Onderwijs voor handen, hoofd en hart

Facebooktwittergoogle_plusmail

In het boek “De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen (1) nemen Mie Branders en Michaël Verbauwhede (2) het onderwijsluik voor hun rekening. Zij komen op voor een “onderwijs voor handen, hoofd en hart”. Mie Branders is gemeenteraadslid in Antwerpen, Michaël Verbauwhede zetelt in het Brussels Parlement, beiden namens de PVDA.

De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen

Leren van Finland

Het onderwijshoofdstuk begint met een reportage (verschenen in “Klasse”) van een studiebezoek van Vlaamse leerkrachten in Finse scholen. Enkele Finse geplogenheden vallen in de smaak. De onderwijzeres van het eerste leerjaar verhuist met de leerlingen mee naar het tweede leerjaar en het jaar daarop naar het derde. Een onderwijzeres legt de voordelen uit: “Voor de leerlingen is dít systeem beter. Ze zien mij als een tweede mama. Omdat ze zich goed bij mij voelen, leren ze gemakkelijker. En ze hoeven op het einde van het jaar niet allemaal hetzelfde minimumniveau te halen. Als een leerling trager vordert met een vak, werk ik daar volgend jaar gewoon verder aan, op zijn niveau. Niemand moet blijven zitten.”

Andere aspecten trekken de aandacht: “Dat Finse leerlingen na tien oefeningen in hun dikke jas schieten en buiten gaan spelen! Dat ze alleen ’s ochtends les krijgen en al om 14 uur ribbedebie zijn! Dat ze geen punten krijgen op een toets! Dat leerkrachten aan het begin van het jaar de vakken die ze liever niet geven op tafel gooien en door een collega laten overnemen – want ‘ook leraren hebben “sterke” en “zwakke” vakken!”.

Maar het geheim van dat Fins onderwijsparadijs – de Finse leerlingen komen er in alle onderzoeken uit als de beste van de OESO-klas – schuilt vooral in zijn structuur, aldus Branders en Verbauwhede.
“Het Fins secundair onderwijs deelt leerlingen niet op in ‘algemeen’, ‘technisch’ en ‘beroeps’. Van zes tot zestien jaar volgen ze ongeveer dezelfde lessen in een gemeenschappelijke onderbouw. (…) Geen enkele leerling is ‘niet goed genoeg’. Elke leerling volgt hetzelfde onderwijs. Elk kind mag het beste in zichzelf bovenhalen. En doordat iedereen met elkaar verder moet, wordt er voor en met iedereen gewerkt. Het gemeenschappelijk basisprogramma is breed. Je krijgt algemene vakken, technische vakken, praktijklessen en zelfs huishoudlessen.

De Finnen kiezen voor zo’n gemeenschappelijke onderbouw omdat ze weten: een studiekeuze weegt heel zwaar door in je leven. Zo’n keuze moet je niet al te vroeg maken, zo zeggen ze daar. Daarom hak je de studierichtingknoop pas op je zestiende door. Tegenstanders van die latere keuze duvelen wel eens dat keuzes altijd sociaal bepaald zijn. Dat klopt. Maar het klopt evenzeer dat hoe ouder je bent op het moment van de keuze, hoe minder zwaar je sociale achtergrond meespeelt. Een latere keuze doet de ongelijkheid in een samenleving afbrokkelen. Het zorgt ook voor minder gescheiden werelden. Neem nu een metser en een ingenieur-architect. Op de werf lopen ze elkaar frequent tegen het lijf. Waarom zou je hen op school al of zelfs vóór hun twaalfde scheiden? Bied hen een gemeenschappelijke onderbouw, dan blijven ze tot hun zestiende samen. Ze kunnen verschillende wegen uit, en hebben elkaar toch beter leren kennen. Dat kweekt vanzelf een basis voor respect.”

Elk kind is een artiest

“Ik denk dat we niet alleen iets van de Finse structuur maar ook van de pedagogie en didactiek kunnen opsteken”, schrijven Mie Branders en Michaël Verbauwhede. Zij pleiten voor een onderwijs waar de ontwikkeling van het hoofd belangrijk is, maar die van hart, handen en voeten evenzeer.

