Panel op de 6 uren bezorgd om duaal leren

Facebooktwittergoogle_plusmail

Voor een aantal beroepen is duaal leren de evidentie zelf. In verpleegkunde leren we al meer dan 100 jaar op de werkvloer. En wie wil er op de operatietafel bij een chirurg die tot voor kort enkel op poppen oefende?

Vandaag lopen er proefprojecten om vormen van duaal leren in de arbeidsmarktgerichte opleidingen in het secundair onderwijs in te voeren. Er is een politieke consensus: het duaal leren moet er komen.

Ovds is sterk geïnteresseerd in de evoluties rond het duaal leren. We zien de meerwaarde in van het leren op de werkvloer, en vinden het spijtig dat niet elke leerling die kans krijgt als deel van een brede en polytechnische vorming. Tegelijk vragen we ons af of het duaal leren zoals het momenteel in Vlaanderen in enkele proefprojecten wordt uitgeprobeerd, ook echt tegemoet komt aan de verwachtingen. In een vorig nummer van De Democratische School ging Peter De Koning al dieper in op het Duitse systeem, en vergeleek hij het met de plannen in Vlaanderen. Het lag dan ook voor de hand om op de 6 uren voor de democratische school een workshop te organiseren over duaal leren. In het panel vonden we onderwijsmakers die betrokken zijn bij de proefprojecten, en vakbondsmensen: Guy Duchène (coördinator duaal leren Spectrumschool Deurne), Dirk Kops (TSM Mechelen), Koen Wils (secretaris secundair onderwijs COC) en Nancy Libert (ACOD-onderwijs).

Leren-en-werken of duaal leren?

We moeten een onderscheid maken tussen het duaal leren, en de stelsels van leren-en-werken die vandaag bestaan in onder andere het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) en in de leertijd bij Syntra.

Leren-en-werken heeft zijn reputatie tegen. Fons Leroy (VDAB) noemde het wel eens ‘leren-en-thuiszitten’. Maar leren-en-werken is wel een onderwijsvorm die aan een specifieke vraag van de leerlingen tegemoet komt. Leerlingen die liever werken dan leren, soms omdat ze het inkomen nodig hebben om het gezin waarin ze opgroeien te ondersteunen.

Duaal leren is een voltijds leertraject. Wat je op de werkvloer doet is niet ‘werken’ maar ‘leren’. Het traject in het bedrijf is verplicht. Wie geen plek in een bedrijf vindt, kan niet in duaal leren meedraaien. De leerling krijgt op het einde van het traject dan ook een diploma voltijds secundair onderwijs.

Het beoogd publiek verschilt dus wezenlijk. Toch moet duaal leren het leren-en-werken vervangen. Verschillende leden van het panel en het publiek vrezen dat er leerlingen in de kou blijven staan.

Koen Wils merkt op dat de overheid zich met duaal leren eigenlijk op het pad van de pedagogische methode begeeft. De overheid bepaalt niet enkel het ‘wat’, maar ook het ‘hoe’ van de opleiding. Wils vindt de stilte van de onderwijsnetten en -koepels daarover verbazend. Temeer omdat het volgens hem niet de minister van onderwijs is die dit ‘hoe’ bepaalt, maar wel de minister van werk, Philippe Muyters (N-VA).

De rol van het bedrijf en van de school

Als duaal leren leren op de werkvloer is, dan vraagt dat veel van het bedrijf en de arbeidsmarktsector. Het bedrijf neemt tot 60% van de lesbevoegdheid van de school over.

Om te beginnen moet een opleidingsprofiel worden uitgetekend dat interessant is voor de leerling, dat tegemoet komt aan de vragen van de sector, en dat zwaar genoeg weegt om er een diploma secundair onderwijs aan te koppelen, minstens op niveau 3 van de Vlaamse Kwalificatiestructuur.

Welk bedrijf kan echter een stage aanbieden waarbij alle competenties van een beroep aan bod komen? Zo zit de echte arbeidsmarkt niet in elkaar. Legt de leerling dan een parcours af langs verschillende functies in een bedrijf, of zelf langs verschillende bedrijven?

Dirk Kops ziet belangrijke verschillen tussen de sectoren. Soms heeft een school ook betere relaties met de bedrijven zelf dan met de sectororganisatie. Hopelijk zien de sectoren in dat de stagiairs in duaal leren geen goedkope arbeidskrachten zijn, maar leerlingen die erop rekenen veel te kunnen leren.

Duaal leren vraagt dan ook veel inspanningen van de school. Die volgt de stage op, en vult zowel algemene vakken in, als de technische competenties die de leerling niet op zijn bedrijfsstage verwerft. Volgens Guy Duchène ontbreken de middelen daarvoor.

