CAO VIII goedgekeurd door COC

Facebooktwittermail

Op vrijdag 29 september keurde het Nationaal Comité van COC het ontwerp van achtste Vlaamse onderwijscao goed. Eerder gebeurde dit al door onze zusterorganisatie, het COV. De socialistische onderwijsvakbond keurde het ontwerp af. De liberale vakbond gaat er wel mee akkoord, maar wil eerst een zeer specifiek dispuut met de onderwijsminister uitgeklaard hebben vooraleer de cao te ondertekenen.

Dat COC dit ontwerp van cao goedkeurt, wil niet zeggen dat er over dit ontwerp geen negatieve dingen zijn gezegd of te zeggen zijn. Ook de afwijzing door ACOD vraagt om een reactie.

Motivering nationaal comité

Voor het Nationaal Comité van COC was het duidelijk dat het ontwerp van cao verschillende maatregelen bevat die als positief moeten beoordeeld worden (voor een volledig overzicht: zie Brandpunt 1 of www.coc.be). Enerzijds zijn dit maatregelen die voor alle onderwijsniveaus en -sectoren gelden, anderzijds maatregelen die specifiek op een bepaald ondewijsniveau of -secor gericht zijn.

Voorbeelden van positieve sectoroverstijgende maatregelen zijn:

– de verhoging van het vakantiegeld;

– de verhoging van de lagere lonen;

– de verbetering van het stelsel loopbaanonderbreking

– een beter sociaal statuut voor de tijdelijke administratief personeelsleden

– een sluitende beroepsregeling bij negatieve evaluatie…

Voorbeelden van positieve sectorgebonden maatregelen zijn:

– de gevoelige verhoging van de administratieve omkadering in het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs;

– meer middelen voor zorg in het basisonderwijs;

– meer middelen voor een beleid inzake functie- en taakdifferentiatie in het secundair onderwijs;

– meer ondersteunend personeel in het buitengewoon onderwijs;

– de oplossing van een aantal anomalieën in de centra voor leerlingenbegeleiding…

Het Nationaal Comité stelde vast dat het ontwerp van CAO VIII ook minpunten bevat. Zo werd er in bepaalde belangrijke kwesties geen enkele vooruitgang geboekt en zijn niet alle maatregelen voor 100% geslaagd.

Voorbeelden van minpunten zijn:

– nog steeds geen enkel onderwijsniveau krijgt de omkadering waarop het wettelijk recht heeft en de besparing op de lesurenpakketten loopt dus nog steeds verder;

– er is geen sprake van een vermindering van de lesopdracht van de onderwijzers en de praktijkleraars;

– de CLB-personeelsleden worden krijgen nog steeds niet dezelfde rechten als de andere onderwijspersoneelsleden wanneer zij op 58 jaar gebruik maken van de uitstapregeling;

– de verhoging van de lonen van een aantal directieambten is beperkt gebleven tot (de grotere scholen van) het basisonderwijs en het secundair onderwijs – o.a. de internaatbeheerders, de directeurs van de kleinere basisscholen en secundaire scholen en de directeurs van de scholen voor volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs blijven in de kou staan…

Afwijzing door ACOD

Het kan misschien verwondering wekken dat COC en COV het ontwerp van CAO VIII goedkeurden, en dat ACOD dat niet deed.

In het persbericht dat ACOD daarover verspreidde, werden de belangrijkste bezwaren op een rijtje gezet:

– de invoering van de schoolopdracht, via de functiebeschrijving, zal leiden tot een taakverzwaring;

– er komt geen wijziging in de aanwendingspercentages, de besparingen in alle niveaus blijven;

– de verhoging van het vakantiegeld naar 92 % duurt te lang;

– 20 % van de directies basisonderwijs (alsook de directeurs CVO en DKO en hun inspectie) blijven in de kou staan en en ook een heleboel andere personeelsleden in selectie- en bevorde-ringsambten krijgen geen loonsverhoging;

– het systematisch uithollen van de perequatie;

– er komen geen bijkomende uren lichamelijke opvoeding in het lager onderwijs en dus geen concrete werkdrukvermindering;

– talrijke maatregelen zijn specifiek in het voordeel van het vrij onderwijs;

– te veel geld van de cao gaat naar beleidsmaatregelen van de minister.

