Hoeveel werkingsmiddelen verliezen (winnen) de secundaire scholen als de leerlingenkenmerken worden afgeschaft?

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Vlaamse regering bespaart in het onderwijs zowel op de werkingsmiddelen als op de loonmassa. In het basisonderwijs wordt 2,3 procent bespaard op de werkingsmiddelen en in het secundair onderwijs 4,5 procent. Deze besparingen treffen alle scholen. Naast deze algemene besparingen is er in het dossier van de werkingsmiddelen nog een ander onheilspellend aspect. Vandaag wordt een deel van de werkingsmiddelen in het basis- en het secundair onderwijs toegekend volgens sociale leerlingenkenmerken. Scholen met relatief veel kansarme leerlingen krijgen dan méér werkingsmiddelen per leerling. Het Vlaams regeerakkoord voorziet de schrapping van deze sociale criteria bij de toekenning van dit deel van de werkingsmiddelen.Dat zou neerkomen op een herverdeling van arm naar rijk. In dit artikel berekenen we hoeveel werkingsmiddelen de secundaire scholen dan verliezen of winnen.

Sinds 2008 wordt een deel van de werkingsmiddelen in het basisonderwijs (ongeveer 14 procent) en in het secundair onderwijs (ongeveer 11 procent) toegekend volgens sociale leerlingenkenmerken of SES-indicatoren (SES betekent sociaal economische status). De vier gebruikte SES-indicatoren zijn:

  • opleidingsniveau van de moeder: een leerling waarvan de moeder geen diploma secundair onderwijs heeft
  • schooltoelage: een leerling waarvan het gezin een schooltoelage geniet.
  • thuistaal: de leerling spreekt thuis geen Nederlands
  • buurt: de leerling woont in een buurt waar het aantal jongeren (op de leeftijd van 12 jaar) met grote schoolse vertraging ver boven het Vlaams gemiddelde ligt

Bij de verdeling van deze werkingsmiddelen krijgen de eerste drie indicatoren een groter gewicht (telkens 30%) dan de indicator “buurt” (10%)

In het basisonderwijs wordt 64 miljoen euro (ongeveer 14 procent van de totale werkingsmiddelen) en in het secundair onderwijs 43 miljoen euro (ongeveer 11 procent van de totale werkingsmiddelen) toegekend aan de scholen in functie van de vier leerlingenkenmerken (SES-indicatoren).

In de bijgevoegde tabel (onderaan dit artikel) vindt men voor de 961 secundaire scholen het totaal aantal leerlingen en het aantal leerlingen per indicator. Op basis van deze cijfers berekenden we een coëfficiënt die het gewogen gemiddelde is van de vier indicatoren.

Op basis hiervan berekenen we de verdeling van de 43 miljoen werkingsmiddelen over de 961 scholen. We hanteren daarbij drie scenario’s. Het eerste scenario veronderstelt dat men de indicatoren volledig in rekening brengt. Het tweede scenario is de huidige realiteit waarbij men werkt met een aftopping van de indicatoren. Het derde scenario bestaat er in dat die 43 miljoen euro lineair wordt verdeeld, dus zonder rekening te houden met de SES-indicatoren.

Hoeveel indicatorleerlingen zijn er?

In de Excel-tabel (onderaan dit artikel) vindt men voor de 961secundaire scholen het aantal leerlingen (kolom F) en per SES-indicator het aantal en het percentage leerlingen (kolommen G tot N). Onze tabel is gebaseerd op de cijfers die het Departement Onderwijs publiceert (schooljaar 2013-2014). Wanneer meer dan 95% van de leerlingen voldoet aan een bepaalde indicator, publiceert het Departement Onderwijs omwille van de privacy geen cijfer. In die gevallen hebben wij een percentage van 95% (en een gele achtergrondkleur) gehanteerd, wat dus een (lichte) onderschatting is van de realiteit.

Het Instituut Maris Stella Sint-Agnes (IMS) uit Borgerhout (met twee vestigingsplaatsen op de Turnhoutsebaan) telt 581 leerlingen. Daarvan zijn er 510 of 87 procent waarvan de moeder geen diploma secundair onderwijs heeft. Bijna 70% van de leerlingen komen uit een gezin met een schooltoelage en 68% van de leerlingen spreken thuis geen Nederlands. Meer dan 95 procent van de leerlingen wonen in een buurt waar de schoolse vertraging bij 12-jarige jongeren ver boven het Vlaams gemiddelde ligt. Omdat het Departement Onderwijs geen cijfer mededeelt, hebben wij 95% gehanteerd (dit verklaart waarom het aantal leerlingen een decimaal getal is, namelijk 551,95).

Een coëfficiënt die de vier leerlingenkenmerken globaliseert

Op basis van de 4 indicatoren (leerlingenkenmerken) hebben we een coëfficiënt (zie kolom O) berekend. Bij de verdeling van de werkingsmiddelen tellen de eerste drie indicatoren elk voor 30% mee en de indicator “buurt” voor 10%. De berekening van onze coëfficiënt houdt rekening met deze gewichten.
Deze coëfficiënt ligt tussen 0 en 1. Een school met een coëfficiënt 0 zou betekenen dat ze geen enkele indicatorleerling telt. Een school met coëfficiënt 1 zou betekenen dat alle leerlingen er aan de vier indicatoren zouden voldoen.

We zien dat IMS een coëfficiënt van 0,77 haalt, de hoogste in Vlaanderen. Berekening: (0,3 x 87,78%) + (0,3 x 69,88%) + (0,3 x 67,81%) + (0,1 x 95%) = 0,77. De coëfficiënt, een gewogen gemiddelde van de percentages indicatorleerleerlingen, varieert tussen 0,04 en 0,77, met een gemiddelde van 0,21.

