Onderwijs in dienst van de economische competitiviteit?

Facebooktwittermail

Het Vlaams regeerakkoord 2004-2009 stipuleerde: “Vlaanderen moet verder evolueren naar een ondernemende, innoverende, lerende en creatieve samenleving.” Meer ondernemen was dus een topprioriteit voor de coalitie van CD&V-NVA, Open VLD en Spa-Spirit.

In zijn beleidsnota onderwijs en vorming 2004-2009 stelt minister Vandenbroucke: “Als Vlaanderen wil uitgroeien tot een duurzame kenniseconomie en een inclusieve en lerende samenleving, dan zullen onderwijs en vorming hierin een expliciete opdracht moeten erkennen. We zullen de onderwijs- en vormingsinstellingen dan ook de instrumenten en de ruimte geven om te innoveren en de talent- en competentie-ontwikkeling van alle leerlingen, studenten en cursisten centraal te stellen.” M.a.w. de talent- en competentie-ontwikkeling in het onderwijs staat in functie van de prioriteiten die de Vlaamse regering zich stelt: van Vlaanderen een economische topregio maken.

Vanuit zijn bevoegdheid als minister voor onderwijs én voor werk stelde hij “een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt” als eerste speerpunt voor gelijke onderwijskansen voorop. Onderwijskansen heeft in zijn optiek alles te maken met “niet of te laag gekwalificeerd op de arbeidsmarkt komen”.

Op zich een nobele doelstelling, maar knelt daar ook niet tegelijk het schoentje? Wordt de functie van onderwijs in de samenleving niet eenzijdig in het teken van de voorbereiding op de arbeidsmarkt gesteld?

Competentieagenda: bondgenootschap tussen onderwijs en werk

Vandenbroucke toont zich een gedreven leerling die de onderwijsvisie van de Europese Unie consequent in praktijk brengt : “De voorbije regeerperiode hebben we vanuit de bevoegdheid voor Onderwijs en Werk ook een bondgenootschap tussen onderwijs en werk op poten gezet: de Competentieagenda, die de competenties van onze huidige en toekomstige arbeidskrachten op peil zal brengen of houden. De Competentieagenda werd bij de start in het teken gesteld van de Lissabondoelstellingen van de EU. Tegen 2010 zou de EU ‘de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld’ worden ‘die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang’. Met iedere realisatie in mijn beleidsdomeinen onderwijs en werk komen deze doelen dichterbij. Daarom hecht ik zoveel belang aan het partnerschap dat we met de Competentieagenda hebben gesmeed. De resultaten die we bereiken zijn tussenstations op weg naar de Lissabondoelstellingen en naar de doorbraken voor 2020 die hier vandaag zijn voorgesteld.” (Vandenbroucke, VIA Atelier Talent, 16 mei 2008)

De competentieagenda bevat 10 prioriteiten die, “over de grenzen van onderwijs, werkgevers- of werknemersorganisaties heen, de capaciteiten van zowel studenten, werkzoekenden als werknemers moeten erkennen én inzetten.” (…) Voor onderwijs zijn die:
“Een 1ste prioriteit is competenties uitbouwen in het onderwijs. We investeren extra in het begeleiden en verbeteren van studie- en beroepskeuze voor leerlingen.

Competenties opdoen via leren en werken is een 2de prioriteit. De sociale partners engageren zich bedrijven te mobiliseren tot een groeipad om jaarlijks 75.000 stages voor leerlingen uit het TSO en BSO en vijfjaarlijks 30.000 stages voor leraren praktijk en techniek op te zetten.

Er komt ook een actieplan zelfstandig ondernemen voor het onderwijs. Al van in het kleuteronderwijs moet zin voor initiatief aandacht krijgen. Meer informatie, een betere sensibilisering en een dialoog en partnerschappen met de Vlaamse ondernemerswereld zijn onderdelen van de nieuwe aanpak.

