Een centrale toets op het einde van het lager onderwijs?

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Vlaamse regering wil dat alle leerlingen aan het einde van het basisonderwijs een algemene eindtoets afleggen. Dat zou basisscholen de kans geven om de kwaliteit van hun onderwijs in te schatten en te bepalen waar ze moeten bijsturen. Tegelijk gaan er ook stemmen op om het eindexamen een centrale plaats te geven in de oriëntering van leerlingen.

We vroegen naar de mening van Ludo Merckx, een onderwijzer met een lange ervaring in de hoogste klassen van de lagere school.

Voor wie er al een tijdje uit is, fris ik het geheugen op met het woord ‘kantonnaal examen’. Wie er nog dichter bij staat, heeft wel weet van de interdiocesane proeven of de OVSG-toets, al naargelang het net waarin de kinderen hun basisschool volgen. Het zijn instrumenten waarvan heel veel scholen nu al gebruik maken aan het einde van hun basisschoolopleiding.

Een centraal examen is dan toch niet zo nieuw? Er zou gewerkt worden naar een nieuw soort toets of examen die voornoemde proeven zou vervangen, maar – en dat is ook nieuw – zou verplicht worden.

Vaar wel…

Ik zie twee schepen. Ze liggen vertrekkensklaar voor een veelbelovende tocht. Allebei nodigen ze uit om in te stappen. Toch wil ik – ondanks de uitnodigende aantrekkelijkheid van beide schepen – weten waarheen ze koers zetten?

Het eerste schip draagt een wat ongewone, maar wel zeer vlotte naam : “Ja”.

Het andere schip zet koers in de tegenovergestelde richting. Niet te verwonderen dat dat schip de ongewone naam “Neen” draagt.

De motor achter …

Op de boot Ja, die door de Vlaamse regering vertrekkensklaar gemaakt is, proberen ze me te overtuigen dat hij koers zal zetten in de goede richting, want de motor van het hele schip draait op ‘economie’. Wie is de kapitein, de opdrachtgever? Nou, daar kom je niet zo dadelijk achter. Maar de kapitein is niemand minder dan de Oeso, de organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

De promotoren op het dek staan je te woord en vangen je op. Geen pottenkijkers in de stuurcabine. Ik zou me helemaal geen zorgen moeten maken. Ik moet niet te veel vragen stellen. De promotoren zien mijn twijfel. Ze doen hun best : “Vertrouw ons, verbind u met ons en vooruit ermee!” Tja ! Ze zien toch nog de twijfel en ze zetten nog een tandje bij: “Er gaat zoveel talent verloren. We moeten terug ‘top’ zijn. We moeten mensen naar de beste job toeleiden. Daarvoor hebben we onze talentenfabriek, want iedereen heeft wel een talent. Iedereen is wel ‘knap’. Je kan ‘knap’ zijn in wiskunde. Je kan ‘taal’-knap zijn, je kan ook ‘muziek’-knap zijn,… Och, ik zou zo verder kunnen gaan, meneer. En … wat is er mis met een kapster of een poetsvrouw? Die zijn toch ook knap binnen hun vak. Lassers, installateurs,… och … honderden vacatures krijgen we niet ingevuld.. En… wat ook belangrijk is, meneer….Ondernemerschap! Daar moeten we ook op inzetten”. Duidelijk welk sfeertje hier te vinden is.

Toch even eerst kijken en luisteren bij het promotieteam van Neen. ”Wij hebben een andere bestemming en de motor van ons draait ook op volle toeren, maar … er zit wel een ander mechanisme in. Wij kiezen voor samenhang en verbondenheid. Niemand achterlaten. Iedereen meenemen in het verhaal. Vertrekken van de noden en behoeften, voor de persoon, voor de samenleving. Wij moedigen geen ondernemerschap, wel ondernemingszin aan : het gaat om goesting, om zin te krijgen om allerlei facetten van het leven te grijpen, te leren kennen, te onderzoeken, te begrijpen en zo te kunnen ingrijpen. ”

