De sociale ongelijkheid achter de kampeertoestanden

Facebooktwittermail

De inschrijvingsperiode in de scholen is – letterlijk en figuurlijk stormachtig gestart. In de media kwamen getuigenissen van ouders die, gewapend met een legertentzeil, wachtend aan de schoolpoort het nachtelijk stormweer trotseerden om een plekje te bemachtigen in de school van hun keuze. Een jobstudent haalde het nieuws met de boodschap dat hij 1.000 euro had verdiend door aan de school te kamperen in plaats van een ouderpaar – een gat in de markt voor wie volgend jaar een bijverdienste zoekt?

Alle gekheid op een stokje: die verhalen stellen een ernstig probleem aan de kaak. Ons onderwijssysteem is zodanig aan het vermarkten dat er perverse mechanismen ontstaan. In het geval van de jobstudent zou je haast kunnen spreken van een ‘zwarte markt’ in de publieke dienstverlening. Gazet van Antwerpen stelt daarbij terecht de vraag naar wie het zich kan permitteren om dag en nacht voor de schoolpoort te kamperen (alleenstaande ouders bijvoorbeeld) of een jobstudent te betalen.

Achter de kampeerverhalen schuilt een bloedernstig probleem van sociale ongelijkheid dat het functioneren van de welvaartsstaat in vraag stelt.
België is binnen de rijke westerse wereld de kampioen van de onderwijsvermarkting. Samen met Nederland hebben we veruit het grootste marktaandeel van het privaat georganiseerde (lees: vrije) onderwijs. Nergens, ook niet in Nederland of in het Verenigd Koninkrijk, vind je dezelfde combinatie van vrijheid van onderwijs aan de aanbodzijde (vrije oprichting van scholen, vrije pedagogische aanpak, afwezigheid van een nationaal curriculum) en vrije schoolkeuze aan de vraagzijde. Warempel een soort markt dus. Het grote verschil met een écht vrije markt is – gelukkig – dat het prijsmechanisme uitgeschakeld is. De wetgeving op dat vlak wordt door minister Vandenbroucke zelfs verstrengd, om te voorkomen dat elitescholen nóg elitairder worden door de bijdragen van ouders op te trekken.

Maar de uitschakeling van het prijsmechanisme belet niet dat er zich op de scholenmarkt een bikkelharde concurrentie afspeelt. Want de overheid subsidieert de scholen per leerling, waardoor scholen verplicht zijn om te dingen naar de gunst van ouders. Dat doen ze vooral door zich te profileren met kwalitatief uitstekend onderwijs, een positief schoolklimaat en een uitstekende zorg voor leerlingen. Goede scholen kennen succes en trekken steeds meer leerlingen aan, terwijl scholen van bedenkelijke kwaliteit doodbloeden bij gebrek aan inschrijvingen. Op het eerste gezicht zou je denken dat dit een ideale manier is om je onderwijs (of elke vorm van publieke dienstverlening) te organiseren. Niet voor niets scoort het Vlaams onderwijs telkens weer bij de absolute wereldtop in internationale vergelijkingen.

Maar dit soort van bijna-marktwerking heeft ook erg kwalijke neveneffecten. Scholen kunnen zich immers ook profileren – en klanten werven – door de beste en kansrijke leerlingen binnen te rijven, met andere woorden de markt af te romen. Zo verhoogt hun reputatie vanzelf. Als het niet mag door hoge inschrijvingsgelden kan het nog altijd door andere selectiemechanismen zoals B-attesten voor zwakke presteerders, hoofddoekenverboden, tuchtmaatregelen en intellectuele drempels. Zo krijg je op de duur een polarisatie tussen elitescholen en gettoscholen. Niet voor niets kent Vlaanderen ook de grootste tussenschoolse verschillen in gemiddelde leerlingprestaties. Hebben we dat ook gewild?

De kampeertoestanden aan de schoolpoort hebben het voordeel dat ze de publieke opinie wakker schudden omtrent dit probleem. Minister Vandenbroucke stelt voor om de uitwassen weg te werken door te experimenteren met callcenters, ticketsystemen en dergelijke. Zijn persmededeling laat echter doorschemeren dat hij goed beseft dat dit eigenlijk slechts symptoombestrijding is: “(de minister) is daarom bereid naar structurele oplossingen te zoeken. Voorafgaand aan zulke structurele oplossingen lijkt het aangewezen om binnen een beperkt tijdsbestek de mogelijkheid te voorzien om met enkele verschillende werkwijzen te experimenteren.” Callcenters en ticketsystemen zullen de nachtrust van ouders ten goede komen en het ontstaan van een lucratieve markt voor jobstudenten beletten. Maar ze zullen niet volstaan om de ongelijke kwaliteit tussen scholen en de onderliggende sociale polarisatie in het Vlaams onderwijs aan banden te leggen. Daarvoor zijn radicalere ingrepen nodig.

Moeten we de heilige koeien van het Schoolpact opnieuw in vraag stellen? Moeten we de vrijheid van onderwijs inperken, of de ouders het recht ontzeggen om de beste school voor hun kinderen te kiezen? Geen enkele politicus zal zo dom zijn. Maar het wordt hoog tijd om het recht op kwaliteitsvol onderwijs voor elke leerling, ongeacht zijn sociale afkomst, levensbeschouwing of (vermeende) talenten, voorrang te geven op marktprincipes. Laat ons even enkele fundamentele vragen stellen: is het een beschaafd land waardig dat kinderen van twaalf jaar gesorteerd worden op basis van hun schoolprestaties, omdat bepaalde scholen liever met sterke leerlingen werken? (Nochtans is dit een courante praktijk in het secundair onderwijs). Is het in een multiculturele samenleving van de eenentwintigste eeuw duldbaar dat moslimkinderen in 70 procent van de scholen niet onderwezen kunnen worden in hun eigen godsdienst? Is het gepermitteerd dat klassen in elitescholen in het eerste leerjaar starten met vijfentwintig leerlingen en in het zesde jaar eindigen met de beste zeven? Of omgekeerd: dat gettoscholen om den brode blij moeten zijn met elke leerling die elders wordt weggestuurd?

De strijd om een goede school voor onze kinderen moet een strijd zijn voor alle kinderen. Daarom moet de marktwerking in het onderwijs aan strenge regels onderworpen worden. Niet de ouders moeten aangepakt worden; wel de schrijnende ongelijkheid tussen scholen”.

Ides Nicaise

Dit opiniestuk verscheen in De Morgen van 4 maart 2008

Ides Nicaise is docent onderwijseconomie aan de KU Leuven en coauteur van het bij EPO verschenen boek De school van de ongelijkheid.