Het Brussels onderwijs. Problemen en oplossingen. Debat.

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een zestigtal deelnemers woonden op zaterdagvoormiddag 17 oktober tijdens de “zes uren voor de democratische school” het tweetalig debat bij rond het “onderwijs in Brussel”.

De panelleden waren:
-** Jef Van Damme (schepen voor Nederlandstalig onderwijs in Molenbeek; hij verving Pascal Smet die aanvankelijk had toegezegd maar in augustus liet weten belet te zijn op 17 oktober)
-** Piet Van de Craen (professor VUB, stichtend lid van de European Language Council, mede-auteur van het themanummer van Brussels Studies rond onderwijs)
-** Donat Carlier (coördinerend secretaris van de Commission Consultative Formation, Emploi, Enseignement van Brussel; mede-auteur van het themanummer van Brussels Studies rond onderwijs)
-** Michel Boumal (Inspecteur Stedelijk onderwijs Brussel; hij verving Faouza Hariche, schepen van onderwijs van Brussel)
-** Jean-Pierre Kerckhofs (leerkracht in het Brussels Franstalig onderwijs, voorzitter Aped-Ovds).

Het debat werd gemodereerd door Marc Maes van BOCO[->www.bocobrussel.be/index.php] (Brussels Overleg- en Coördinatiecentrum Officieel Onderwijs) die ook zorgde voor de inleiding en …. voor onderstaand verslag.

Inleiding

Voor de Brusselse onderwijsontmoeting ging BOCO uit van drie conclusies van de Staten-Generaal van Brussel uit het voorjaar 2009:

1. Er is een veel groter percentage van leerlingen die het secundair onderwijs verlaten zonder diploma of getuigschrift dan in de andere landsgedeelten. De sociale kloof en de kans op een sociale tijdbom die zoiets inhoudt worden nog vergroot door het feit dat Brussel tegelijk het hoogst aantal opgeleiden in hoger en universitair onderwijs telt.

2. Er is ook een bijkomende reden waarom een werkgever in Brussel hogere eisen stelt dan in andere landsgedeelten: de twee- en meertaligheid. Een van de grootste problemen van het Franstalige onderwijs hier is immers het in grote mate afleveren van eentalige leerlingen.

3. Door het feit dat het onderwijs in Brussel wordt ingericht door gescheiden taalgemeenschappen (even de Europese en internationale scholen buiten beschouwing gelaten) is er een noodzaak om toch naar een minimale “kruisbestuiving” te gaan.

Hoe die moet georganiseerd worden, wordt aan het panel als vraag voorgelegd.

Onderwijsbeleid

Onderzoeker Donat Carlier schetst dan met goed geselecteerde cijfers en grafieken de huidige situatie. Van de ruim 231 000 leerplichtige leerlingen zaten er in 2006 een 80 % in het Franstalige onderwijs, een 39 000 in het Nederlandstalige (of 17 %) en de rest in internationale scholen. Door het gebrek aan samenwerkingsverbanden wist men jarenlang niet dat een 6 000 leerlingen “spoorloos”, nergens in Brussel ingeschreven, zijn.
In het Basisonderwijs van beide taalgemeenschappen komt meer dan 85 % uit Brussel zelf. Opmerkelijk is dat het Franstalig secundair onderwijs die trend doortrekt, maar het Nederlandstalige secundair nog altijd voor iets minder dan de helft uit de Rand rekruteert.

De afhakers zonder diploma of getuigschrift vormen 24,5 % in Brussel tegenover minder dan 10 % in Vlaanderen en ca. 12 % in Wallonië (dat is nauwelijks meer dan de Europese gemiddelden). Alleen bij jonge vrouwen is er over de jaren heen een verbetering merkbaar. Opvallend is ook het verschil van het aantal dubbelaars in het Nederlandstalige Brusselse onderwijs: een 6 %, terwijl dat Franstalig bijna 13 % bedraagt.
De schoolse prestatiekloof wordt ook uitgetekend op een sociale kaart, en dan blijkt dat de link tussen schoolachterstand en sociale achterstand zeer sterk is, ook al zijn er interne bewegingen tussen scholen. Belangrijk bij deze gemiddelde cijfers is de bedenking dat zij nog veel grotere spanningen verbergen: er zijn immense verschillen tussen “witte” en “zwarte” scholen, zelfs binnen één gemeente of wijk.