Op de belangrijkste van die thema’s gaan we even dieper in.

Personeel krijgt meer bescherming en meer inspraak

Volgens ACOD wordt via CAO VIII de schoolopdracht ingevoerd via de functiebe-schrijving, wat dus zou leiden tot een taakverzwaring van het personeel. Dit was voor ACOD duidelijk de belangrijkste reden om het ontwerp van cao niet te aanvaarden. Deze stellingname is echter manifest onjuist. Het onderwijspersoneel zal door de uit-voering van CAO VIII immers juist méér bescherming en inspraak krijgen als het over opdrachten gaat.

1/ Vooreerst wordt er best gezwegen over ‘het invoeren van de schoolopdracht’, want het begrip ‘schoolopdracht’ heeft al vele ladingen gedekt. Is dit een opdracht die de perso-neelsleden verplicht om 36 of 38 uur op school aanwezig te zijn? Of is dit een opdracht waarin de zwaarte van iedere les en/of activiteit op een of andere manier wordt gemeten zodat een bepaald personeelslid met een lesopdracht van 18 uur voldoende heeft om een FT-opdracht te hebben en een ander personeelslid hiervoor 24 uur moet presteren? Of is dit nog iets anders?
Door het begrip functiebeschrijving uit te diepen, wordt dé schoolopdracht dus zeker al niet ingevoerd, want het begrip ‘schoolopdracht’ is niet gedefinieerd.

2/ Vervolgens weet ook ACOD dat het begrip ‘functiebeschrijving’ al in de decreten rechtspositie ingevoerd werd in 1998. In deze decreten staat nu al letterlijk het volgende: “Personeelslid en evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren.” Deze passage stelt, sinds 1998, dus zeer duidelijk dat iedere functiebeschrijving enerzijds de taken en anderzijds de instellingsgebonden opdrachten van de personeelsleden moet bevatten. Ook de wijze waarop deze taken en opdrachten moeten uitgevoerd worden, moet vastgelegd worden.

3/ CAO VIII voert de functiebeschrijving dus niet in, die was al ingevoerd. CAO VIII con-cretiseert wel de nu bestaande definitie van functiebeschrijving en dit voor de leraars van het secundair onderwijs. Deze concretisering bestaat erin dat de woorden ’taken’ en ‘in-stellingsgebonden opdrachten’ nu worden omschreven, wat tot nu toe niet het geval was.

Met “taken” worden die taken bedoeld die onlosmakelijk verbonden zijn met het ambt van leraar: de planning en voorbereiding van de lessen, het lesgeven zelf, de klaseigen leerlingenbegeleiding, de evaluatie van de leerlingen (toetsen, taken, examens, proeven), de na-scholing, het overleg en de samenwerking met directie (personeelsvergaderingen, pedago-gische studiedagen), collega’s (klassenraden en vakvergaderingen) en ouders (oudercon-tacten). COC is van mening dat die taken niet betwist kunnen worden.

Als voorbeelden van instellingsgebonden opdrachten worden vermeld: het opnemen van verantwoordelijkheden die het les- of klasgebeuren overschrijden (vakverantwoordelijke, organisatie culturele en andere activiteiten, klassendirectie…); het opnemen van een of andere specifieke rol of opdracht (onthaal nieuwe leerlingen, mentorschap, coördinatiefuncties…), het vervangen van afwezige leraars en het houden van aanvullend toezicht, de ver-tegenwoordiging in schoolexterne organen… COC geeft toe dat deze taken kunnen betwist worden.

