Interview met François Houtart. Het is de taak van de christenen om een fusie van de netten te steunen voor meer sociale rechtvaardigheid!

Facebooktwittermail

Hij is bekend in de vijf continenten. Hij heeft staatshoofden ontmoet en samengewerkt met Helder Camara. Sommige van zijn sociologische studies werden als werkdocumenten gebruikt op het Tweede Vaticaans Concilie. Toch ontvangt François Houtart mij in alle eenvoud en met veel warmte in de lokalen van het Centre Tricontinental te Louvain la Neuve.

François Houtart had een parochiepriester kunnen worden. Maar na afloop van zijn seminarie, kwam hij in contact met de JOC (Jeunesse Ouvrière Chrétienne, Franstalige tegenhanger van de KAJ, Katholieke Arbeidersjeugd). Dat drukte een stempel op zijn engagement voor het Zuiden. Dit engagement bracht hem ertoe sociologie te gaan studeren. In Chicago specialiseerde hij zich in de godsdienstsociologie. Zowel door zijn engagement als door zijn onderzoeken reist hij veel, zelfs nu hij al 82 is. Voor dit interview profiteerden we van een adempauze van drie dagen tussen zijn terugkeer uit Congo en zijn vertrek voor zes weken naar Latijns-Amerika! Kortom, een ontmoeting met een “personaliteit”. In alle betekenissen van het woord.

Jean-Pierre Kerckhofs.
U staat aan de wieg van het Centre Tricontinental (CETRI) in Louvain-La-Neuve. Wat doet dit Centrum?

François Houtart.
Dit centrum is opgericht om bij ons het kritisch denken en de perspectieven van het Zuiden – Afrika, Azië, Latijns-Amerika – een stem te geven. Daarom hebben we een documentatiecentrum opgericht dat bijna 500 tijdschriften bezit, hoofdzakelijk uit deze delen van de wereld. We hebben ook zelf een tijdschrift , “Alternatives Sud”, bestemd voor auteurs uit het Zuiden die hun mening uiten betreffende belangrijke hedendaagse onderwerpen, vooral in verband met de gevolgen van de globalisering.

Vaak denkt men hier dat het Zuiden een groot leeg gat is qua ideeën en alternatieven. Niets is minder waar. We werken veel samen met het Wereld Sociaal Forum (WSF). Elk jaar publiceren we een boek met een stand van zaken van het volksverzet in de (Derde) wereld: “L’état des résistances dans le monde”. Al onze medewerkers hebben in het Zuiden gewerkt, wat ons in staat heeft gesteld ontelbare contacten te leggen. Deze zijn nuttig voor ons onderzoek, maar ook om verschillende bewegingen met elkaar in contact te brengen, zoals de bewegingen van de boeren, arbeiders enz. Ik ben nu bv. pas terug uit Kinshasa waar ik deelnam aan het eerste Congolees Sociaal Forum.


Jean-Pierre Kerckhofs.

U hebt het over het Wereld Sociaal Forum (WSF). U hebt dat mee op gang gebracht, niet? Kunt u me wat meer vertellen over de oorsprong van het WSF, de doelstellingen en de resultaten?

François Houtart.
Het Wereld Sociaal Forum (WSF) is ontstaan uit de noodzaak om het uiteenlopend sociaal verzet te laten convergeren. Er is altijd verzet geweest. Maar op het einde van de jaren ’90 kwamen we voor het eerst tot een echt treffen tussen bewegingen, progressieve organisaties, intellectuelen die elkaar voordien nooit hadden ontmoet. Vanuit twee richtingen werd er gewerkt. Enerzijds de protesten tegen de WTO (Wereldhandelsorganisatie), de Wereldbank, het IMF, de G8,…, vooral sinds Seattle, in 1999, tot onlangs in Rostock. Anderzijds is er de organisatie van de Forums. Ons Centre Tricontinental stond inderdaad aan de wieg van deze Forums, samen met anderen natuurlijk, toen we in 1999 “het Andere Davos” hebben georganiseerd : een samenkomst in Zwitserland en vervolgens een persconferentie in Davos zelf tijdens het World Econonomic Forum. Wij wilden duidelijk maken : “Neen! Zo kan het niet verder!” We hebben dit met vijf grote sociale bewegingen uit de hele wereld georganiseerd en de Brazilianen hebben de idee overgenomen om er het WSF van te maken dat sinds 2001 jaarlijks bijeenkomt. Sindsdien hebben er wereldwijd meer dan 250 Sociale Forums plaats gevonden, continentaal, nationaal, thematisch.

