A l’école du capitalisme. Nieuw boek van Nico Hirtt en Cécile Gorré

In 2000 verscheen “Les nouveaux maîtres de l’École”, waarin Nico Hirtt een marxistische analyse maakt van de hervormingen die het onderwijs in Europa door elkaar schudden. Van dit boek verschenen drie edities en een Spaanse vertaling. Nico gaf over dit boek honderden lezingen in meerdere landen. Nico Hirtt en Cécile Gorré, voorzitster van Aped-Ovds, hebben de jongste twee jaar gewerkt aan een actualisering van de analyse en het bronnenmateriaal. Het werd een nieuw boek dat eind januari verscheen bij de Franse uitgeverij Agone onder de titel “A l’école du capitalisme”.

Het boek waarschuwt voor de ernstige bedreigingen die het neoliberalisme voor het onderwijs inhoudt, zowel op vlak van democratie als van sociale ongelijkheid. Het is een pleidooi voor een sterke openbare school, waar het leren weer centraal staat, in plaats van de leerlingen hun toekomstige plaats in het kapitalistische model op te leggen.

Wij bieden u hier een vertaald fragment aan uit het eerste hoofdstuk “Op het scharnier van twee tijdperken”.

Op het scharnier van twee tijdperken

Instabiliteit en onvoorspelbaarheid van de economische ontwikkelingen, polarisatie van de vereiste kwalificaties op de arbeidsmarkt, terugkerende crises van de overheidsfinanciën: drie factoren die, vanaf het scharnierpunt van de jaren 1980-1990, determinerend waren voor een diepgaande herziening van het onderwijsbeleid.

Gedurende dertig jaar na de tweede wereldoorlog hadden de economische milieus hun aandacht geconcentreerd op de kwantitatieve ontwikkeling van het onderwijs. Voortaan richtten ze zich op de kwalitatieve aspecten. De omwenteling van de productieomstandigheden en de verscherping van de concurrentiestrijd maakten in hun ogen een fundamentele hervorming van het onderwijs dringend noodzakelijk, op het vlak van structuren, onderwijsinhoud en methoden.

In 1989 publiceert de Ronde Tafel van Europese Industriëlen (European Round Table, ERT) een van de belangrijkste werkgeverslobby’s van het oude continent, een eerste rapport getiteld “Education et compétence en Europe” (Onderwijs en competenties in Europa). De belangrijkste Europese industriëlen betreuren daarin dat “de industrie maar een zeer zwakke invloed heeft op de onderwezen curricula”, dat “de leerkrachten onvoldoende begrip hebben van de economische omgeving, van zaken doen en van het winstbegrip” en dat zij de behoeften van de industrie niet begrijpen. Zij vinden dat “onderwijs en opleiding moeten worden beschouwd als strategische investeringen die van vitaal belang zijn voor het toekomstige succes van de bedrijven”. Voortaan “vereist de technische en industriële ontwikkeling van de Europese bedrijven duidelijk een versnelde vernieuwing van de onderwijssystemen en hun programma’s.”[1]

In 1995 publiceert de ERT een tweede rapport: “Une éducation européenne: vers une société qui apprend” (Een Europees onderwijs: naar een lerende samenleving). In het voorwoord verklaart François Cornélis, gedelegeerd bestuurder van Petrofina, dat “het doel van dit document is om de standpunten voor te stellen van actieve industriëlen over de manier waarop zij denken dat het proces van onderwijs en opleiding in zijn geheel kan worden aangepast om effectiever te reageren op de huidige economische en sociale uitdagingen.”[2]

De richtlijnen van dit document zullen worden overgenomen in analyses van de OESO, in “witboeken” van de Europese Commissie en in diverse nationale overheids- of werkgeverspublicaties. In essentie zeggen al deze teksten dat om het onderwijs beter af te stemmen op de huidige eisen van de economie, er een einde moet komen aan de zware onderwijsstructuren uit de tijd van de massificatie, met hun onveranderlijke en uniforme studietrajecten. In de plaats daarvan zijn er flexibele netwerken van “onderwijsinitiatieven” nodig, gedifferentieerde en diverse “opleidingsplaatsen”, soepele instellingen die onderling sterk concurreren.