Mààr: ook zonder CAO VIII konden deze opdrachten opgelegd worden! In de decreten rechspositie stond niet wat het begrip ‘instellingsgebonden opdrachten’ precies betekende. En dus konden de directies die volledig vrij invullen. Door CAO VIII wordt die volledige vrijheid nu aan banden gelegd.
Nu al voeren leraars tal van die instellingsgebonden opdrachten uit. Soms omdat zij spontaan vinden dat leraar zijn meer is dan lesgeven alleen. Soms omdat ze verplicht worden die taken uit te voeren, via de bestaande functiebeschrijvingen, of door de arbeidsovereenkomst, of door interne overeenkomsten…

Met andere woorden: de cao afkeuren omdat de instellingsgebonden opdrachten voortaan zullen omschreven worden in de functiebeschrijvingen, gaat totaal voorbij aan de realiteit. De realiteit van de decreten rechtspositie sinds 1998, van een ‘Algemeen Reglement van het personeel van het katholiek onderwijs’… En de realiteit van het veld, van de praktijk.

4/ Het enige wat CAO VIII doet, is omschrijven wat nu uiterst vaag is. De totale vrijheid van nu aan banden leggen. Garanties inbouwen voor het personeel, de inspraak regelen.
Het is dus zeker niet de bedoeling dat de taken van de modale leraar worden uitgebreid, wèl dat er een mogelijkheid bestaat om de bijkomende taken te verdelen zodat er een min of meer gelijke taakbelasting ontstaat.

Zo moet de lijst van de instellingsgebonden opdrachten worden opgemaakt door de directeur en onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité. Er moet bepaald worden welke instellingsgebonden opdrachten eerder beleidsondersteunend zijn én tegenover deze opdrachten moeten in principe ondersteunende omkaderingselementen worden geplaatst (BPT-uren, uren beleidsondersteuning, mentoruren…). De criteria die zullen worden gebruikt om deze opdrachten te kwalificeren en ze te verdelen onder de in dienst zijnde per-soneelsleden, alsook de criteria voor de verdeling van de omkaderingselementen, moeten ook onderhandeld worden in het lokaal comité.

Als garantie voor de personeelsleden werd ook overeengekomen dat de inrichtende macht bij het verdelen van de instellings- en beleidsondersteunende taken tussen alle personeelsleden rekening moet houden met o.a.:

– de (aard van de) hoofdopdracht van de personeelsleden in de instelling, het voltijds of deeltijds karakter ervan en met de tijd die hieraan besteed wordt;

– het principe van de billijke verdeling van de taken, vooral met betrekking tot personeelsleden die nog in andere instellingen werkzaam zijn;

– de mogelijkheden en capaciteiten van de personeelsleden.

De bewering van ACOD dat de bepalingen van CAO VIII aanleiding zullen geven tot taakverzwaring, is dus manifest onjuist. Iedere objectieve waarnemer kan niet anders dan beamen dat de bepalingen van CAO VIII niet minder, maar juist meer rechtsbescherming voor de personeelsleden inhouden.

Zonder CAO VIII was er geen omschrijving van het begrip ‘instellingsgebonden opdrach-ten’, door CAO VIII is deze omschrijving er wel.
Zonder CAO VIII was er minder ruimte voor inspraak en meer ruimte voor willekeur, met CAO VIII is er meer ruimte voor inspraak en minder voor willekeur.
Zonder CAO VIII moest de directie bij het vastleggen van de instellingsgebonden opdrach-ten geen rekening houden met de opdracht, de capaciteiten, de mogelijkheden en de andere taken van de personeelsleden, dankzij CAO VIII moet de directie dat wel doen.

Verhoging van het vakantiegeld

Volgens ACOD duurt het te lang (nl. tot 2011) vooraleer het vakantiegeld voor iedereen gelijk zal zijn aan 92% van het maandloon.
Ook COC had gewenst dat deze verhoging vlugger zou doorgevoerd worden. Maar men kan er niet omheen dat alle onderwijsvakbonden (ook ACOD!) nu bijna één jaar geleden aan de onderwijsminister zelf voorgesteld hebben de verhoging van het vakantiegeld te spreiden over de periode 2006-2011, met dien verstande dat iedereen in 2009 een vakantiegeld zou hebben dat gelijk zou zijn aan minstens 65% van het maandloon.