Op een afstandje…

Ik denk even terug aan wat ik de voorbije weken allemaal gelezen en gehoord heb in verband met die ‘centrale toetsen’ op het einde van de basisschool. In die discussies krijg ik soms het gevoel dat me vaak overkomt bij discussieprogramma’s op de televisie of op de radio : je ziet niet meer welk vlees in de kuip zit, want er wordt zoveel saus over gesmeten. De ‘centrale toets’ komt er. Dat is wat men nu van plan is. Dat is het vlees. Dat ligt op de schotel, wordt ons voorgeschoteld. De bedenkers hebben al een serieuze portie saus bij de hand om de tegenstand op afstand te houden. Publieksgevoelige argumenten worden erover gegoten om het geheel te serveren. Tegenstanders worden in het defensief gedrukt. Op het einde hoor je bijna nooit anders dan : “Ja, maar…” als argumenten van de tegenstand.

Ja, maar…

Professor Dirk van Damme van de Oeso doet smalend over de progressieve softies en maakt een karikatuur van de argumentatie van zijn tegenstanders. Mijn antwoord op zijn visie zou dus eerder klinken als : “Neen, maar… “. Hiermee wil ik aangeven dat de boot waarop ik stap een totaal ander traject zal afleggen met andere doelen. Dan pas kan de ideale koers uitgetekend worden om verbeteringen aan te brengen aan de manier waarop we nu bezig zijn. Hij zou dan ook wel kunnen zien dat ik ook niet voor een softe aanpak ben, dat de rode balpen zeker nog mag en dat ik het er volstrekt mee eens ben dat kinderen moeten uitgedaagd worden, uit hun comfort gehaald worden.

Kristof de Witte, Onderwijseconoom aan de KU Leuven en de Universiteit Maastricht, zit ook in het Ja-kamp. Overduidelijk en onvoorwaardelijk. De argumentatie van Kristof De Witte ademt enkel competitie uit : de school is één grote competitie, concurrentie, een wedstrijd … en daarbij horen winnaars en verliezers. Met een centrale toets kan je scholen vergelijken en aanmoedigen en kan je meer naar de individuele resultaten van kinderen kijken.(De Standaard, 21 augustus 2014)

We blijven in de geest van de competitie met N-VA-onderwijsspecialist Koen Daniëls: “Om rankings van scholen op te stellen is hij zeker niet bedoeld,maarhet zou vreemd zijn dat de resultaten niet meegenomen worden in bijvoorbeeld de oriëntering van de leerlingen naar het secundair , al mag dat zeker niet het enige zijn”.(De Standaard, 26augustus 2014)

We zouden kunnen voortgaan met het uitrafelen van alle mensen die zich de voorbije weken lieten horen en voorstander zijn van de centrale test.

Op die boot wil ik niet stappen. Ik kies voor traject ‘Neen’. ‘Neen’ aan de centrale toets, als één specifiek item uit de komende plannen.Ik stap niet op een boot die helemaal niet meer kiest voor solidariteit, maar voor elitarisme.

Andere keuzes en prioriteiten

Er zijn waarschuwingen. Er zijn klanken van onrust. Ze zijn ingegeven door mensen die ook op het terrein kennis hebben. Ik roep hen op om ook op het ander schip te stappen.

Onderwijssocioloog Orhan Agirdag (doceert onderwijsbeleid aan de Universiteit van Amsterdam)stemt in met gestandaardiseerde testen vanuit een bekommernis voor het verminderen van de ongelijkheid tussen de scholen en tegen de willekeur.“Er is niets mis met gestandaardiseerde tests, of je nu in het basisonderwijs of secundair zit. Wel moet je nadenken of je er meer kwaad dan goed mee doet.”(De Standaard, 27 augustus 2014)Ik geloof dat hij zich met deze kapiteins aan boord geen illusies moet maken.Ik denk dat het meer kwaad dan goed gaat doen.

