Geen diploma, geen uitkering?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Geen diploma, geen uitkering is een van de maatregelen die ingaan vanaf 1 januari 2015. Het Vlaams regeerakkoord bepaalt immers dat ‘voor de nieuwe instroom onder de leeftijd van 21 jaar het recht op een inschakelingsuitkering gekoppeld (wordt) aan een minimale diplomavereiste’.

In een vrije tribune belichten Dimokritos Kavadias en Britt Dehertogh de nefaste effecten van deze maatregel.

Wie dus jonger is dan 21 en zijn middelbaar onderwijs niet heeft afgemaakt, kan geen aanspraak meer maken op een inschakelingsuitkering. Naast een leerplicht krijgen we nu een certificatieplicht, de plicht tot het behalen van een diploma. De redenering hierachter is dat jongeren gemakshalve afhaken bij de minste tegenslag en onmiddellijk in de rij gaan staan om te kunnen genieten van een uitkering. Het probleem wordt weer eens gereduceerd tot een kwestie van individuele demotivatie en gebrek aan inspanning.

Jaarlijks beslissen enkele duizenden jongeren te stoppen met school, nog voor ze een diploma hebben behaald. Elk onderzoek naar de impact van opleiding op tewerkstellingskansen toont aan dat zij meer risico lopen zonder werk te vallen. Vermits het behalen van een diploma vandaag zo belangrijk is, dient de groep zonder diploma zo klein mogelijk te worden gehouden. De aanpak hen niet langs de kassa der uitkeringen te laten passeren volgt dan ook een zekere economische logica.

Wie de moeite neemt om na te gaan wat het prijzengeld van deze jongeren bedraagt, kan echter al snel merken dat dit extreem laag is. Het wachtgeld voor schoolverlaters (al dan niet met een diploma) valt onder de armoedegrens en zorgt niet voor een aantrekkelijke, noch een houdbare situatie. Daarenboven neemt de uitkering af in de tijd en is het activeringsbeleid voor jongeren dermate streng dat het voorstel van certificatieplicht waarschijnlijk amper praktische gevolgen zal kennen. Het is dan ook eerder een symbolische kwestie de jongeren te wijzen op hun plichten. De vraag is echter of certificatieplicht als individuele plicht rechtvaardig is.

Onderzoek toont aan dat de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen de meest voorspellende factor is voor het al dan niet behalen van een diploma. ‘Drop-outs’ zijn vaker jongens, komen meestal uit een kwetsbare gezinssituatie (eenoudergezinnen, lage inkomens, laaggeschoolde ouders), hebben een allochtone afkomst, volgen beroeps- of buitengewoon onderwijs en komen in een spiraal van lage onderwijsaspiraties en -prestaties terecht.

Ook in Vlaanderen bevestigen cijfers dit verhaal. 44 procent van de allochtone jongens én meisjes haken af zonder diploma, tegenover 10 procent van de autochtone jongeren. Aangezien zij in hogere mate in steden leven, is dit in eerste instantie een stedelijke problematiek. Een zeer groot deel van de verklaring ligt echter bij de sociaaleconomische achterstelling van deze groep. Demotivatie speelt inderdaad ook mee, maar is slechts één puzzelstukje. Uitstromen is bovendien geen plotse beslissing. Er gaat een lang proces van lage cijfers, scholenwissels, gebrek aan verbondenheid met leerkrachten en andere leerlingen in de school aan vooraf.

Ongeluk bestraft

In vergelijking met de meeste andere Europese landen is de impact van sociale achtergrond in Vlaanderen enorm

Problematischer is (alweer?) de eenzijdige focus op het individu. Uiteraard blijven individuen verantwoordelijk voor hun daden. We weten echter dat jongeren uit lagere sociale klassen minder kansen hebben in ons schoolsysteem. En in vergelijking met de meeste andere Europese landen is de impact van sociale achtergrond in Vlaanderen enorm. We slagen er moeilijk in om een sociaal eerlijk onderwijs in te richten. Er bestaat een sterke spanning tussen de kansen die worden aangeboden om een diploma te behalen en de mate waarin individuele jongeren dat diploma kunnen behalen omwille van het gezin waaruit ze komen. Door een individuele sanctie te treffen, gaan we volledig voorbij aan de sociaal complexe problematiek van schooluitval en de relatie met sociale ongelijkheid.

Zo’n 140 jaar geleden schetste Samuel Butler de wereld van Erewhon, een land waarin zieken werden opgesloten en moordenaars bij de arts dienden langs te gaan voor therapie. Had je het ongeluk als lelijk te worden geboren, dan verdiende je waarschijnlijk ook wel een gevangenisstraf om je van je ongeluk af te helpen. In de omgekeerde wereld van Erewhon dienden leerlingen zich voor te bereiden op hun latere leven via hypothetica: de ‘wetenschap’ om intelligent klinkende antwoorden te memoriseren op totaal onvoorziene (en onbestaande) situaties. Wie dit niet wou of kon, belandde onderaan de ladder van die samenleving en werd nog eens extra gestraft bij ongeluk.

De certificatieplicht lijkt te vertrekken vanuit de visie dat het onderwijs perfect wordt gegeven, waarin de leerstof en lessen ideaal aansluiten op de interesses van de leerlingen. Het getuigt van een grenzeloos vertrouwen in de aanpak van sociale ongelijkheid via onderwijs en in de kracht van het individu. Maar in deze minder dan perfecte wereld zal dit ons wellicht een stapje dichter bij Erewhon brengen, waar ongeluk nog extra wordt bestraft.

Dimokritos Kavadias en Britt Dehertogh

Dimokritos Kavadias is docent aan de Vrije Universiteit Brussel, politicoloog en onderwijsonderzoeker.

Britt Dehertogh is lector aan de Artesis Hogeschool Antwerpen en onderzoeker op het domein van sociaal werk.

(Deze vrije tribune verscheen in De Morgen van 18 december 2014)