Enerzijds was dit om uit de bestaande impasse te geraken (de minister wou immers niet weten van een verhoging tot 92 %) en anderzijds omdat intersectoraal was overeengekomen dat ten laatste in 2009 het vakantiegeld gelijk zou zijn aan 65% van het maandloon.
Het is pas nadat de minister ingegaan was op het gezamenlijk voorstel van de vakbonden dat de echte onderhandelingen zijn kunnen opstarten. Nu stellen dat het vakantiegeld te laat de 92% van het maandloon bereikt, staat gelijk met het ontkennen van hoe het ontwerp van cao is kunnen tot stand komen.

Verloning van de directeurs

Door CAO VIII stijgen de lonen van o.a. een aantal directeurs en adjunct-directeurs. In principe is dat het geval voor de directeurs van het basisonderwijs en de directeurs en adjunct-directeurs van het secundair onderwijs. Maar binnen deze onderwijsniveaus is er geen loons-verhoging voor de directeurs van (kleinere) scholen waar de directeur nog belast is met een lesopdracht. Deze directeurs krijgen een vermindering van die lesopdracht.
Het voorgaande betekent ook dat er geen loonsverhoging is voor de directeurs (en adjunct-directeurs) van het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs en geen loonsver-hoging voor de internaatbeheerders.
Het was te verwachten dat deze cao-bepalingen kwaad bloed zouden zetten bij wie geen loonsverhoging zou krijgen.

Uiteraard krijgen ook de vakbonden er daarbij van langs. Dat laatste is terecht, want door te stellen dat men een ontwerp van cao gaat verdedigen, draagt men ook de verantwoordelijkheid voor dit ontwerp. Niet alleen voor wat in het ontwerp staat, maar ook voor wat er niet in staat.
Het moet duidelijk zijn dat een loonsverhoging voor àlle titularissen van een selectie- en bevorderingsambt in het eisencahier stond van de vakbonden, en dus ook onze wens was. Wij hebben dus begrip voor de wrevel. Tijdens de onderhandelingen bleek echter dat de inwilliging van deze eis onhaalbaar was, zoals trouwens ook verschillende andere eisen.

Waarom heeft COC dit ontwerp dan toch verdedigd? Omdat een cao altijd ook een compromis is. Omdat er bij het afsluiten van een cao keuzes moeten gemaakt worden en dat is nog meer het geval als de enveloppe beperkt is. COC heeft keuzes gemaakt. COC gaf voorrang aan een ruimere administratieve omkadering voor het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs en gaf voorrang aan een betere omkadering voor de gesubsidieerde vrije internaten. Dit ook in de wetenschap dat deze betere omkadering een vermindering van de werkdruk voor de betrokken directeurs tot gevolg moet hebben.

Wat de kleinere scholen van het basisonderwijs betreft, moet het ook duidelijk zijn dat de directeurs van alle basisscholen door de vroeger afgesloten cao’s niet misbedeeld werden. Sommigen onder hen hebben een loonsverhoging gekregen die opliep tot meer dan 25%. Blijkbaar is men dat inmiddels vergeten.

Sommige directeurs stellen dat deze cao de differentiële verloning in het onderwijs invoert. Dit is onzin. Zulke differentiële verloning bestaat nu ook al. Niet alleen een differentiële verloning volgens diploma, maar ook een differentiële verloning volgens schoolgrootte. Of dat laatste een correct criterium is, is een andere vraag. Naast de schoolgrootte zijn er immers nog tal van andere zaken die een job zwaar kunnen maken (aantal vestigingsplaatsen, aantal ‘kansarme’ leerlingen, de omkadering…).

Een aantal directeurs van het secundair onderwijs doet de loonsverhoging af als te weinig. Zij hadden meer verwacht. Ook hun reactie is te begrijpen, want zeker op het einde van de loop-baan is de loonsverhoging niet groot (2 %). Deze loonsverhoging is wel beduidend groter voor de directeurs die het maximum van hun weddenschaal nog niet hebben bereikt.
Ten gronde echter moeten deze directeurs zich ook eens bezinnen over enkele vragen. Is alleen hun job zwaarder geworden of misschien toch ook die van de andere personeelsleden? Hebben zij niet meer als anderen de mogelijkheid om een deel van wat in feite hun job is, te delegeren naar andere personeelsleden die deze job dan uitoefenen zonder hiervoor extra ver-loond te worden? Durven zij echt open te zijn over het aantal punten en/of lesuren die gaan naar jobs die maken dat hun taak minder zwaar wordt? En hebben zij al eens berekend wat de verhoging van het vakantiegeld voor hen betekent?
Deze vragen nemen niet weg dat COC ook geijverd heeft voor hun loonsverhoging in de overtuiging dat ook de functie van directeur beduidend zwaarder is geworden.