“Algemene vakken worden ‘hoofdvakken’ genoemd, en die zijn belangrijk in onderwijs. Kinderen moeten zeker leren lezen, schrijven, rekenen, jazeker. Ze horen in wetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde onderlegd te worden, uiteraard. En in België is kennis van de twee belangrijkste landstalen fundamenteel, net als kennis van een vreemde taal zoals Engels of Spaans. School hoort de belangrijkste sociale en wetenschappelijke inzichten mee te geven.

Maar ook het ‘hart’ van kinderen neemt een belangrijke plek in. Picasso noemde elk kind een artiest, en het probleem is hoe artiest te blijven wanneer je opgroeit. Onze scholen zien het cultureel en artistiek talent dat elk kind in zich draagt vaak over het euh… hoofd. Ze horen die talenten te koesteren en kinderen het materiaal aan te reiken om ze op school voluit te ontwikkelen. Het hart ontwikkel je ook door leerlingen gevoelig te maken voor sociale rechtvaardigheid, solidariteit, diversiteit, eenheid en samenleven. Hoe kan een leerling zich leren inleven als hij geen andere realiteiten en leefwerelden kent, met eigen moeilijkheden en sterktes?

Zou het trouwens niet handig zijn als elke leerling zijn ‘handen’ kon ontwikkelen op school? Basisvaardigheden zoals elektriciteit, houtbewerking, loodgieterij en informatica zetten de deur open voor technische beroepen. School hoort kinderen – elk kind – een basis mee te geven voor huishoudelijk werk: koken, schoonmaken, naaien, tuinieren, kinderverzorging. Man en vrouw mogen daarin gelijk zijn, en dat begint bij jongens en meisjes. Ze verdienen het allebei om moderne technieken aan te leren in al die disciplines, de belangrijkste productieprocessen te leren kennen. Als leerlingen begrijpen hoe een computer werkt, help je hen van ‘technologisch analfabetisme’ af.

Ten slotte heb je de benen, de ‘voeten’. Momenteel moeten onze kinderen acht uur per dag op een stoel blijven zitten. Zelfs een volwassene heeft het daar moeilijk mee – en van onze kinderen verwachten we dat elke dag. Sport en ontspanning moeten een veel prominenter deel van ons onderwijsprogramma uitmaken.

Als je die aspecten in een polytechnisch onderwijs bundelt, ontwikkel je niet alleen capaciteiten bij het kind. Je vormt er burgers mee die de wereld waarin ze leven kritisch kunnen begrijpen en veranderen. Je socialiseert jongeren in het onderwijs zodat ze als ouders, kritische burgers en werknemers in de maatschappij en in het economisch leven hun plaats vinden.”

Je buurtschool: deel van je buurt

In een volgend deel laten de auteurs een aantal andere aspecten van hun onderwijsvisie de revue passeren. Via ‘t Speelscholeke (in Deurne), waar de kinderen elke vrijdag naar een boerderij trekken, breken ze een lans voor ervaringsgericht onderwijs.Een pleidooi voor kleinere klassen, voor “huiswerk” op school, voor een betere lerarenopleiding, voor heterogene klassen, voor een inschrijvingsbeleid dat de leerlingen een plaats garandeert in een gemakkelijk bereikbare en sociaal gemengde school, voor gratis onderwijs, voor diversiteit op school (en in het lerarenkorps)… het komt allemaal aan bod.

Eén van de meest uitgewerkte ideeën is de “open” school of de buurtschool.

“Onze scholen zijn vandaag sterk naar binnen gekeerd. Openingsuren: van 7.30 uur tot 17.30 uur, uitsluitend op weekdagen. Dat kan opener. Open in de buurt, open voor verenigingen, cultuurkring, sportclub, ouders. Sommige Brusselse scholen geven al taallessen voor de ouders, op dezelfde manier kun je andere buurtinitiatieven ontwikkelen op school, in die onderbenutte schoolgebouwen. Veel scholen hebben een turnzaal, auditoria, zelfs een grote zaal met podium. Een school met zijn wortels in het buurtleven kan ook ’s avonds bruisen, tijdens het weekend en in de schoolvakanties.

