Gaat het niveau omhoog of omlaag?

Facebooktwittermail

In 1971, toen de massificatie van het secundair onderwijs nog in volle gang was, publiceerden twee jonge Franse marxistische sociologen, Christian Baudelot en Roger Establet, het boek “L’école capitaliste en France” (De kapitalistische school in Frankrijk) bij uitgeverij Maspero. Daarin maakten ze een opmerkelijke klassenanalyse over het onderwijs: “de massa kinderen uit antagonistische sociale klassen blijven onderwezen in onderscheiden vormen, namelijk lager en beroepsonderwijs enerzijds, secundair en hoger onderwijs anderzijds”. Voor deze twee auteurs bestond er geen twijfel over dat massificatie geen democratisering was en dat het kennisniveau waartoe kinderen uit de arbeidersklasse toegang hadden niet echt was gestegen, maar slechts gespecialiseerd was geworden. Hun toegang tot de middelbare school ging gepaard met een daling van het niveau van deze school, in vergelijking met de tijd dat zij het voorrecht was van de hogere klassen.

In 1989, toen de massificatie van het secundair onderwijs voltrokken was, publiceerden twee oudere Franse reformistische sociologen, Christian Baudelot en Roger Establet, een boek getiteld “Le niveau monte. Réfutation d’une vieille idée concernant la prétendue décadence de nos écoles”. (Het niveau stijgt. Weerlegging van het oude idee over de zogenaamde achteruitgang in onze scholen). Daarin zetten zij uiteen dat “het kennisniveau van de Franse bevolking door de generaties heen is blijven stijgen en dat het thema van de “daling van het niveau” een fantasie is, zo oud is als de school zelf. ‘Een oud idee van oude mensen’, in wezen bedoeld om de wrok van volwassenen tegenover de opkomst van de jeugd uit te drukken”. Sinds de publicatie van dit boek krijgt elke leraar die klaagt over de “daling van het niveau” wel van iemand te horen dat dit discours zo oud is als de school zelf. Schreef de Hellenist Victor Bérard al niet in 1899: “driekwart van de houders van een baccalaureaat [1] kan niet spellen”.

Het is hier niet mijn bedoeling de spot te drijven met de wetenschappelijke ambities van de sociologie of met de ideologische wendingen van deze twee auteurs. Ik twijfel er niet aan dat hun standpunten telkens oprecht waren. En bovendien nuttig omdat ze ingingen tegen een bepaald conformisme van hun tijd.

In 1971 – nog tijdens de “Trente Glorieuses” [2] – overheerste het modernistisch optimisme. De kapitalistische groei zou ons onherroepelijk naar een beweging van universele vooruitgang leiden, met, op het gebied van onderwijs, de universele intellectuele emancipatie. Baudelot en Establet reageerden in hun boek (van 1971) op dit “pensée unique” (eenheidsdenken) met statistieken die de sociale segregatie in het onderwijs illustreerden. .

In 1989 had het inkrimpen van de economische groei de dromen van de voorgaande decennia teniet gedaan. Het onderwijs was niet gespaard gebleven van zware inleveringen. Een reactionair discours dat het verval van de school toeschreef aan de excessen van haar democratisering was in opgang. Progressieve “experimenten”, zoals het Collège unique [3] in Frankrijk, de Comprehensive School in het Verenigd Koninkrijk, het vso (vernieuwd secundair onderwijs) / Rénové in België…, moesten worden opgegeven. De massale komst van kinderen uit de arbeidersklasse (vooral vanuit de immigratie) op secundaire scholen zou er tot hun onherstelbare afgang geleid hebben. In die context reageerden Baudelot en Establet door te wijzen op de vooruitgang in lezen en rekenen gedurende twee eeuwen.

Helaas voldoen deze antwoorden niet. In 1971 zou het correct zijn geweest om te schrijven dat het gemiddelde beheersingsniveau van basiskennis door arbeiderskinderen sinds Marx aanzienlijk was gestegen. En in 1989 zou het juist zijn geweest te erkennen dat er weliswaar meer leerlingen het baccalaureaat haalden, maar dat hun beheersing van spelling en zinsbouw, de rijkdom van hun woordenschat en hun historische referenties dramatisch waren afgenomen in vergelijking met die van de voorgaande decennia.

De analyses van Baudelot en Establet waren destijds onvolledig en eenzijdig. Ze zijn dat nu nog meer. De kwestie van het “niveau” van het onderwijs is niet onbelangrijk. Ovds heeft besloten om er een van haar belangrijkste campagne-assen voor de komende jaren van te maken, samen met de kwestie van de segregatie.

In het dossier dat u hier zult lezen, gaat Tino Delabie eerst in op de Vlaamse situatie, met o.a. een verwijzing naar het rapport Brinckman. Vervolgens gaan we aan de slag met de Franse socioloog Jean-Pierre Terrail, die ons laat zien waarom en hoe “veel leraren vandaag de dag veroordeeld zijn tot het niet vervullen van een professionele missie die zij hebben gekozen en die hun dierbaar is”. In een derde bijdrage zal ik trachten te analyseren in hoeverre de behoeften van de kapitalistische economie bevorderlijk zijn (geweest) voor een stijging (of daling) van het onderwijsniveau.

Toen wij aankondigden dat Ovds een grote enquête ging houden over het “niveau” van het onderwijs, schreef een vriendin ons, een beetje boos, dat het onderwerp haar “oninteressant” leek: “Dit is niet het meest dringende probleem. Laten we ons veeleer bezig houden met de kinderen uit precaire milieus zodat ze eindelijk op de juiste manier zouden ondersteund en begeleid worden in hun schoolloopbaan”. Ik antwoordde: “Waarom zouden we de strijd voor gelijkheid op school en de strijd voor een ambitieus onderwijs tegenover elkaar stellen?” Met Ovds geloven we dat deze twee gevechten samen moeten worden gevoerd: ambitie en rechtvaardigheid. Omdat wij er zeker van zijn dat alle kinderen in staat zijn een hoog kennisniveau te bereiken. En omdat alleen een dergelijke ambitie de scholen in staat zal stellen te vervullen wat hun essentiële historische opdracht moet worden: burgers te scheppen die in staat zijn de wereld in al zijn dimensies te begrijpen en deel te nemen aan de acties en de strijd die deze wereld veranderen.

Nico Hirtt

Dit artikel verscheen eerder in “De democratische school” (nr. 92, december 2022). Je kan eventueel een abonnement nemen op ons driemaandelijks tijdschrift via deze link. 

Voetnoten 

  1. Het baccalaureaat is in Frankrijk een titel die men behaalt door te slagen in een eindproef op het einde van het secundair onderwijs. Zonder baccalaureaat kan men geen hoger onderwijs starten. Lange tijd was het baccalaureaat voorbehouden aan minder dan vijf procent van de leerlingen.
  2. In Frankrijk (en elders) noemt men de 30 jaren na de tweede wereldoorlog de “glorieuze” jaren omdat de (industriële) wereld toen een relatief grote gemiddelde economische groei kende (die ook een weerslag had op de massificatie van het secundair en hoger onderwijs).
  3. Het collège unique is het grotendeels gemeenschappelijk basisprogramma tijdens de eerste 4 leerjaren van het secundair onderwijs (dat in Frankrijk begint op 11 jaar).

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here