De idee is vooral om een platform van ontmoetingen tot stand te brengen. Het is geen actieplatform. Maar het is al een politiek gebeuren op zich. En wat de actie betreft, hebben de Forums soms mee netwerken helpen oprichten. Ik denk bv. aan “Via Campesina” dat het netwerk van boerenbewegingen is in de wereld, dat zich enorm heeft versterkt dank zij de Sociale Forums. Er zijn ook andere netwerken : het netwerk rond rechtvaardige fiscaliteit, van de advocaten van de “gecriminaliseerde” leiders van de sociale bewegingen, enz.
Ook al is het belangrijkste resultaat een cultuuromslag – we zijn er langzamerhand in geslaagd om een collectief bewustzijn te creëren -, het blijft natuurlijk maar een stap. Het volstaat inderdaad niet om alleen maar een collectief bewustzijn tot stand te brengen, men moet ook handelen. Maar dat is niet de opdracht van de Forums. Het probleem is dus nu om collectieve actievoerders te doen opstaan binnen deze netwerken. Naar mijn mening is de grootste uitdaging het tot stand brengen van netwerken van “netwerken voor strategische doelstellingen”. Zoals bv. in Latijns-Amerika met de strijd tegen de ALCA (Vrijhandelsovereenkomst tussen de V.S., Canada en Mexico). Het is een geheel van sociale bewegingen, NGO’s, kerken, politieke partijen en zelfs bepaalde regeringen die erin geslaagd zijn om dit project te kelderen. Het was dus een strategisch objectief, dat niet noodzakelijk een prioriteit was voor elk van de regeringen, maar waaromtrent wel iedereen zich akkoord kon verklaren en kon actie voeren. En dit met een zeer concreet resultaat. Dat is dus de grote uitdaging van de toekomst : hoe kunnen we van een collectief bewustzijn komen tot collectieve actievoerders?

Jean-Pierre Kerckhofs.
Ook al is dit moeilijk, want bijzonder omvangrijk, kan u toch een stand van zaken schetsen van het onderwijs in de Derde Wereld?

François Houtart.
Het antwoord hierop betreft verschillende niveau’s.
Eerst en vooral, de alfabetisering. We hebben de laatste tijd enige terugval gekend. Behalve in een land als Venezuela, dat op één jaar tijd door de UNESCO is uitgeroepen tot “land zonder analfabetisme”. En dit dank zij een methode waarmee men in Cuba is begonnen en die door de UNESCO is overgenomen. Deze inspanning wordt op dit moment verdergezet in Bolivië. Maar in andere landen, zoals in Congo bv. waar 65 % analfabeten zijn, zijn we zeer ver van huis! Vooral als men rekening houdt met de aangroei van de bevolking.
Dit is dus een eerste niveau waar zeer snelle oplossingen kunnen geboden worden die weinig kosten. Hier is politieke wil vereist. Maar die is niet overal voorhanden. Dat heeft inderdaad deels te maken met de schuldenlast. Ik denk hier weer aan Congo, waar 55 % van het staatsbudget naar de terugbetaling van de schulden gaat.