Orhan Agirdag verwijst naar een onderzoek van Herman van de Werfhorst (Universiteit van Amsterdam) : er is minder onderwijsongelijkheid in landen met gestandaardiseerde tests. Die bekommernis van Agirdag, die hoopt om de onderwijsongelijkheid te counteren, doet hem wel aarzelen om in te stemmen met het invoeren van de ‘centrale test’. “Eigen onderzoek in Vlaanderen zoumoeten bevestigen dat de gestandaardiseerde tests daaraan iets gaan verhelpen”. Hij denkt dat er met de toets een objectieve maatstaf komt. Nu nemen ouders de ‘kleur’ van de school als maatstaf van kwaliteit en denken dat het gras groener is in ‘witte’ concentratiescholen.Dat laatste is zeker waar, maar volgens mij ga je dat niet aanpakken door die testen in te voeren. We zullen zelfs moeten uitkijken dat de voorzichtige aanzet om te komen tot een betere sociale mix in de scholen niet zal opgeofferd worden aan de maximale vrijheid van schoolkeuze… Dat zou de ongelijkheid terug versterken en meer doorwegen. Uitkijken op welk schip je zal stappen !

Agirdag waarschuwt terecht voor gevaren verbonden aan gestandaardiseerde testen. Veel hangt af van hoe we testen: hij pleit voor discretie te vergelijken met een medisch dossier (verwerking door experten met kennis van zaken) Net als vele anderen waarschuwt hij voor ‘teaching- to-the-test’, wat nu al veel gebeurt in scholen die deelnemen aan de interdiocesane proeven of de OVSG-test. Hij denkt ook aan andere mogelijkheden vanuit zijn bekommernissen. Op die andere boot zal hij een betere equipe vinden om daarin mee te zoeken. Zijn suggestie om al een test bij de start in de basisschool op te nemen en daarna op het einde van de basisschool om te zien wat de leerwinst tussen begin en einde is, kan zeker in overweging genomen worden. Ze gaat niet voorbij aan de realiteit van een anders samengestelde leerlingenpopulatie. We delen zeker zijn bekommernis dat scholen niet mogen afgestraft worden voor de resultaten van hun publiek. Geen appelen met peren vergelijken. Daarom ook denk ik dat hij terecht stelt : “Liever geen toets dan slecht toetsen”.

Ook Ides Nicaise heeft oog voor de leerwinst en heeft bedenkingen bij de centrale test die hij niet a priori verwerpt: “Het probleem is dat je met zo’n instrument aangeeft of eindtermen behaald zijn, maar de kwaliteit van scholen niet meet. Dat doe je niet op basis van eindtermen, maar op basis van leerwinst. Er bestaan wetenschappelijk verantwoorde manieren om de gemiddelde leerwinst van scholen eerlijk te vergelijken, maar die kosten meer tijd en middelen dan een ‘simpele’ eindtoets. De onderwijsinspectie hanteert bovendien tal van andere criteria om de kwaliteit van scholen te meten zoals het schoolklimaat, welbevinden van leerlingenen leerkrachten, nascholing van leerkrachten, zorg voor leerlingen met beperkingen enz.” (De Standaard, 27 augustus 2014)

Uit eigen ervaring weet ik hoe kinderen op een test, geveld door faalangst, helemaal anders presteren. De sfeer, de omgeving, het thuismilieu… alles krijgt zo’n invloed en dus dienen de resultaten echt sterk gerelativeerd te worden.

Ik heb zelf in de klaspraktijk meermaals werkstukjes of testjes laten maken, waarbij de kinderen niet voorbereid waren op wat ging komen, enkel op mijn hulp konden rekenen en alle voordelen of nadelen van hun thuismilieu en –comfort ontnomen waren in die setting…Ze kregen studie- en voorbereidingstijd in de klas en moesten daarna onmiddellijk tonen dat ze die kennis konden aanwenden : Wel, dan zie je ook wie ‘leerwinst’ ontwikkelt. Dan zie je de aanpak, de wijze van gebruik maken van de beschikbare hulpbronnen enz… Studie en ervaring hieromtrent zouden nuttig kunnen zijn om de onderwijspraktijk te verbeteren..

Beslist centrale toets over getuigschrift basisonderwijs?

De regering heeft met een centrale toets ook de intentie om strikter toe te zienop de toekenning van het getuigschrift basisonderwijs.

