25 jaar geleden: de historische staking van de Franstalige leerkrachten 1996

Facebooktwittermail

 

Begin april 1996 betoogden 30.000 Franstalige leerkrachten in Brussel. Die dag werden de besparingsmaatregelen voor het Franstalig onderwijs in het parlement van de Communauté Française gestemd. Tussen februari en juni 1996 waren er tientallen grote betogingen in Brussel, Luik, Charleroi, Namen, Mons, Louvain-La-Neuve, Nijvel en maandenlange acties en stakingen in talloze scholen. Doelwit waren de besparingen door de Franse gemeenschapsregering van minister-president en minister van Onderwijs Laurette Onkelinx (Parti Socialiste).

De strijd van de Franstalige leerkrachten en hun onderwijsbonden was in meerdere opzichten buitengewoon. Omwille van de omvang, de duur en de hardnekkigheid waarmee de strijd werd volgehouden. Ook omdat grote groepen scholieren en delegaties van studenten, ouders en arbeiders van grote bedrijven (Caterpillar, Forges de Clabecq, Volkswagen, Staalfabrieken in Luik en Charleroi) de leerkrachten tijdens manifestaties vervoegden.

1995-1996: twee schooljaren in een staat van beroering

In het voorjaar van 1995 lanceert Onkelinx een plan om het secundair onderwijs te rationaliseren. Scholen met minder dan 400 leerlingen moeten fusioneren of verdwijnen. Ondanks tal van protestacties, houdt ze voet bij stuk: zij moet nog 3 miljard Belgische frank zien te vinden, wat volgens haar neerkomt op het schrappen van 3.000 banen. Begin 1996 beleeft het Franstalig onderwijs de langste staking uit zijn geschiedenis. Toch gaan 3.000 banen op de schop. Eén op de vijf scholen wordt opgeslokt in een groter geheel.

Op sociaal vlak wordt de pijn verzacht door vervroegd brugpensioen (TBS) voor oudere leerkrachten waardoor banen voor jongeren in stand worden gehouden. De inkrimping van het personeelsbestand is echter een feit … en sindsdien moet elke dag, elke instelling, daar nog de prijs voor betalen.

In het hoger onderwijs slaat dezelfde besparingslogica toe. De PSC-ministers Lebrun en Grafé bundelen de 113 hogescholen in 30 ‘Hautes Ecoles’ met gemiddeld meer dan 2000 studenten. Voortaan ontvangen deze scholen vaste en globale enveloppen om zowel hun personeel te betalen als hun werkingskosten te dekken. Met een bevroren budget! In dezelfde periode worden ook de Vlaamse hogescholen aan de enveloppefinanciering onderworpen. Ook hiervan ondervinden we vandaag nog de desastreuze gevolgen.

Waarom zo’n brede beweging?

De redenen van het felle verzet tegen de maatregelen van Onkelinx en Grafé zijn ongetwijfeld tweeledig. Enerzijds komen de leraren in opstand tegen de zoveelste bezuinigingen: sinds eind jaren ’70, kwam hier immers geen eind aan. Zowel de laatste nationale ministers als hun eerste communautaire collega’s (het Belgische onderwijs werd rond de jaren tachtig stapsgewijze gecommunautariseerd), allen zeggen steeds hetzelfde: besparen! Alsmaar besparingen op de onderwijsmiddelen en keer op keer worden de arbeidsomstandigheden zwaarder: afschaffing van de uren voor klastitularissen en klassenraad, hogere normen voor het inrichten en het behoud van keuzepakketten, besparingen op schoolgebouwen, hogere wekelijkse werklast voor leerkrachten, andere normen met een veel minder gunstige berekening van leraren-uren, enz.

Een andere reden voor de woede van 1996 was – zowel bij leraren als bij leerlingen – dat dit decreet, bovenop de verwoestende effecten van eerdere bezuinigingsmaatregelen, overkwam als de fatale slag voor de kwaliteit van het onderwijs, met name door de beperking van het lerarenbestand en de oprichting van grote scholen, onvermijdelijk ten koste van het humane. De dualisering binnen het onderwijs en binnen de samenleving zou nog worden versterkt.

Een staking die enerzijds heel rijk is… maar ook op een mislukking uitloopt.

Dit aspect van de staking van ’96 moet echt worden benadrukt. Het gaat hier echt om de kwaliteit van het onderwijs. De beledigingen aan het adres van de leraren tijdens de beweging, als ze bijvoorbeeld deelnemen aan stakingspiketten, mogen dan wel steeds van dezelfde aard zijn: “Wat willen ze nog meer, die leraren? Twee maand vakantie, is dat niet voldoende ? Verdienen ze dan niet genoeg voor 20 uurtjes per week?” Hier staat heel wat anders op het spel: het behoud van de werkgelegenheid en dus de omkadering van jongeren en de rol van de school als plek voor sociale emancipatie. Het debat binnen de beweging blijkt zeer vruchtbaar en stelt vast hoe nauw de relatie is tussen de school en de samenleving, en vice versa. Het is trouwens in deze context dat onze Oproep voor een democratische school tot stand komt.