Dan komen we op het niveau van de lagere en de middelbare scholen. Hier hebben we nog meer te maken met een kwestie van middelen en van politieke wil. En hier zien we zeer duidelijk landen die zeer grote vooruitgang hebben geboekt en anderzijds landen waar men is blijven steken of er zelfs op achteruit is gegaan. Vaak hebben maatregelen van de Wereldbank of van het IMF de staatsbudgetten gedecimeerd en hen belet om meer in het onderwijs te investeren.

Tenslotte is er het hoger onderwijs. In bijna de hele Derde Wereld wordt dit langzamerhand geprivatiseerd onder invloed van de Wereldbank. Het ligt dus onder de hakbijl van de markt. Dat is erg, want met deze marktlogica wordt het meer en meer een elitaire bedoening. Minder en minder afgestemd op de vorming van de mannen en de vrouwen en meer en meer op de noden van de markt. Deze tendens is werkelijk algemeen.

Jean-Pierre Kerckhofs.
Wat betreft het lager en het secundair onderwijs ziet men volgens u duidelijk positieve tendensen in bepaalde landen en negatieve in andere. Kan men een logica onderkennen in deze ontwikkelingen? Welke zijn de landen die erop vooruit zijn gegaan bv. ?


François Houtart.

Het is zeer duidelijk : het zijn in het algemeen de landen die gekozen hebben voor het socialisme. Niet noodzakelijk die landen die het etiket “socialistisch land” hebben opgeplakt, maar in elk geval degene die gekozen hebben voor een ontwikkeling van het socialistische type. Er zijn natuurlijk die landen waar de vooruitgang niet van gisteren is : Cuba, Vietnam, China. Daarbij komen nu Venezuela en Bolivië. Het is nog een beetje vroeg om te spreken van Ecuador of van Nicaragua, ook al heeft men in dit laatste land opnieuw het onderwijs kosteloos gemaakt na 17 jaren terugval.

Jean-Pierre Kerckhofs.
Onlangs verklaarde u : “De vijand, dat is de logica van het kapitalisme!”. U bevestigt het hierboven door aan te tonen dat alleen de socialistische projecten het onderwijsniveau in de Derde Wereld omhoog trekken. Ziet u een echt alternatief voor het kapitalisme dat toch blijkt te zegevieren?

François Houtart.
Laten we eerst en vooral volledig zijn. Bepaalde landen van de Derde Wereld die voor een kapitalistische ontwikkeling hebben gekozen, hebben soms vooruitgang geboekt op het vlak van onderwijs. Ik denk aan Taiwan, Hong Kong enz. Maar in al deze gevallen is er een samenloop van twee factoren geweest. Enerzijds een belangrijke aanbreng van kapitaal, te verklaren door de wil van de Westerse mogendheden om deze buren van de communistische landen kost wat kost te ontwikkelen. Dit vooral om als “voorbeeld” te dienen voor de bevolking van deze laatste natuurlijk. Anderzijds, de druk van de basis (vakbonden,…) op de Staat om in het onderwijs te investeren.

Om terug te komen op uw vraag : ja, ik houd er een zeer welomlijnde mening op na. Als men het kapitalistische systeem en zijn ontwikkelingswijze onderzoekt, ziet men dat ongeveer 20 % van de wereldbevolking zich op spectaculaire wijze ontwikkelt. Ik heb het dan vooral over de landen in het Zuiden. Immers, in het Noorden maken we een terugval mee. De tendens is toch deze van een minderheid die over meer en meer rijkdommen beschikt en een meerderheid die begint moeilijkheden te ondervinden en zelfs in de armoede belandt. Dit ontwikkelingsmodel, dat links laat liggen wat Susan Georg “de nutteloze massa’s” noemt, omdat ze niet bijdragen tot het produceren van de toegevoegde waarde noch tot de consumptie, is typisch voor het kapitalisme. Voor de accumulatie van kapitaal is het voordeliger om gesofisticeerde goederen te produceren voor een minderheid dan voor een grote meerderheid goederen te produceren die weinig toegevoegde waarde hebben of die niet kunnen gekocht worden zolang de koopkracht laag is. Deze logica kan geen oplossing bieden aan de problemen waarmee honderden miljoenen te kampen hebben.