In de refter kan het burenfeest, de volkskeuken, de pannenkoekenslag van de scouts, een wereldwinkelontbijt. De turnzaal biedt ruimte voor begeleide sportactiviteiten van de clubs uit de buurt, de quiz van de gezinsbond, de turnles van Femma, het jaarlijks optreden van het plaatselijke toneelgezelschap, het volleybaltornooi van 11.11.11. Een rockbandje uit de buurt kan op school oefenen zonder buurthinder en zijn eerste optreden geven in het auditorium.

Een open school stapt zelf ook de buurt binnen. Je ontdekt leuke plekjes in de omgeving. De school voedt niet alleen kinderen op, ook ouders (en omwonenden) kunnen genieten van avondlessen, informatiesessies en vormingsactiviteiten. Als je dat ’s avonds en overdag plant, bereik je potentieel alle ouders.

Een open school laat ouders meepraten. Ouders zijn wel geen leerkrachten, maar hebben evengoed een mening, ideeën en voorstellen, en ze kunnen meewerken aan projecten. Dat schept ruimte om zelf te delen en je op je gemak te voelen, zelfs als je problemen met de kinderen wil bespreken. Een open school geeft het voorbeeld op vlak van democratie en geeft een stem aan alle leerlingen via de verkozen leerlingenraad.“

Het is een school waarin je kunt geloven

“Kost die school geld?”, luidt de retorische vraag op het einde van het onderwijshoofdstuk in dit boek. Het antwoord van Mie Branders en Michaël Verbauwhede: “Uiteraard. Ze brengt ook een stuk meer op omdat ze zoveel problemen ondervangt, zoveel meer functies vervult. Maar weet u wat: dat ze rendabeler is, doet er niet eens toe. Opvoeding en onderwijs zijn essentieel voor onze jeugd. Zij zijn onze maatschappij van morgen, onze toekomst. Dit is een toekomst die de samenleving naar waarde schat. Die gaat voor harmonie, evenwicht, respect, solidariteit, gelijkheid, kennis en kunde. Hoeveel mag zo’n toekomst voor u kosten?”

Dit boek, waarvan het deel over onderwijs nauwelijks 15 bladzijden beslaat, is zeer toegankelijk geschreven. Voor de lezer van “De democratische school” die de jongste jaren al eens sakkerde over de zware kost in onze onderwijsdossiers vol cijfers,grafieken en citaten, zal de lectuur van dit boek(deel) misschien een verademing zijn. De aandachtige lezer zal merken dat sommige ideeën van het boek niet vreemd zijn aan het gedachtegoed van Ovds. We denken concreet aan de voorstellen rond het inschrijvingsbeleid, de veelzijdige gemeenschappelijke stam en de “brede school”.

(1) Uitgegeven door EPO. Zie www.epo.be

(2) Mie Branders is huisarts bij Geneeskunde voor het Volk in Hoboken en Antwerps gemeenteraadslid.Zij is ook lid van de raad van bestuur van het Autonoom Gemeentebedrijf Stedelijk Onderwijs Antwerpen. Haar interesse voor onderwijs begon op de dag dat een derde van de kinderen uit de eerste klas van haar zoon moesten blijven zitten.

Michaël Verbauwhede heeft het onderwijs nooit meer losgelaten sinds zijn voorzitterschap van de Federatie van Franstalige Studenten (FEF). Vandaag is hij een van de weinige echt tweetalige volksvertegenwoordigers in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.

Sur le même sujet

Een inspirerend hoofdstuk uit een ‘briljant’ boek Ik las op mijn beurt de 15 bladzijden van het hoofdstuk 5 van 'Onderwijs voor handen, hoofd en hart’ uit het boek ‘De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen’ ‘...