Het wegwerken van al die spanningen hangt uiteraard af van de inzet van de leraren. Er is nu al een enorm tekort, zodat in het Franstalige onderwijs meer dan 40 % mensen lesgeven zonder het “voldoende geachte” diploma (in Wallonië is dat slechts 15 %). De uitstroom van jonge leerkrachten die het na korte tijd voor bekeken houden is ook in het Nederlandstalige onderwijs in Brussel een veel groter probleem dan in Vlaanderen. Anderzijds ligt volgens alle berekeningen de financiering van het Franstalige onderwijs zo’n 20 % onder dat van het Vlaamse.

Bij de vraag naar onderwijspolitieke antwoorden komen Jef Van Damme, schepen van onderwijs in Molenbeek en Brussels parlementslid, Michel Boumal, Fanstalig stadsinspecteur van Brussel die schepen Hariche vervangt en Jean-Pierre Kerckhofs van Ecole démocratique aan bod.

Jef Van Damme stelt dat al deze cijfers al meer dan tien jaar bekend of voorspeld zijn, maar dat er structureel weinig is veranderd. Hij wil ook beklemtonen dat een vergelijking van Brussel met Vlaanderen of Wallonië niet correct is: men zou eerder moeten vergelijken met de cijfers uit (middel)grote steden en dan zouden de verschillen niet zo groot lijken.

Structureel vindt hij dat er wel een gewestelijke aanpak moet komen, maar zeker geen bi-communautair “Brussels” onderwijssysteem – dat overigens dan nog met de schoolnetten zou moeten rekening houden. Het gewest zou wel moeten sturen in het beter afstemmen van het onderwijsaanbod op de arbeidsmarkt (niet alleen in Brussel, maar ook in de Rand) – denk maar aan de niet-ingevulde knelpuntberoepen – , een betere samenwerking met politie en jeugdzorg, het creëren van gunstige randvoorwaarden voor leraren en scholen en vooral ook een op meertaligheid gericht taalbeleid. De huidige versnippering van scholen en onderwijsprojecten is nefast.

Als schepen in Molenbeek probeerde hij wel lokale impulsen te geven, ondermeer een op grotere ouderparticipatie gericht huistakenbeleid, het sterk uitbouwen en ondersteunen van “brede school”-initiatieven rond sport, taal en cultuur – dingen waar heel wat wijkbewoners niet spontaan naartoe komen – en het vermijden van concentratiescholen door een project “School in zicht”, waarbij men een sociale mix in de wijkschool nastreeft en ouders positief motiveert, “teruglokt” om niet naar scholen in de Rand uit te wijken (wat ook steeds meer het geval is voor middenklasse allochtonen).

Speciale aandacht vereist de inzet om in alle Molenbeekse scholen minimale vormen van tweetaligheid aanwezig te laten zijn, ondermeer in het kader van de “School in zicht”-werking. De mogelijkheden om Vlaamse “native speakers” in Franstalige scholen binnen te halen worden zeker benut. De bedoeling is ook om zo de druk van grote aantallen Franstalige leerlingen op het Nederlandstalige onderwijs te verminderen.

Inspecteur Michel Boumal constateert dat er in de 75 stadsscholen ongeveer 16 % kinderen uit Nederlandstalige gezinnen zitten. Hoewel hij geen politiek geladen uitspraken kan doen, maakt hij toch twee belangrijke vaststellingen:

1. Een groot probleem is dat bepaalde bevolkingsgroepen zich in bepaalde wijken volledig op zichzelf terugplooien (b.v. Turken) en zelfs geen Frans spreken en daar ook niets aan doen. Dan worden communiceren en studiebegeleiding wel erg moeilijk.

2. Een tweede pijnpunt is het feit dat zelfs een behaald diploma in een groot aantal gevallen niet tot het vinden van een job leidt. Dat is gedeeltelijk toe te schrijven aan bepaalde vormen van discriminatie door werkgevers, maar meer nog aan het kiezen van studierichtingen die “wanhoopskeuzes” zijn, het al te beperkt aantal uren Frans of Nederlands in bepaalde technische of beroepsrichtingen, e.a.

