineaire besparing, ingevoerd door de Vlaamse regering na de communautarisering van het onderwijs, ongedaan te maken.

Tot begin van de jaren ’80 bestonden er splitsingsnormen in het leerplichtonderwijs. In het secundair onderwijs gold bv een verplichte splitsing vanaf de 27ste leerling. De splitsingsnormen werden afgeschaft toen de regering Martens-Gol de hakbijl zette in het onderwijs. De herinvoering van splitsingsnormen garandeert op zich niet overal kleine klassen maar zeer grote klassen worden wel vermeden.

Zowel onder de ministers Vanderpoorten en Vandenbroucke als meer recent onder de ministers Crevits en Weyts bestond of bestaat er een vervangingspool of lerarenplatform.  Een vervangingspool die leerkrachten met een vereist diploma en die werkloos zijn bij het begin van het schooljaar, werkzekerheid voor een volledig schooljaar aanbiedt, kan meerdere problemen helpen oplossen. Er zal minder lestijd verloren gaan omdat er een vervanger klaar staat voor afwezige leerkrachten. Er zullen minder startende leerkrachten afhaken omdat ze korte interims afwisselen met periodes van werkloosheid. Men zou ook vastbenoemde leerkrachten kunnen stimuleren om op vrijwillige basis hun plaats af te staan aan een startende leerkracht en om zelf een job op te nemen in de vervangingspool waar ze ofwel vervangingen verrichten ofwel de rol van coach (voor beginnende leerkrachten) opnemen indien er geen vervangingen nodig zijn. In het afgelopen schooljaar  bood het lerarenplatform van het basisonderwijs 2200 tijdelijke leerkrachten een volledig schooljaar (van 1 september 2020 tot 30 juni 2021) werk- en loonzekerheid. Het lerarenplatform voor het secundair onderwijs (350 leerkrachten) werd in 2020 afgeschaft. Eind juni liet minister Weyts weten dat het lerarenplatform van het basisonderwijs de volgende drie schooljaren wordt verder gezet maar in een afgeslankte versie: er zal plaats zijn voor 1621 tijdelijke leerkrachten.

Een uitbreiding van de SES-lestijden (extra lestijden op basis van de leerlingenkenmerken), waarvan scholen met relatief veel leerlingen uit kansarme gezinnen het meest voordeel halen, valt zeker ook te verdedigen. Op 1 juli kondigde minister Weyts aan (in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement) dat er 19,5 miljoen euro extra wordt besteed aan SES-lestijden en 12,25 miljoen euro aan extra GOK-uren (in het secundair onderwijs). Samen gaat het om meer dan 600 paar handen extra in de klas.

Wie zal dat betalen? Zijn er wel voldoende leerkrachten?

Kleinere klassen inrichten kost natuurlijk veel geld maar op termijn zijn er ook grote terugverdieneffecten, die niet altijd in financiële termen kunnen uitgedrukt worden: meer leerlingen die zullen slagen, minder bissers, minder ongekwalificeerde uitstroom; meer leerkrachten die succes en beroepsvreugde ervaren, minder psychosociale klachten, minder vroegtijdige uitstroom van startende leerkrachten, een algemene verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Kleine klassen zijn een investering in de toekomst.

Zijn er voldoende leerkrachten? Ondanks het huidige lerarentekort voor bepaalde vakken en in bepaalde scholen en regio’s zijn er ook duizenden leerkrachten werkloos en op zoek naar een job als leerkracht Van de vele duizenden deeltijdse leerkrachten kiezen sommigen bewust voor een onvolledige opdracht, terwijl anderen vragende partij zijn voor een voltijdse opdracht. [4]

Kleinere klassen kunnen een positieve rol spelen om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen. Daardoor kunnen een deel van de tienduizenden gediplomeerde leerkrachten die het onderwijs verlaten hebben, teruggewonnen worden. Het aantal studenten in de lerarenopleidingen is ook geen statisch gegeven. Minister Weyts maakt zich sterk dat het beroep van leerkracht positief in het daglicht kwam te staan tijdens de coronacrisis en dat het aantal studenten in de lerarenopleidingen zal stijgen. Het staat niet vast dat de figuur van Weyts een boost betekent voor de lerarenopleidingen maar het is zeker mogelijk om een groter aantal beloftevolle jongeren op een solide basis te rekruteren voor het “mooiste” beroep.

Tino Delabie

Dit artikel verscheen in “De democratische school”, nr. 86, juni 2021 maar werd  geactualiseerd met enkele cijfers begin juli.

Lees ook:

Met veel of weinig in de klas: maakt het een verschil? (over wetenschappelijk onderzoek)

Video van de webinar over de voordelen van kleine klassen

Voetnoten

  1. Jean-Pierre Kerckhofs, Met veel of weinig leerlingen in een klas, maakt het een verschil?, De democratische school, nr. 85, maart 2021. https://www.skolo.org/nl/2021/04/08/met-veel-of-weinig-leerlingen-in-een-klas-maakt-het-een-verschil/
  2. Kristof De Witte, Joano Maldonado (KU Leuven). Zie bv. Leerlingen hebben half schooljaar leerachterstand door coronacrisis, Knack, 22 september 2020
  3. Marc Vandepitte, Leerachterstand en coronacrisis, topexpert gooit de knuppel in het hoenderhok, 19 april 2021 https://www.skolo.org/nl/2021/04/19/onderwijs-leerachterstand-en-coronacrisis-topexpert-gooit-de-knuppel-in-het-hoenderhok/
  4. Op 21 juni 2018 verklaarde minister Crevits: “In het vorig schooljaar waren er in het basisonderwijs 17558 leerkrachten die een opdracht hadden minder dan 66 procent van de voltijdse opdracht. (…) In de leeftijdsgroep van 20 tot 30 jaar bedraagt het aantal leerkrachten met minder dan 66 procent van een voltijdse opdracht 4928”. (Vlaams Parlement, commissie Onderwijs)

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here