Sectoren zijn de draaischijven voor competentiebeleid. We zullen ze daarom stimuleren om zich te ontwikkelen tot expertisecentrum voor competentiebeleid binnen hun branche. De expertise gaan we ter beschikking stellen van zowel leerlingen, werkzoekenden als werknemers.” (Vandenbroucke Competentieagenda: totaalaanpak voor talentontwikkeling, 14 mei 2007)

Vandenbroucke wil nog verder gaan: “Sectorconvenants zullen de komende jaren het geschikte monitoringinstrument zijn voor de verwezenlijking van de gezamenlijke doelstellingen van onderwijs en werk. En die moeten concrete, haalbare doelen bevatten, geëvalueerd worden en na afloop de lat weer wat hoger leggen.” (Vandenbroucke, VIA Atelier Talent, mei 2008)

Ondernemend onderwijs

De beleidsnota van Onderwijs en Vorming van 2004-2009 legt de nadruk op “de onlosmakelijke band tussen het promoten en het effectief starten als ondernemer en de doelstelling om meer werkgelegenheid te realiseren” en “het belang van het onderwijs in het stimuleren van ondernemerschap” en legt de medeverantwoordelijkheid voor het stimuleren van ondernemingszin bij onderwijs en vorming.

M.a.w. wie in de toekomst werk wil vinden zal zijn job zelf moet scheppen. Hij moet niet verwachten dat de overheid of de bedrijven, nog voor bijkomende werkgelegenheid zullen zorgen. Onderwijs moet onze toekomstige ondernemers ervoor klaar stomen.

Europa zet de toon: “Uit een aantal onderzoeken blijkt dat zo’n twintig procent van de jongeren die in het voortgezet onderwijs bij miniondernemingen betrokken waren na hun opleiding een eigen bedrijf starten. Door ondernemerschapsonderwijs neemt de kans toe dat een jongere als zelfstandig ondernemer een bedrijf start.
Ondernemerschap is een kerncompetentie voor iedereen. Het helpt jongeren creatiever en zelfbewuster te worden bij alles wat ze doen en op maatschappelijk verantwoorde wijze te handelen.

In het algemeen hebben de onderwijsautoriteiten maar weinig coherente initiatieven of programma’s in het basisonderwijs geïnitieerd die in het teken staan van het ondernemerschap. Om ondernemerscompetenties de plaats te geven die hen toekomt zijn of worden de nationale onderwijsleerplannen in een aantal lidstaten herzien.” (Mededeling van de Commissie, Ondernemingszin bevorderen door onderwijs en leren, COM(2006) 33 definitief 13.2.2006).

Ook hier toont Vandenbroucke zich een goede leerling in de Europese klas:
In het Groenboek over Ondernemerschap in Europa stelt men dat “Onderwijs en opleiding moeten bijdragen tot het aanmoedigen van ondernemerschap door de juiste mentaliteit, de kennis over loopbaanmogelijkheden als ondernemer en de vaardigheden te stimuleren.” (…)
Jongeren sneller vertrouwd maken met wat ondernemerschap inhoudt, kan hen aanzetten een loopbaan als ondernemer uit te bouwen. “Entrepeneurship” werd in 2005 door de Europese Commissie opgenomen als een van de kerncompetenties voor levenslang leren om een dynamische kenniseconomie na te streven. De Europese Onderwijsraad definieerde 8 sleutelcompetenties: één daarvan was “ondernemingszin”.

Ondernemingszin kan wel aanzien worden als een minimumvoorwaarde om ondernemerscompetenties te ontwikkelen. Ondernemingszin vormt een eerste stap om te komen tot meer ondernemerschap. Hiermee verwijzen we naar een bewuste oriëntatie naar het opzetten van een onderneming om aan de eigen ondernemingszin gestalte te geven. We willen uiteindelijk dat meer mensen een eigen zaak uitbouwen, een onderneming starten.

