Let op je woorden, ook als het gaat om onderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Aanbevolen lectuur voor wie wil meepraten over politiek en samenleving: “Let op je woorden” van Jan Blommaert. De boodschap van Blommaert: laat je niet rollen door de misleidende en vooringenomen taal van media en politiek, maar ontwikkel een klare kijk op de belangen die op het spel staan. Daar willen wij nog aan toevoegen: doe dat ook als het gaat om onderwijs.

Blommaert legt uit hoe courant woordgebruik dikwijls voorgevormde meningen of stellingnamen bevat. Neem nu het woord “loonlast”. Voor wie van ons is het loon een last? Precies, voor zij die het moeten betalen. Voor wie het ontvangt is dat niet het geval. “Werkgevers” dan. Nochtans zijn zij het niet die hun arbeid “geven” (in ruil voor een loon), want dat zijn de “werknemers”. Je zou hoogstens van “contractgevers” kunnen spreken. Of hoe reële arbeidsrelaties taalkundig op hun kop worden gezet. Nog eentje om het af te leren: de manier waarop de “economie” wordt voorgesteld: als synoniem voor private bedrijven, aangestuurd door ondernemers en aandeelhouders, terwijl de reële economie vorm krijgt door de inzet van niet alleen ondernemers, maar ook van werkers, ambtenaren, leraren, zelfstandigen, gepensioneerden en andere “niet-productieven”.

Om klaar te zien in de woordenbrij die de media ons opdringen, stelt Blommaert een heuse methodologie voor. De eerste vraag die je je moet stellen bij het onderzoeken van woorden, is: van wie komt deze boodschap? Welk belang dient ze? Welke politiek? Hoe verhoudt ze zich tot de concrete realiteit? Op die manier kunnen we onze eigen politieke positie bepalen zonder ons te laten manipuleren. Woorden zijn immers nooit neutraal.

Getuige de lijst met “herformuleringen”. Dezelfde fenomenen kun je immers, naargelang je positie, een andere “draai” geven. Zeg niet “dwaas” of “naief”, maar “moedig” en “visionair”. “Beginselvast” in plaats van “onredelijk”. “Niet aan de orde” in plaats van “taboe”. Enzovoort.

Merkwaardig ook hoe dikwijls pers en politiek een beroep doen op de “publieke opinie” of het “gezond verstand”. Alsof ze de stem van de homogene samenleving hebben gehoord. Houdt men hier wel rekening met de complexe realiteit? Of reikt men slechts opinies aan ter bevestiging?

Dit brengt ons bij het verschil tussen links en rechts, zoals mij ooit verklaard in een cursus politieke filosofie en hernomen in het boek van Blommaert (hij verwijst naar Bourdieu). Links gaat er van uit dat de samenleving niet homogeen is, maar een geheel van tegengestelde meningen en standpunten. Met andere woorden, links aanvaardt verschillen en tegenstellingen binnen de samenleving. Rechts, daarentegen, beroept zich op het volk (of de burger), en dat volk spreekt met één stem en is unaniem in zijn steun aan de macht. Zo gauw je dus terminologie hoort zoals “wij”, “onze waarden” of “onze economie”, dan mag het duidelijk zijn uit welke hoek die stem komt.

De methodologie van Blommaert is ook interessant om toe te passen op het onderwijs, trouwens. Vrije schoolkeuze? Van wie komt die boodschap? Wat met de vrije keuze om aan de schoolpoort te mogen kamperen om je kinderen in te schrijven in een eliteschool? Wat met de vrije keuze van moeilijke leerlingen om wegens concentratieproblemen en leerproblemen naar het buitengewoon onderwijs te worden gestuurd? Wat met de vrije keuze van zwakkere leerlingen om telkens die negatieve keuze te moeten maken voor TSO of BSO?

Of wat dacht u hiervan: “Het onderwijs beter aansluiting doen vinden op de economie.” Hier wordt meestal mee bedoeld dat leerlingen sneller arbeidsrijp en economisch inzetbaar moeten worden. Wie heeft hier voordeel bij? De leerlingen zelf? Of privé-bedrijven, die kunnen putten uit een groter reservoir van goedkope werkkrachten?

Jan Blommaert heeft in 2008, samen met Piet Van Avermaet, nog een ander interessant boekje geschreven: “Taal, onderwijs en de samenleving. De kloof tussen beleid en realiteit”. Interessant omdat het een kwestie aangaat die vandaag nog altijd actueel is: de bewering dat de leerachterstand van veel van onze leerlingen te wijten is aan een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Leerachterstand door taalachterstand, dus.

Luttele weken geleden bestond het Vlaams minister-president Geert Bourgeois nog te verklaren: “Het probleem van hoge schooluitval hangt grotendeels samen met kinderen uit migrantengezinnen, zelfs van de tweede of derde generatie. Onvoldoende kennis van het Nederlands speelt daarbij een veel grotere rol dan sociaal-economische achtergrond.”[1]

Alhoewel Blommaert dit soort redeneringen bijna tien jaar geleden al weerlegd of ontzenuwd heeft, blijft dit vooroordeel hardnekkig standhouden.

“Let op je woorden” is zopas uitgegeven door EPO.

[1] De Morgen, zaterdag 27 februari, p. 16, “Misschien moeten we juist wat meer kibbelen”.