Vandaag bevinden we ons in deze paradoxale situatie van een wereld waarin men nog nooit zoveel rijkdom heeft voortgebracht (zeven maal meer dan vijftig jaar geleden) en waarin om de vier seconden iemand van honger sterft. Als dit het model is, hoe kan men dit dan aanvaarden? En ook nog beweren dat het efficiënt is? Men kan zelfs stellen dat de Mensheid nog nooit een systeem heeft gekend dat zo weinig efficiënt is om de economische problemen het hoofd te bieden, indien men tenminste met “economie” de activiteit bedoelt die bestemd is om de goederen voort te brengen die nodig zijn voor het fysieke, culturele en spirituele leven van alle menselijke wezens.

Wat mij betreft dus alleen maar een radicale kritiek op het kapitalisme. We weten goed dat we het systeem niet van de ene op de andere dag zullen veranderen, zelfs niet in één generatie. Maar we moeten alles in het werk stellen om te komen tot een andere logica van de wereldorganisatie. En dat is het socialistische model.

Jean-Pierre Kerckhofs.
Als u het socialisme steunt en meer concreet landen als Cuba of Vietnam, komt u dan niet in conflict met uw religieus engagement?

François Houtart.
Men moet steeds de dingen in hun historische context plaatsen. Het socialisme heeft zich ontwikkeld tijdens een zeer hevige klassenstrijd in Europa. In deze strijd heeft de arbeidersklasse de katholieke Kerk als een vijand ervaren, wat objectief gezien niet onwaar was. Zo heeft zich een zeker antiklerikalisme ontwikkeld binnen het socialisme, en zelfs antireligieuze standpunten. Als godsdienstsocioloog heb ik dit fenomeen bestudeerd. En in de Derde Wereld, waar men dezelfde traditie heeft geërfd, werd men voor hetzelfde fenomeen geplaatst. Toen bepaalde van deze landen voor het socialisme hebben gekozen, hebben ze zeer sterke antireligieuze stellingen ingenomen.

Voor mezelf en voor vele anderen bestond het probleem erin een onderscheid te maken tussen het socialistisch project en een antireligieuze politiek. En te proberen bij te dragen om aan te tonen dat deze antireligieuze politiek misschien gerechtvaardigd was wanneer de religieuze instellingen precies één van de obstakels waren voor een daadwerkelijke ontvoogding van de basis. Maar dat ze ook volledig verkeerd konden zijn wanneer er religieuze vervolgingen plaats grepen die voortvloeiden uit dogmatisme en niet omwille van reële feiten.

Zo werd ik in 1986 uitgenodigd door het Centraal Comité van de Communistische Partij van Cuba om een snelcursus godsdienstsociologie van 15 dagen te geven aan de ideologen van de staat en van de partij. Immers, de marxistische Cubaanse intellectuelen wisten niet goed blijf met bewegingen als de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika of door het revolutionaire engagement van talrijke christenen in Centraal-Amerika. Ze merkten op : “Tiens, onze slogan ‘godsdienst is opium voor het volk’ gaat niet meer op!” Het besluit waartoe ik gekomen was, was hen te zeggen : als jullie echte marxisten zijn, kunnen jullie geen dogmatische stelling dulden. Jullie moeten de feiten onderzoeken. Gedurende twee weken hebben we dat gedaan, toegepast op de hedendaagse realiteit, op de Geschiedenis, de verschillende godsdiensten, om tot de conclusie te komen : in bepaalde gevallen is godsdienst inderdaad opium voor het volk, in andere niet, waar het integendeel een aanzet tot engagement is. En daarover waren ze het eens. Eén van de gevolgen was dat het jaar nadien een artikel van de statuten van de Partij werd geschrapt waarin de toetreding tot de partij voor gelovigen werd verboden. Dat betekent niet dat er geen strijd meer is. Maar er is niet meer die dogmatische houding die enigszins oplegde dat het niet mogelijk was socialist te zijn zonder noodzakelijkerwijze atheïst te worden.