OVSG (Onderwijs Vlaamse Steden en Gemeenten)en Katholiek onderwijs die momenteel hun eigen, vrijwillige eindtoetsen opstellen, zeggen dat ze hiermee nooit naar de oriëntering van de leerlingen willen evolueren.Zij vrezen dat zo’n centrale toets of examen gepercipieerdzal worden als beslissend over je getuigschrift.

Patriek Delbaere, directeur van OVSG,merktop dat het nu al erg moeilijk is om ouders duidelijk te maken dat de bestaande toetsen niet zullen gebruikt worden om te bepalen of een kind een getuigschrift krijgt of niet.“De centrale test zal altijd beschouwd worden als een overheidsinstrument, als een vorm van externe controle. Hij zal onvermijdelijk op een soort centraal examen, zoals in het buitenland, gaan lijken. Dan krijg je die dingen waar experts voor waarschuwen : een rangschikking van scholen die tot een nog grotere tweedeling tussen zogenaamdegoede en slechte scholen zal leiden.”(De Standaard, 26 augustus 2014)

Marc Van den Brande, topman van het katholiek basisonderwijs,zegt dat de huidige testen ook bij hen soms gebruikt worden als deel van de eindtoets.De centrale toets kan zolang hij maar niet claimt de globale kennis van het basisonderwijs te testen.”(De Standaard, 26 augustus 2014)

Roger Standaert, de vroegere directeur van de Entiteit Curriculum op het Departement onderwijs, is verontrust over een passage in het Masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs: wie geen getuigschrift haalt van de basisschool, gaat meteen naar de B-stroom in het secundair.“Vandaag wordt met dat getuigschrift soepel omgesprongen. Dat wordt strikter en uniformer.” (De Standaard, 20 augustus 2014) Standaert pleit voor een parallel schakelprogramma van pakweg het vijfde leerjaar tot de leeftijd van 14 jaar. Daarin kunnen leerlingen – bijvoorbeeld zij die een andere thuistaal spreken – bijgewerkt worden. Dan kunnen ze ofwel weer aanhaken op de gewone stroom, of naar het buitengewoon gaan.

Teaching to the test

Er is vrees voor een fenomeen van ‘toewerken naar de test’ (‘teaching to the test’) met het gevaar voor verwaarlozing van andere dingen.

Een medewerker van een Pedagogische Begeleidingsdienst formuleert zijn bekommernissen als volgt:“Wat we willen vermijden zijn perverse neveneffecten: teaching to the test, doen alsof een eenvoudig af te nemen test de complexe werkelijkheid kan blootleggen (spellingstoets afnemen en daaraan de kwaliteit van het taalonderwijs aflezen; taal is meer dan het makkelijk meetbare spelling, wat is het effect van ‘buiten de school’, culturele gekleurdheid van de test, …), overmatig testen (en als we dat nu weten wat gaan we morgen anders doen?). Een tweede probleem is vaak het gebruik ervan: competitie en stress, etiketteren, deficitdenken (gerichtheid op het tekort) versterken, het onderwijs vernauwen tot teaching to the test (convergent denken = er is slechts één juist antwoord bij een gestandaardiseerde test en daar hoort creatief denken niet bij), aanwenden van resultaten omleerlingen met elkaar te vergelijken, om kinderen te oriënteren. (…)Belangrijke brede vaardigheden blijven buiten schot omdat ze toch niet meetbaar zijn en enkel het meetbare is belangrijk. Het systeem mag niet ten dienste staan van de ‘homo economicus’ maar van een harmonisch gevormde en solidaire burger. In welke mate zullen technische en creatieve vaardigheden gevaloriseerd worden?”.

Om te besluiten:“Ik ben niet a priori tegen een eindtoets maar laat dit op vrijwillige basis gebeuren en vooral: informeer scholen over mogelijkheden, beperkingen en valkuilen.”