Te veel beleid, te weinig cao

Van bij de start van de onderhandelingen was het duidelijk dat de onderwijsminister deze cao ook zou gebruiken om een stuk eigen beleid te realiseren. In de grond is daar zelfs niets mis mee, want het is niet per definitie zo dat het eigen beleid van een minister en een visie van de vakbonden niet kunnen samengaan.

Zo waren de vakbonden – net als de minister – vragende partij voor middelen voor mentorschap. Ook de minister wilde een loonsverhoging geven aan (sommige) directeurs.
Alle onderwijsvakbonden hebben zelfs aan de minister gevrààgd om een aantal van zijn be-leidspunten in de cao te brengen omdat zij personeelsrepercussies hadden.

Een nog beter voorbeeld is de evaluatieregeling. De minister wilde het sluitstuk van de evaluatieregeling – de beroepsregeling bij een evaluatie ‘onvoldoende’ – in de cao regelen. Dat was ook een deel van zijn beleid en deze regeling – die mag gezien worden – werd in deze cao uit-gewerkt. Géén cao betekent ook dat deze nieuwe regeling er niet zal zijn. Dit zou jammer zijn voor de personeelsleden, want het zijn net deze nieuwe bepalingen die aan de personeelsleden een grote rechtsbescherming bieden.

En er zijn nog voorbeelden van hoe ‘beleid van de minister’ en ‘eisen van de vakbonden’ parallel kunnen lopen. Moet het voorzien van middelen voor een zorgbeleid in het basisonderwijs afgewezen worden omdat het de minister is die deze middelen wenste te voorzien? En de middelen voor het secundair onderwijs? Komen die niet ook tegemoet aan een eis van de vakbonden?

Uiteindelijke visie van COC

COC heeft het ontwerp van CAO VIII goedgekeurd omdat het een meer dan eerbaar com-promis is tussen enerzijds de eisen van de vakbonden en anderzijds de visie van minister Vandenbroucke.

COC had dit ontwerp van cao ook kunnen afwijzen. Argumenten hiervoor lagen voor het grijpen. Een voldoende én ernstige reden hiervoor zou al kunnen geweest zijn dat deze cao de besparingen in het onderwijs intact laat. De eerlijkheid gebiedt dan echter dat COC de onderhandelingstafel vroeger had moeten verlaten. Het was immers vrij vlug duidelijk dat het in deze cao ondoenbaar was om de besparingen op de lesurenpakketten ongedaan te maken.

COC heeft uit deze onderhandelingen echter gehaald wat er uit te halen was. Veel van wat COC wenste, maar verre van alles. COC is er echter van overtuigd dat onze leden van deze cao beter zullen worden. Het ene lid al wat beter dan het andere, maar de kern van een vakbond, de kern van een cao is de solidariteit. Een solidariteit tussen personen en een solidariteit tussen onderwijsniveaus.
Een cao mag dan ook niet bekeken worden vanuit de visie ‘heb ik er iets aan?’, maar wel vanuit de vraag of alle maatregelen samen een evenwichtig geheel vormen. COC heeft op deze vraag met een grote meerderheid ‘ja’ geantwoord. COC heeft haar verantwoordelijkheid genomen en gelooft dus in deze cao.

COC zal er wel over waken dat deze cao wordt uitgevoerd zoals overeengekomen. Als zou blijken dat deze cao alleen een papiertje zou zijn dat de ‘sociale vrede’ moet bewaren, dan zal COC reageren zoals een vakbond dat hoort te doen.

Jos Van Der Hoeven

(overgenomen uit maandblad van COC ‘ Brandpunt ‘, oktober 2006)

Webstek van COC (ACV-onderwijs):

www.coc.be