Naar mijn mening is het een vals probleem, dat één van de obstakels vormde voor het doorbreken van het socialisme binnen de gelovige massa’s, vooral in Azië. En dus ook, naar mijn mening, een belangrijke strategische blunder. In al mijn contacten met de socialistische landen heb ik steeds geprobeerd dit duidelijk te maken : men moet geval per geval onderzoeken, een dogmatische houding is uit den boze. In de Sovjetunie was het volgens mij bv. een ernstige fout om het atheïsme als een soort van staatsgodsdienst te hebben afgekondigd.

Jean-Pierre Kerckhofs.
U weet dat er ook in België grote problemen zijn van ongelijkheid in het onderwijs. In OVDS (Oproep voor een democratische school) hebben wij een link kunnen leggen tussen deze situatie en het liberalisme van de absolute vrije schoolkeuze. Wij hebben een tien puntenprogramma opgesteld, waarin wij o.a. pleiten voor een toewijzingssysteem van leerlingen, dat veel strikter geregeld is dan het systeem dat wij nu kennen. Daarom pleiten wij ervoor dat een leerling wordt toegewezen aan een school zodat iedereen een school vindt dichtbij zijn woonplaats en met een gegarandeerde sociale mix. Dit voorstel stoot natuurlijk spijtig genoeg op een zeer specifieke toestand in ons land : minstens de helft van de scholen zijn vrije, katholieke scholen. Het is natuurlijk onmogelijk om de ouders te verplichten hun kind te plaatsen in een welbepaalde, filosofisch georiënteerde school. Daarenboven achten we het niet wenselijk dat de jongeren onderwijs krijgen in functie van de filosofische overtuigingen van hun ouders : de katholieken aan de ene kant, de moslims aan de andere, de niet-gelovigen nog ergens anders, enz. Daarom stipuleert één van de punten van ons programma de fusie van de netten in één enkel openbaar net. Hoe reageert u hierop?

François Houtart.
Mijn belangrijkste bekommernis is de sociale rechtvaardigheid. En het ligt voor de hand dat de schoolsystemen één van de instrumenten uitmaken waardoor de sociale onrechtvaardigheid tot stand wordt gebracht. Rechtvaardigheid lijkt mij een fundamentele menselijke waarde. Ook een fundamentele christelijke waarde trouwens. De getuigenis die de christenen moeten kunnen brengen in de maatschappij is precies de steun aan die maatregelen die toelaten om de ongelijkheden op te heffen of tot een minimum te beperken.

Het is altijd een moeilijk punt geweest voor het katholiek onderwijssysteem om zichzelf hierover in vraag te stellen. We moeten geen kritiek spuien op de intenties: de eerste katholieke scholen richtten zich tot de armen toen er nog geen algemeen openbaar onderwijs bestond. Ook nu nog hoor ik vaak spreken van scholen voor de armen in de Derde Wereld. Zeer goed. We kunnen er niet tegen zijn dat armen worden geholpen om uit hun benarde situatie te geraken. Hoewel, met de hulp van de school gaat het vooral om een individuele “uitweg”, geen collectieve, wat men vanuit sociaal oogpunt kan kritikeren als het niet gepaard gaat met een andere politiek.