Koen Wils voegt er nog een pertinente vraag aan de politiek aan toe. Als we in het onderwijs zoveel aandacht aan inclusie besteden, gaan de arbeidsmarktsectoren dan volgen? Krijgen we een M-decreet voor de bedrijven?

De rol van de mentor

Als duaal leren dan werkelijk leren op de werkvloer is, betekent dat ook dat er een leraar aanwezig is, de mentor. Ook de mentor moet opgeleid worden. Zal elk bedrijf even ernstig met het mentorschap omgaan? Wat als de mentor de jongste medewerker van het bedrijf blijkt te zijn? Wat als een geschikte mentor plots wegvalt door ziekte of omdat hij ander werk aanneemt?

De mentoren zijn in de eerste plaats specialisten van hun vak. Het zijn, volgens Dirk Kops, geen pedagogen of papiervreters. Toch zullen ze veel tijd moeten steken in de opvolging van hun stagiairs.

Guy Duchène stelt dat de mentoren ook een plaats in de klassenraad zouden moeten hebben. In praktijk blijken de mentoren daar niet toe bereid. Nancy Libert vult aan dat aanwezigheid op de klassenraad ook betekent dat je je aan het beroepsgeheim moet houden. Ook dat is niet evident voor een mentor.

Het huidige concept van mentor is volgens Koen Wils niet aangepast aan de realiteit. Een federatie als Fabricom zal het concept nog wel op een degelijke manier kunnen invullen, maar wat met de kapper of het bouwbedrijf? Vlaanderen is immers een KMO-economie met alle beperkingen vandien qua sectoren en hun inplanting. Volgens Guy Duchène redeneert het departement Werk, dat het duaal leren samen met het onderwijs uittekent, vanuit een economische invalshoek, zonder pedagogische insteek.

Duaal leren tot aan het diploma?

Duaal leren kan ook een manier zijn voor de bedrijven om werknemers te rekruteren. Volgens Nancy Libert gebeurt dat vandaag al in het klassieke BSO. Volgens Guy Duchène is dat begrijpelijk. Het diploma geeft geen garantie op een beter inkomen. Leerlingen denken commercieel. Ze besluiten soms om werk aan te nemen, en later hun diploma te halen via het secundair volwassenenonderwijs of de examencommissie.

Koen Wils zegt dat leerlingen in het BSO vaak vlot aan hun eerste job geraken. Het probleem situeert zich eerder enkele jaren later, als ze door herorganisaties opnieuw op zoek moeten naar een baan. Dan blijken ze moeilijk inpasbaar in een ander bedrijf. Met duaal leren, helemaal toegespitst op dat ene bedrijf waar een leerling stage volgt, zal dat nog erger zijn.

Het zijn vooral de zwakke leerlingen die kiezen voor het duaal leren, omdat het verdient. Nochtans mogen centen geen motivatie worden om duaal leren te doen. We moeten hier voorzichtig te werk gaan, vindt Koen Wils, want leren heeft voorrang.

Meerwaarde voor de maatschappij

Het valt op dat het panel een grote bezorgdheid heeft over het duaal leren. Toch willen ze het de kansen geven die het verdient. Beide onderwijsmakers in het panel zijn dan ook betrokken bij de proefprojecten. Guy Duchène vindt het een mooie kans voor jongeren om vanuit een achterstandspositie ervaring op te doen. Hij wil dan ook met zijn school voorop lopen in het duaal leren, om het mee vorm te geven.

Het mag volgens ons panel ook wel eens gaan over de maatschappelijke meerwaarde die de leerlingen in arbeidsmarktgerichte opleidingen bieden. Ze leveren zoveel op aan de maatschappij. Waarom moet het duaal leren dan met zo weinig middelen uitgebouwd worden?

Volgens Koen Wils zijn er extra lestijden nodig voor het duaal leren: het overleg met het bedrijf en het opstellen van een individueel opleidingsplan zijn heel arbeidsintensief. Ondanks de grote impact zijn hiervoor geen extra middelen voorzien. Vooral voor kleine scholen zal dit een probleem worden, omdat zijn onmogelijk een breed scala aan sectoren kunnen coveren.

Helaas is het duaal leren geen herwaardering van het beroepsonderwijs. het is zelfs niet denkbeeldig dat het de ongekwalificeerde uitval zal doen toenemen.

Het mag volgens ons panel ook wel eens gaan over de maatschappelijke meerwaarde die de leerlingen in arbeidsmarktgerichte opleiding bieden. Ze leveren zoveel op aan de maatschappij. Waarom moet het duaal leren dan met zo weinig middelen uitgebouwd worden?