Grote verschillen tussen de scholen

De scholen zijn gerangschikt volgens dalende “coëfficiënt”. Onderaan de tabel vind je de cijfers voor alle Vlaamse secundaire scholen samen. De 961 secundaire scholen tellen 433.985 leerlingen.Daarvan zijn er 24 procent waarvan de moeder geen diploma secundair onderwijs heeft, 26 procent uit een gezin met een schooltoelage, bijna 12 procent waarvan de thuistaal niet het Nederlands is en 25 procent die wonen in een buurt met veel jongeren met grote schoolse vertraging. Het contrast tussen de scholen bovenaan en onderaan de rangschikking is zeer groot. We zien dat er in Vlaanderen ook scholen zijn die zeer weinig indicatorleerlingen tellen.

Hoeveel werkingsmiddelen brengen de indicatorleerlingen op?

In het secundair onderwijs wordt 43 miljoen euro van de werkingsmiddelen verdeeld volgens de 4 sociale leerlingenkenmerken (SES-indicatoren). Indien deze 43 miljoen euro lineair zou worden verdeeld, dus zonder rekening te houden met de sociale leerlingenkenmerken, zou het gaan om 99 euro per leerling. In de tabel bevat kolom U het bedrag dat elke school in dat geval zou ontvangen (99 euro vermenigvuldigd met het aantal leerlingen).

In de kolommen P en Q hebben we berekend hoeveel werkingsmiddelen een school zou ontvangen INDIEN die 43 miljoen euro volledig zou verdeeld worden volgens de coëfficiënt (kolom O) die het gewogen gemiddelde is van de 4 SES-indicatoren. IMS (Borgerhout) ZOU in dat geval 210.248 euro (van die 43 miljoen euro) ontvangen, 362 euro per leerling.

Decretaal worden de werkingsmiddelen die worden toegekend volgens de leerlingenkenmerken, echter afgetopt. Per indicator wordt het percentage leerlingen afgetopt tot het Vlaams gemiddelde, vermeerderd met tweemaal de standaardafwijking. Voor de indicator “opleiding moeder” bv ligt het Vlaams gemiddelde op 24,14% en bedraagt de standaardafwijking 17,48%. De bovengrens voor de indicator “opleiding moeder” ligt dus op 59,10% (gemiddelde plus tweemaal de standaardafwijking). Een school waarvan méér dan 59,10% van de leerlingen voldoen aan de indicator “opleiding moeder” zal slechts voor 59,10% meetellen bij de berekening van de werkingsmiddelen voor deze indicator. We hebben de afgetopte percentages in het rood gezet.

Op basis van de afgetopte indicatoren hebben we een aangepaste “afgetopte” coëfficiënt berekend (kolom R) die als basis dient om het bedrag te berekenen (kolommen S en T) dat elke school in werkelijkheid vandaag ontvangt. Voor IMS bv betekent de aftopping dat ze 152.528 euro of 263 euro per leerling ontvangt.

Als de leerlingenkenmerken geen rol meer zouden spelen, zoals het Vlaams regeerakkoord laat uitschijnen, zouden er uiteraard winnaars en verliezers zijn. De verliezers zijn de scholen met relatief veel kansarme leerlingen, meestal gesitueerd in de grotere steden en meestal tso-bso-scholen. IMS Borgerhout zou nog 57.567 euro ontvangen. Een verlies van 94.961 euro (of 163 euro per leerling) in vergelijking met vandaag. De winnaars zijn de scholen met relatief weinig kansarme leerlingen, meestal aso-scholen en eerder gesitueerd in de groenere rand rond de steden of in kleinere steden en gemeenten. In de kolommen V en W worden winst of verlies van elke school berekend.

Kost de verwarming niet evenveel voor elke school?

De tegenstanders van de verdeling volgens leerlingenkenmerken zeggen dat de verwarming of het onderhoud van de gebouwen evenveel kosten voor een school met veel (kans)rijke als voor een school met veel (kans)arme leerlingen. Dit argument zou steek houden als de werkingsmiddelen (bijna) volledig zouden worden toegekend op basis van de sociale leerlingenkenmerken (SES-indicatoren). Dit is niet het geval. De “bandbreedte” voor de leerlingenkenmerken in het secundair onderwijs bedraagt slechts ongeveer 11%. De overige 89 % van de werkingsmiddelen worden lineair verdeeld. In het basisonderwijs bedraagt de “bandbreedte” iets meer dan 14%, dus worden bijna 86% van de werkingsmiddelen lineair verdeeld.

Bovendien verliezen de scholen met zeer veel kansarme leerlingen door de aftopping nu reeds een flink deel van de werkingsmiddelen waarop ze recht hebben op basis van de leerlingenkenmerken van hun schoolpopulatie.

Het voorbeeld van IMS is duidelijk: zonder aftopping zou de school 362 euro per leerling krijgen, met de aftopping (de huidige situatie) krijgt ze 263 euro per leerling. Indien deze werkingsmiddelen (43 miljoen euro) lineair zouden worden verdeeld, zou ze nog 99 euro per leerling ontvangen.

 

Sur le même sujet

Een minister op bezoek Op dinsdag 3 maart 2015 bezocht Vlaams minister van onderwijs Hilde Crevits de school IMS Sint-Agnes in Borgerhout. Ze was er op uitnodiging van de directie, die meer wilde weten over de plannen van d...
Veel protest tegen afschaffing leerlingenkenmerken bij toekenning werkingsmiddelen Vandaag wordt een deel van de werkingsmiddelen in het basis- en het secundair onderwijs toegekend volgens sociale leerlingenkenmerken. Scholen met relatief veel kansarme leerlingen krijgen dan méér we...