Maar goed. Naargelang de onderwijssystemen zich geïnstitutionaliseerd hebben, zijn de functies veranderd. Soms zelfs zonder dat de bedoelingen veranderen. Ik heb bv. het confessioneel systeem in India bestudeerd (de katholieke scholen). Ik zeg hen uiteindelijk : “OK, jullie wilden de armen helpen uit hun penibele situatie te geraken. Maar nu, met de hele evolutie van het onderwijssysteem, staan jullie ten dienste van de elite. Jullie hebben bekwaam, gemotiveerd personeel, enz. Maar jullie zijn er alleen maar voor de elite.” In sommige landen maken zelfs de niet-christelijke elites gebruik van deze weg. Om tot de echte politieke of economische elite te behoren, moet men er via de school van Broeders X of Zusters Y gepasseerd zijn. Zelfs als men moslim, boeddhist of confucianist is. Er is dus, net zoals in de gezondheidssector, een sociale evolutie in de sector die tot nadenken dwingt.

En precies bij ons heb ik nooit een fundamentele discussie gezien over de evolutie van de functie van het katholiek onderwijs. Behalve dan de verdediging van gevestigde algemene waarheden waarmee men akkoord kan gaan, zoals als het recht op een religieuze opvoeding. Maar dat zijn reflecties die de werkelijkheid helemaal niet in vraag stellen. Nu ligt er wel een hele wereld tussen de werkelijkheid en de ideeën.

Ik ben persoonlijk de mening toegedaan dat het vrij onderwijs bij ons bijdraagt tot de verdere ontwikkeling van de sociale ongelijkheden (zoals in zekere mate ook het bestaande officieel onderwijs). En dat het zich wat dit punt betreft niet bereid heeft getoond zichzelf in vraag te stellen. Het is dus meer dan een goed geörganiseerd pedagogisch systeem dat door een belangrijk deel van de gezinnen in België wordt gekozen.

Er is een tweede diep verankerde algemene waarheid: de katholieke school schept een gunstig klimaat voor het religieus en ethisch onderwijs. Die bewering wordt ook nooit in vraag gesteld. Ik zou graag een ernstige studie zien verschijnen over dit probleem. Ik ken immers een aantal scholen waar het religieus onderwijs allesbehalve is. Zo is het soms volledig elitair (spirituele religie zonder enig sociaal engagement) en een vrijgeleide voor de verdediging van een klassenpositie. Het heeft dus niets van doen met de basisbeginselen van het christendom.

Conclusie: als men tot een systeem kan komen dat in één gemeenschappelijk project het geheel van de netten in België verenigt en als blijkt dat die keuze de sociale rechtvaardigheid en meer gelijkheid in onze maatschappij ten goede komt, dan moeten de christenen zich daarvoor engageren. Zelfs als dat heel het systeem van de katholieke instellingen in vraag zou stellen. Die meer een machtsinstelling zijn geworden dan een instelling van dienstbetoon trouwens. Waarbij ik geenszins de toewijding van de mensen in vraag stel, de vaak duidelijke kwaliteit van degenen die er zich voor opofferen. En ook niet de goede bedoelingen van degenen die het net op poten hebben gezet en die het in stand houden. Het gaat om een oproep tot sociale zelfkritiek in functie van de eisen van het evangelie. .

Dit gezegd zijnde is er natuurlijk de terechte vraag vanwege de religieuze instellingen of vanwege ouders om hun kinderen in een christelijke of islamitische of joodse traditie op te voeden. Het komt er dus op neer na te gaan hoe we dit kunnen verzekeren in één net. Ik heb de indruk dat het niet onmogelijk is.

Ik heb in Sri Lanka geleefd in de periode toen men het religieus onderwijs heeft genationaliseerd. Het was een verschrikkelijke strijd want de katholieke kerk heeft er zich lang met hand en tand tegen verzet. Nu zijn alle gesubsidieerde scholen openbaar. Maar het godsdienstonderwijs is er bij wet gegarandeerd. Vandaag, 25 jaar later, wil niemand meer terug naar het oude systeem, zelfs niet de katholieke kerk. Men heeft dus een systeem gevonden dat tegelijkertijd een gemeenschapsonderwijs garandeert én de mogelijkheid tot het godsdienstonderricht naar keuze, of dat nu katholiek, boeddhistisch, islamitisch of hindoeïstisch is.