Hoe kon deze staking dan op een mislukking uitlopen? Bovenal is er de onbuigzaamheid van de regering Onkelinx, met de steun van haar meerderheid en van de economische machten. Een houding waarbij geen duimbreed toegegeven wordt, en die zelfs drijft tot de inzet van het leger. Leraren en studenten worden met wapenstokken, brandbommen, cavalerie en traangas achterna gezeten.

De krachtsverhoudingen zijn ook niet bijzonder gunstig. Als in het onderwijs het werk neergelegd wordt, lijdt de portemonnee van de werkgever er niet onder.

Wanneer het decreet op 2 april 1996 wordt gestemd, begint de ontmoediging veld te winnen, ondanks het aanhoudende vuur van protestacties. Al houdt het leidende vakbondstrio Jean-Marie Anciaux (CGSP), Régis Dohogne (CSC), André Lacroix (SEL) stand tot het einde, bij de meest vastberaden militanten wint het gevoel terrein dat zij onvoldoende steun van de vakbonden krijgen. Wellicht ligt dit vooral aan het gebrek aan eenheid met de arbeiderswereld en aan echte steun van de vakbondsstructuren op interprofessioneel niveau.

De plotse aankondiging, zonder enig vooroverleg, van het voorstel van de CEMNL, één van de vier (toenmalige) christelijke onderwijscentrales; zorgt voor verwarring en verdeeldheid: de leraren zouden zelf een deel van de door de ministers gevraagde besparingen subsidiëren door loonsverlaging te aanvaarden in ruil voor het behoud van hun baan. Nog een bron van spanningen binnen de beweging: de naderende examens, en de vraag of men het schooljaar zal opofferen of terug de school zal binnengaan Bij gebrek aan eensgezindheid op dit punt, worden de leraren overgeleverd aan de druk die men zich kan voorstellen. Met het resultaat dat we kennen.

Voor betere dagen

Voor veel stakers is het einde van de beweging in juni 1996, zonder dat de besparingsmaatregelen zijn tegengehouden, een bittere pil. Het elan is gebroken.

Vanuit een historisch perspectief mogen we vandaag minder negatief zijn over het resultaat van de beweging van 1996.De eindeloopbaanregelingen die meteen werden verkregen, namelijk de DVPR (in het Vlaams onderwijs spreekt men van TBS of ter beschikking stelling), een vorm van vervroegd pensioen, zijn in het Franstalig onderwijs vandaag nog altijd van kracht, zij het in afgeslankte vorm. Ter vergelijking: de TBS werd door de Vlaamse regering reeds 20 jaar geleden afgeschaft, weliswaar met overgangsmaatregelen.

De staking van de Franstalige leerkrachten had een grote impact op de politieke wereld. De algemene teneur bij de Franstalige partijen (vooral in de PS) was “nooit meer een lerarenopstand zoals in 1996!” De Parti Socialiste verloor veel krediet en stemmen in de onderwijswereld. Bij de paarsgroene regeringsvorming in 1999 drongen de Franstalige partijen aan op een herfinanciering van het onderwijs. Zelfs de PSC (de Franstalige christendemocraten) stemde vanuit de oppositie mee voor het akkoord St Polycarpe (in Vlaanderen Lambermontakkkoord genaamd) van 2001 dat voor 1 miljard euro extra middelen voor het onderwijs zorgde. Voor het Franstalig én het Vlaams onderwijs. In sommige Vlaamse media werd nogal meewarig geschreven over de “Walen die altijd geld vroegen” en over “stakingen die niets opbrachten”. Maar via het Lambermontakkoord zorgde de staking van de Franstalige leerkrachten er voor dat minister Vandenbroucke honderden miljoenen extra ter beschikking kreeg, o.a. om de werkingsmiddelen in het basis- en secundair onderwijs op te trekken.

Een ander gevolg van de staking van 1996 was dat geen enkele minister van Onderwijs in Franstalig België het nog gewaagd heeft asociale bezuinigingen door te voeren. De Franse Gemeenschap, inmiddels omgedoopt tot Fédération Wallonie Bruxelles (FWB), heeft wel een grote schuld opgebouwd.

Welke lessen kunnen we uit de beweging trekken? Ongetwijfeld de absolute noodzaak om de School altijd in een sociale context te plaatsen. Scholen liggen onder vuur, net als andere overheidsdiensten en de meeste werknemers in de particuliere sector. Om dezelfde reden: meer en meer winst vrijmaken voor een minderheid van rijken. Er is maar één uitweg: samen strijd voeren. Alleen in dat kader kan het onderwijs werkelijk geherfinancierd en rechtvaardiger worden. Dat hadden sommige arbeidersdelegaties in die tijd goed begrepen.

Een actieve minderheid van de leerkrachten bleef na 1996 sociaal en syndicaal actief. Opmerkelijk veel leerkrachten waren in 1997 paraat op de mars voor werk bij Forges de Clabecq of bij betogingen van de arbeiders van Renault of van de bedreigde Waalse staalfabrieken. Sommigen sloten zich aan bij bewegingen als ATTAC (voor een rechtvaardige fiscaliteit) of Aped (Appel pour une école démocratique) of gingen in verzet tegen de gesloten centra voor vreemdelingen. Ze lieten de moed niet zakken. Laat de opgedane ervaring een bron van inspiratie zijn voor de beweging die op komst is…

Philippe Schmetz