BOCO haalde uit de Brusselse Staten-Generaalavond van 26 januari 2009 cijfers aan van Rudy Janssens (VUB) over het immense verschil tussen het percentage ontevreden ouders aan Nederlandstalige kant ( 9 %) en Franstalige ( 49 % !).

Inspecteur Michel Boumal ziet hiervoor verschillende redenen: ondermeer een veel grotere sociale kloof in de leerlingenbestanden van het Franstalige onderwijs, het zonder veel overleg met de basis opgedrongen beleid van sociale mix, voortdurende onderwijshervormingen, “ballonnetjes” e.a. die voor een gespannen werksfeer zorgen met veel onvrede en breekpunten. Hij kan zich wel vinden in voorstellen als die in Molenbeek, maar daarvoor is wel een positiever draagvlak nodig dan nu.

Jean-Pierre Kerckhofs vat een heel programma van zijn tweetalige vereniging voor een democratische school samen in twee aandachtspunten. In het secundair onderwijs het invoeren van een gemeenschappelijke basisopleiding tot de leeftijd van 15 of 16 (het Vlaamse rapport Monard stelt 14 voor) met minimaal gegarandeerde maatschappelijk relevante kennis voor alle leerlingen (momenteel zijn er beroepsafdelingen die nooit meer het vak geschiedenis hebben). Zijn tweede streven is een positieve actie naar de ouders om te komen tot sociaal beter gemengde scholen met heterogene klassen. Speciale aandacht moet daarbij uitgaan naar kansarmere ouders die moeten geholpen worden in studiekeuze- en begeleiding.

Meertaligheid

Naast deze onderwijspolitieke aanpak is er ook het streven naar meer twee- en meertaligheid.

Piet Van de Craen pleit daarbij voor een talenonderwijs met native speakers en op basis van de CLIL-visie (“content and language integrated learning”; inhouds- en taakgericht taalonderwijs), waarbij het project STIMOB model staat. Hij wijst erop dat de “herhalingslessen” in het Frans beperkt zijn tot hoogstens 20 % van de uren, in contrast met het Franstalige immersieonderwijs.

Onderwijsinspecteur Michel Boumal ziet de voordelen wel in, maar wijst toch op een aantal problemen: het tekort aan leraren, ook native speakers uit het Vlaamse gewest, zeker als ze zullen vaststellen dat ze tot 6 % minder loon krijgen. Hij herinnert aan zijn vaststelling dat steeds meer kinderen komen uit op zichzelf teruggetrokken leefgemeenschappen die niet eens Frans kennen of die pas ingestroomd zijn.

Piet Van de Craen ontkent niet alle problemen, maar leidt uit zijn ervaringen met immersie- en andere scholen af dat er toch meer mogelijk is dan men denkt.

Slotbeschouwingen

In een slotwoord naar aanleiding van enkele opmerkingen uit de zaal stelt Donat Carlier dat er toch zo’n 30 % van de scholen in zware problemen zitten. Vooral “middenklasse”-scholen krijgen het steeds moeilijker in hun keuze om inhoudelijk niet af te zwakken en tegelijk zoveel mogelijk zwakkere leerlingen mee te trekken en niet uit de school te verwijzen.

Michel Boumal sluit daarbij aan door het vasthouden aan een algemene minimumcultuur voorop te stellen, maar wijst op de absolute noodzaak om weer een generatie van gepassioneerde en goed opgeleide leerkrachten aan te werven.

Jef Van Damme pleit voor het behoud van een diversiteit in het scholenaanbod. Hij vindt dat een zekere mate van competitie tussen scholen moet blijven en niet tot eenheidsworst mag leiden. Hij vindt daarom veralgemeende tweetalige scholen geen goede optie, maar ziet eerder heil in een goed overwogen inschrijvingsbeleid en het ondersteunen van kansarmere ouders in studiekeuze en –begeleiding.

Marc Maes

BOCO (Brussels Overleg- en Coördinatiecentrum Officieel Onderwijs)

Lees ook: Brusselsstudies over het onderwijs in Brussel (Donat Carlier, Rudi Janssens, Piet Van de Craen) [->1071]