Door de dubbele impact van technologische veranderingen en van zich herhalende crises, dat wil zeggen van scherpere concurrentiestrijd, kent de industrie nu een grote instabiliteit, een razend tempo van veranderingen. De snelle veroudering van kennis leidt besluitvormers ertoe te suggereren dat het onderwijssysteem zich vooral moet toeleggen op het aanbrengen van enkele competenties (rekenen, lezen, gebruik van een computerinterface) die jongeren in staat stellen zich gemakkelijk aan te passen aan veranderingen van functie en werkomgeving. Voor de rest zou het onderwijs hen vooral de sociale vaardigheden, de “soft skills”, moeten bijbrengen: gedragingen die van hen “inzetbare” werknemers en burgers die de bestaande instellingen respecteren zullen maken. Ze moeten aanpasbaar en zelfstandig zijn, in staat zichzelf op eigen kosten om te scholen, wat hypocriet “een leven lang leren” wordt genoemd. Ze zullen ook “soepel” zijn op het vlak van sociale relaties: toegewijd aan hun bedrijf en bereid hun werktijden aan te passen aan de eisen van de productie. Dat alles is veel belangrijker dan de algemene kennis – in geschiedenis, wetenschappen of literatuur bijvoorbeeld – die de school jongeren traditioneel bijbracht. Het is nu de bedoeling, zoals de Europese Raad, bijeengekomen in Amsterdam, in 1997 aanbeveelt, “prioriteit te verlenen aan de ontwikkeling van professionele en sociale competenties voor een betere aanpassing van de werknemers aan de evoluties van de arbeidsmarkt.” [3]. Zoals we zullen zien, zal het gebruik van ICT in het onderwijs als alibi dienen en een effectief middel vormen om dit project te verwezenlijken.

In naam van “het verlichten van de curricula” en door het handig aanwenden van een anti-elitair pedagogisch discours, brengt men het onderwijs ertoe om zijn centrale opdracht van onderricht op te geven. Kennis maakt plaats voor competenties en burgerschap. Tegelijkertijd vervangt het vage concept “inzetbaarheid” de oude notie van kwalificatie. Daarmee wordt alles wat kwalificatie impliceerde aan regelgeving en sociale bescherming opzij geschoven. Decennia lang wordt dezelfde “waarheid” ingehamerd: opdat Europa competitief zou zijn in een geglobaliseerde en voortdurend veranderende wereld, moet de werknemer gedurende zijn hele leven zijn “inzetbaarheid” waarborgen.

In sommige beroepen blijft een gespecialiseerde technische vorming uiteraard noodzakelijk. Maar, aangezien het onderwijs niet in staat is de constante technologische evolutie te volgen, zal men, waar mogelijk, een beroepsopleiding in het bedrijf aanbevelen, “dual learning”, een opleiding geïnspireerd op het Duitse model.

Tegelijkertijd worden, op het vlak van structuren, de scholen opgeroepen om flexibeler te worden om zich gemakkelijker (door autonomie) en sneller (door de druk van de concurrentie) aan te passen aan de evoluties van de arbeidsmarkt. Dat noemt men het onderwijssysteem “moderniseren”.

Vanuit het oogpunt van de democratisering van het onderwijs zijn de gevolgen van een dergelijke “modernisering” desastreus. Autonomie en concurrentie geven de natuurlijke tendens tot ongelijke ontwikkeling de vrije loop, en dus tot de versterking van sociale hiërarchieën tussen scholen. Door cognitieve doelstellingen op te geven ten gunste van louter competenties die verband houden met inzetbaarheid, ontzegt men vooral kinderen van volkse afkomst de toegang tot algemene kennis, die de kracht geeft om de wereld te begrijpen en dus om hem te veranderen. De afstemming school-bedrijf betekent meer selectie en een groeiende kloof tussen de onderwijsvormen.

Cécile Gorré, Nico Hirtt

Voetnoten

(1). ERT, Education et compétence en Europe, 1989

(2) ERT, Une éducation européenne : vers une société qui apprend, 1995, p. 5

(3) Pour une Europe de la connaissance, Communicatie van de Europese Commissie, COM (97) 563 final, p. 1

A l’école du capitalisme

Inhoudstafel (244 blz)

Voorwoord door Christian Laval

I. Op het scharnier van twee tijdperken

II. Iedereen competitief

III. Vereiste competenties

IV. Levenslang inzetbaar

V. Bedreigingen voor het openbaar onderwijs

VI. Wanneer onderwijs een markt wordt

VII. Onder de invloed van het patronaat

VIII. Onderwijs nog meer ongelijk

IX. Besluiten

Je kan het boek bestellen (voor 14 euro) op onze Franstalige website www.skolo.org