Het is dus zowel belangrijk voor kleuter, lager, secundair als hoger onderwijs dat er een dosis ondernemingszin in het onderwijs wordt bijgebracht. Deze competentie zit nu reeds verweven in de onderwijsdoelen en eindtermen.” (Vandenbroucke, Beleidskader ondernemend onderwijs, 17mei 2007)

Dit werkjaar werken we aan een ondernemerschaptoets. Dit instrument moet leerkrachten bewust maken dat ze in tal van onderwijsactiviteiten ondernemend (kunnen) bezig zijn.” (Vandenbroucke, Beleidsbrief onderwijs en vorming 2008-2009)

Accent op Talent: inspiratiebron voor Vandenbroucke

Voor de toepassing van de Europese Lissabonstrategie gaat Vandenbroucke te rade bij Accent op Talent. Deze commissie van de Koning Boudewijnstichting, werd in 2000 op vraag van de toenmalige minister van onderwijs Marleen Van de Poorten opgericht. Oorspronkelijk was de bedoeling voorstellen te formuleren voor de herwaardering van technische opleidingen en beroepen. In haar eerste rapport gaat de commissie echter verder: “Het totale systeem van onderwijs en vorming moet in een nieuwe toekomstvisie betrokken worden. Het rapport doet dus verregaande voorstellen en pleit voor een integrale, veelomvattende vernieuwing.”

De commissie werd voorgezeten door Urbain Van Deurzen, toenmalig ondervoorzitter van het VBO (Verbond Belgische Ondernemingen) en voorzitter van de Vlaamse patroonsorganisatie VOKA, die “met een niet aflatende drive de commissie heeft gestimuleerd het hier-en-nu te overstijgen.” (Accent op talent, Een geïntegreerde visie op leren en werken, november 2002).

Vandenbroucke: “Het (tweede) rapport ‘Accent op talent. Een agenda voor vernieuwing’ (december 2004) was een belangrijke inspiratiebron voor mijn beleid. Al heel wat ideeën in de Beleidsnota onderwijs en vorming 2004-2009 (kwamen) uit dat rapport. Verwacht (wordt) dat die ideeën ook in beleid zouden worden omgezet. (…) U hebt gezaaid. Ik heb de plantjes besproeid, bemest en het onkruid gewied. En ik wil ze behoeden voor de stormen die kunnen opsteken.” (Vandenbroucke, Slim blijven investeren in sterk onderwijs, 13 mei 2009)

“Accent op Talent en nadien de proeftuinen hebben dus heel wat in beweging gebracht. De Vlaamse Regering heeft TOS 21 in het leven geroepen, Techniek op School in de 21ste eeuw. Dat project wil de interesse voor techniek aanwakkeren. TOS 21 heeft een leerlijn ontwikkeld voor techniek en technologie voor alle leerlingen van 2,5 tot 18 jaar. Op basis daarvan zijn de eindtermen voor techniek in de basisschool en de 1ste graad secundair aangepast, die over twee schooljaren in voege gaan. Intussen doen zeventien scholen daarmee al ervaring op.” (Idem)

Na vijf jaar werking maakt Accent op Talent zelf de balans op: “De impact van het gedachtegoed van Accent op Talent op het Vlaamse onderwijs is onmiskenbaar. De meeste aspecten van de acht strategische ontwikkelingsassen over het onderwijssysteem zijn terug te vinden in beleidsnota’s. Sommige daarvan hebben ook reeds hun weg gevonden naar regelgeving en convenanten die operationeel zijn geworden en/of voor de komende jaren in het vooruitzicht worden gesteld.

Accent op Talent heeft binnen de onderwijswereld een positieve dynamiek op gang gebracht waardoor onderwijskundige thema’s, die niet langer dan een paar jaar terug eerder gevoelig lagen, nu wel in brede kring bespreekbaar zijn geworden en ook her en der worden ingevoerd. Voorbeelden zijn thema’s als de leraar die competenties bijbrengt (en niet louter kennis overdraagt), samenwerking tussen scholen en bedrijven, overstijgen van de onderwijsvormen, professionalisering van het schoolmanagement, taakdifferentiatie van leraren, samenwerking over de onderwijsnetten heen, bijdrage van het onderwijs tot ondernemerschap, meer techniek voor alle jongeren, enz.

