Maak werk van echte onderwijshervorming!

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het is geen toeval dat minister Crevits niet langer van een hervorming van het secundair spreekt, maar van een modernisering. Wat vorige week is overeengekomen binnen de Vlaamse regering, is slechts een flauwe afdruk van het al afgezwakte masterplan van de vorige regering.

In de eerste plaats dit: onze reactie baseert zich op de (onvolledige) wervende persmededeling en op een aanvullende presentatie, beide terugvonden op de website van minister Crevits. De complete nota is op dit moment immers nog niet beschikbaar.

In een vorig artikel legde ik uit waarom een hervorming van het secundair echt wel nodig is. Er zijn goeie redenen te over om het secundair te hervormen, dringende redenen zelfs. Helaas zal de modernisering die minister Crevits nu voorstelt deze redenen niet wegnemen. Ook aan de belangrijkste grond voor een hervorming, de vroegtijdige studiekeuze, wordt niet geraakt.

Keuze-uren

Er komt geen brede eerste graad. De A-stroom en de B-stroom blijven bestaan. Onder het motto ’versterken, verdiepen & verkennen’ krijgen leerlingen in het eerste jaar 5 en in het tweede jaar 7 keuze-uren. Aangezien deze keuze-uren (verplicht) kunnen worden ingevuld door remediëring, en het aantal uren algemene vorming in het tweede jaar wordt uitgebreid, spreekt men van versterking. Maar deze keuze-uren kunnen ook worden aangewend voor ’verdieping of voor de verkenning van een aantal vakken.’ Dit alles in het teken van ’een sterkere schoolloopbaan zodat meer leerlingen een kwalificatie halen’.

Een positief punt is, op het eerste zicht, dat leerlingen de basisoptie voor het secundair pas zullen moeten kiezen in het tweede jaar (in plaats van het eerste nu). In principe wordt de studiekeuze dus met een jaar uitgesteld. Maar zoals het er nu uitziet kunnen scholen de 5 keuze-uren in het eerste jaar vrij invullen. In het basisonderwijs zullen er bovendien proeftuinen differentiatie worden ingericht vanaf het vijfde leerjaar.

Het is begrijpelijk dat Groen-parlementslid Elisabeth Meuleman vreest dat in deze context kinderen en ouders nog sneller dan nu het geval is een studiekeuze zullen maken. Uiteindelijk wordt de studiekeuze dan niet opgeschoven naar 14 jaar, wat het initiële uitgangspunt van de hervorming was, maar de facto vervroegd. De hoop dat deze nieuwe benadering het zittenblijven en de schooluitval zal terugdringen, lijkt ons bovendien voorbarig en ongegrond.

Scholen kiezen zelf of ze hervormen

In de tweede en de derde graad komen er 8 studiedomeinen in plaats van 29 studiegebieden. De onderwijsvormen ASO, TSO, KSO, BSO en BuSO blijven bestaan. Het aanbod wordt herschikt in functie van de finaliteit: doorstroom, dubbele finaliteit of gericht op de arbeidsmarkt. Elke richting wordt tevens in een domein (of in 2 domeinen) geplaatst. Scholen kunnen zich organiseren volgens domein of finaliteit, of ze kunnen een tussenvorm aannemen. Ze kunnen ook alles bij het oude laten. Vrijheid, blijheid dus.

Voor domeinscholen (of campusscholen, wat volgens de tekst een synoniem is), heeft Crevits financiële stimuli in petto. Wat is een domeinschool alweer? ’Dat zijn scholen die respectievelijk binnen één of meerdere domeinen een samenhangend geheel van studierichtingen aanbieden op verschillende abstractieniveaus.’ Merkwaardig is alvast dat we in de voorgestelde domeinenstructuur geen apart domein aantreffen voor talen. De matrix van studiedomeinen zal het voorwerp zijn van overleg met de onderwijskoepels.

Competitie zal heviger worden

Niet moeilijk dat Lieven Boeve van de katholieke koepel vooral blij is dat de Vlaamse regering de vrijheid van onderwijs erkent. Zowat alles blijft mogelijk en de inrichtende machten spelen een bepalende rol. Dit is meteen ook het zwakke punt van dit deel van de modernisering. Ons onderwijslandschap, dat al redelijk complex is, zal nog verder versnipperd of verkaveld worden.

De competitie tussen onderwijsnetten, onderwijsvormen en scholen onderling, die zo kenmerkend is voor ons onderwijssysteem, zal nog worden verhevigd door de uitbreiding met domein- en andere scholen. We evolueren naar een gefragmenteerde en onoverzichtelijke onderwijsstructuur, die moeilijk te sturen zal zijn en die de sociale ongelijkheid verder in de hand zal werken.

Eliteonderwijs bestendigd

Het mag niet verbazen dat de ongelijkheid in het onderwijs niet hoog op de agenda van de Vlaamse regering staat. Dit is de eerste regering sinds lang die in haar regeerakkoord met geen woord repte over de sociale ongelijkheid in het onderwijs, maar wel de intentie had om de middelen voor het gelijkekansenbeleid evenredig over alle scholen te verdelen. In het bijzonder NVA heeft zich opgeworpen als de verdediger van het eliteonderwijs en de ’vrije keuze’.

Nochtans is de kritiek op de ongelijkheid in het onderwijs wetenschappelijk onderbouwd en krijgt hij hoe langer hoe meer weerklank in de academische wereld. In een interview met Humo (nr. 3950, p. 55) antwoordde UA-rector Herman Van Goethem op de vraag waarom er zo weinig kinderen uit zwakkere milieus naar de universiteit doorstromen: ’Het begint al in het lager onderwijs, en daarna bij de waterval van het secundair onderwijs tussen ASO, TSO en BSO.

Die verdeling bestendigt een elite die het zeer goed doet in internationale testen, maar leidt ook tot de vaststelling dat nergens in Europa de kloof tussen de beter en de minder presterenden zo groot is als bij ons.’ Dit zouden wij niet beter hebben kunnen verwoorden.

Desondanks blijft het beleid blind en doof voor deze visie. Integendeel, sinds haar aantreden kiest deze regering ervoor om de bestaande ongelijkheid in het onderwijs nog te versterken. In haar motivatie voor de modernisering mag minister Crevits dan wel proforma verwijzen naar de ongelijkheid, in haar plan gaat ze er compleet aan voorbij.

Werken aan echte hervorming

Onze conclusie: laat ons werk maken van een echte hervorming van het secundair onderwijs. We blijven daarbij heel voorzichtig, omdat we weten dat de omstandigheden daarvoor niet gunstig zijn. Aangezien de verschillen aan het einde van de lagere school te groot zijn, is het onmogelijk om op korte termijn een brede eerste (of tweede graad) in te voeren.

Tegelijkertijd vinden wij dat de huidige segregatie, die begint met het scheiden van sterke en zwakke leerlingen in een A- en een B-stroom, onaanvaardbaar is. Wij pleiten voor een geleidelijke, progressieve invoering van een brede eerste graad, met als eerste stap het beperken van de lagereschoolklasjes tot 15 leerlingen.