Jean-Pierre Kerckhofs
Denkt u dus dat de christenen het voorstel van OVDS over de fusie van de netten zouden moeten aanvaarden ?

François Houtart.
Niet alleen zouden ze het moeten aanvaarden, maar ik vind dat het ook de taak is van de christenen om het te steunen als het duidelijk is dat dit er toe bijdraagt om tot een rechtvaardiger opvoedkundig systeem te komen. Precies omdat het de keuze van Jezus was om te vechten voor de armen, voor rechtvaardigheid, tegen de machten, die aan de basis lagen van de onderdrukking. Ook de religieuze instellingen in zijn maatschappij. Wij, christenen, moeten elke situatie analyseren. En nagaan in welke mate de huidige toestand bijdraagt tot rechtvaardigheid of niet. En zo niet, wat zijn dan de hindernissen. Alles kan worden veranderd om verbeteringen aan te brengen als men erin slaagt aan de bezorgdheid van de ouders tegemoet te komen die een godsdienstonderricht verlangen voor hun kinderen.

Jean-Pierre Kerckhofs.
Een laatste vraag. De islamitische hoofddoek wordt soms als een teken gezien van de onderdrukking van de vrouw door de man. Hij is ook een religieus symbool. Daarom willen sommigen hem verbieden op school. Anderen vinden dan weer dat dat geen goed idee is want hij is ook een teken van een culturele identiteit. Wat is uw standpunt?

François Houtart.
Ik reageer als socioloog. De hoofddoek is inderdaad een religieus symbool. Maar hij is ook zeer duidelijk cultureel. Wij moeten ons afvragen waarom wij in onze maatschappij zo’n grote opkomst zien van het fenomeen. Hoe moeten we dat probleem aanpakken? Het is duidelijk dat het ideaal zou zijn indien deze uitdrukkingsvorm langzamerhand zou verdwijnen, in de mate dat hij ook een teken van onderwerping van de vrouw is. Het is belangrijk dat die jonge meisjes worden erkend voor wat ze zijn in de maatschappij waarin zij leven. Maar ik meen dat een “bedwingende” reactie het probleem alleen maar kan verergeren, vooral op korte termijn. Het gaat de idee dat de moslims onderdrukt worden alleen maar kracht bij zetten. Dat elke uitdrukkingsvorm van hun godsdienst cultureel zal verworpen worden, indien nodig met repressie. Dat is de slechtste manier om een cultureel fenomeen aan te pakken. Een dergelijk fenomeen pak je niet aan met administratieve of repressieve maatregelen. Maar met een geleidelijk proces, dat uiteindelijk in het bewustzijn zal opgenomen worden. Neen dus aan elke administratieve maatregel. Waarom zou men dan niet aan de nonnen vragen om hun kap af te doen wanneer ze les geven? Ik denk echt dat een dergelijke maatregel de situatie alleen maar gaat verergeren. Ik meen dat men eerder plaatselijk, in elke school moet nagaan met de leerkrachten en met alle leerlingen hoe men een sfeer kan creëren waarin komaf wordt gemaakt met iemand uit te sluiten alleen maar omdat zij een hoofddoek draagt. Nagaan hoe een sfeer kan gecreëerd worden waarin zij wordt aanvaard voor wat ze is en gerespecteerd in wat ze is. Zodanig dat ze zich niet meer verplicht voelt om zich agressief te manifesteren (wat soms het geval is) om haar identiteit te bewaren. Ik zou ook een ernstige studie willen zien die het bilan opmaakt van de situatie in Frankrijk na de maatregelen die daar genomen waren en waartegen ik mij verzette. Sommigen beweren dat ze nuttig waren. Dat zou ik eens willen zien.

(dit interview verscheen in “De democratische school“, september 2006)