Het pleidooi van Accent op Talent voor meer samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven is niet in dovemansoren gevallen. Scholen staan opener naar samenwerking met andere actoren en zoeken steeds meer samenwerkingsmogelijkheden met het bedrijfsleven: zowel met individuele bedrijven als met bedrijfsverenigingen (VOKA, VKW, UNIZO, sectorfederaties, …), de VDAB en intermediaire organisaties zoals de RTC’s en RESOC’s. Ook het aantal scholen en leerlingen betrokken bij ondernemerschapsonderwijs blijft toenemen.” (Accent op Talent, Vijf jaar Accent op Talent, Een eerste balans, mei 2008)

Waarom willen bedrijven met scholen samenwerken?

In de Commissie Accent op Talent windt het patronaat er geen doekjes om:
“Ondernemingen hebben als primair doel om winst te maken. Samenwerking met derden – scholen of anderen – is er dan ook voor bedrijven in de eerste plaats op gericht om die doelstelling te helpen realiseren, op korte of lange termijn. In de praktijk blijken ondernemingen met scholen te willen samenwerken omwille van een of meer van de volgende argumenten:

  • verhogen van het imago en de kennis over het bedrijfsleven
  • zorgen voor een bredere rekruteringsbasis
  • beter opgeleide afgestudeerden kunnen aanwerven
  • bevorderen van de professionele ontwikkeling van de eigen medewerkers
  • optimaliseren van de bedrijfsinterne vorming
  • de eigen organisatie beter doen functioneren
  • concreet gestalte geven aan het maatschappelijk engagement.”

(Accent op Talent, Leren van elkaar. Samenwerking tussen scholen en bedrijven, 2006)

Op welke gebieden willen bedrijven met scholen samenwerken?

Accent op Talent somt volgende mogelijkheden op:

“- Kwaliteitsverbetering van de opleidingsprogramma’s o.a. het ontwikkelen van lessenpakketten en nieuwe programma’s.

  • Ondersteuning van het pedagogisch proces o.a. deelnemen aan jury en panels, praktijkexamens; een virtueel aanwervingsgesprek voeren; projectonderwijs; mini- en virtuele ondernemingen; attitudes van leerlingen ontwikkelen; hulp verlenen bij studiebegeleiding van jongeren.
  • Leerlingen in contact brengen met het werkveld, oa door. gastlessen en voordrachten, bedrijfssimulaties, doe-activiteiten in bedrijven, stages, trajecten met duaal leren.
  • Begeleiding bij studie- en beroepskeuze o.a. verduidelijken van verwachtingen van ondernemingen, hulp bij de studieoriëntatie, gezamenlijke public relations voeren.
  • Competentieontwikkeling van schoolmedewerkers o.a. stages en bijscholing voor leraren organiseren; leraren betrekken bij rekruteringen in het bedrijfsleven; gezamenlijke bijscholingen organiseren.
  • Beter management en bestuur van scholen en bedrijven o.a. peterschapsformules, participatie van bedrijfsmensen in bestuurs-, advies- en overlegorganen, hulp bij opzetten van systemen van kwaliteitszorg en bij organisatieveranderingen.” (Accent op Talent, Vijf jaar Accent op Talent, een eerste balans, mei 2008)

Wanneer dit gerealiseerd wordt verliest onderwijs zijn autonomie en verwordt het tot een instrument in dienst van het bedrijfsleven.

Vandenbroucke onderkent deze kritiek: “Betekent het uitwerken van zo’n geïntegreerd beleid dat we onderwijs en vorming louter als een instrument voor de werkgelegenheid zien? Allerminst. Onderwijs en vorming moeten jongeren en volwassenen een brede waaier aan competenties aanreiken waarmee ze ook het dagelijkse leven aankunnen en hun weg in de samenleving vinden, en zowel hun persoonlijkheid als hun sociale verantwoordelijkheid kunnen ontwikkelen. Onderwijs en vorming moeten mensen ook aanzetten tot wetenschappelijke nieuwsgierigheid, creativiteit en innovatie.” (Vandenbroucke, Beleidsnota onderwijs en vorming 2004-2009)

Wellicht is het niet de bedoeling van de minister zo ver te gaan in het ondergeschikt maken van het onderwijs aan het bedrijfsleven en wil hij de kool én de geit sparen. Maar een democratisch en emanciperend concept van het onderwijs valt nu eenmaal niet te rijmen met een economisch utilitaristische visie op het onderwijs.