Roger Standaert:Centrale testen zijn typisch voor Angelsaksische landen. Ze zijn een uiting van een technocratische visie op onderwijs, die botst met hoe wij daar historisch in Europa tegenaan kijken.Het gevaar dreigt dat de scholen gaan onderwijzen met het oog op die test. Dan verwaarlozen ze alles wat niet direct meetbaar is, zoals werken aan attitude, burgerzin, leren leren of gelukkig zijn. Dat verschraalt het curriculum enorm.”(De Standaard, 20 augustus 2014)

Gevaar van rankings

Roger Standaert: “Als er een centraal examen komt, gaat dat onvermijdelijk leiden tot een rangschikking van scholen. Dat is in alle landen met zo’n test gebeurd. Het is nefast. Het houdt geen rekening met de populatie van de scholen, hun sociale context. Scholen die minder goed scoren, komen in een vicieuze cirkel terecht, want ouders halen er hun kinderen weg. Zogenaamde goede scholen worden dan slapend rijk, terwijl concentratiescholen vaak harder hun best doen.” (De Standaard, 20 augustus 2014)

Te veel is te veel

Toetsen is meten wat er bereikt is, is inzetten op het resultaat. In sommige praktijken heb ik echt ook een ‘te veel’ aan toetsen opgemerkt. Iedereen kent wel de LVS-testen, het leerlingvolgsysteem. Je had er zo drie op een rij : bij aanvang, midden en op het einde van een schooljaar. Elk jaar opnieuw in de basisschool. Wel, ik heb opgemerkt dat daar soms al zo een overdreven druk op zat, zelfs een soort teaching-to-the-test om zich als leerkracht veilig te stellen.

Op zich is het enkel aan te moedigen dat leerkrachten en scholen proberen een zicht te krijgen op wat de eigen inspanningen nu hebben opgebracht. Dat isechterniet enkel een kwestie van gestandaardiseerde testen maar evengoed van open gesprekken met ouders, collega’s en kinderen, van losse observaties tussendoor, van een leerling uit het secundair onderwijs die over zijn ervaringen komt vertellen, … Het kan stimulerend werken voor een leerkracht, of aanleiding geven tot bijsturingen (aanpassen van het onderwijsleerproces). Evalueren (ook zelf- en peerevaluatie) kan kinderen helpen bij het evolueren.De meerwaarde van zo’n manier van werken heb ik ook mogen ondervinden. Daarop moet en kan ingezet worden met nog meer middelen en omkadering.

Het uiteindelijk doel ?

Een beetje provocatief heb ik mijn antwoord ingeleid met beeldspraak. Ik vind het namelijk nodig dat je eerst en vooral het uiteindelijke doel, de uiteindelijke richting moet onder ogen zien waarheen Europa, de federale regering of de deelregeringen ons willen sturen. Wat mij schrik baart, is het openlijk en offensief terugkeren naar de competitie bij het leren : elk voor zich. Loop vooruit. Laat achter wie achter is. Decennia lang is onder invloed van de sociale strijd, van progressieve krachten in de samenleving een veel genuanceerdere kijk op onderwijs ontwikkeld en uitgewerkt. Nu lijkt een rechts offensief – op allerlei domeinen, ook in onderwijs – daar komaf mee te willen maken. Mijn conclusie: kies eerst je richting, motiveer je keuze. Weet goed op welke boot je stapt. Ik stap op boot ‘Neen’. Ik kies voor een onderwijs dat iedereen kennis wil geven van de werkelijkheid, van de wereld waarin je leeft. Ik vind het belangrijk dat iedereen kan deelnemen, geholpen wordt om te begrijpen wat er gebeurt, wat er leeft. Ik vind het nodig dat iedereen gestimuleerd wordt om te begrijpen dat we elkaar nodig hebben, kunnen van elkaar leren, kunnen elkaar helpen en elkaars welzijn kunnen versterken. Je kan greep krijgen op de werkelijkheid. Het onderwijs geeft je kansen, grijpt de werkelijkheid, doet je de werkelijkheid begrijpen en zo kunnen we er ook op ingrijpen.

Ik stap niet op boot ‘Ja’ omdat die naar individueel succes kijkt, de sterksten zoekt om te leiden, te managen, te beslissen en anderen parkeert in specifieke vakjes. Voor mij moet die knappe kapster net zo goed weten waar het hem om draait in de wereld van vandaag en hoe we er verandering in kunnen brengen. Ze moet net zo goed met levenskennis daar een zinnige inbreng over kunnen geven. Dat zie ik niet gebeuren als we de koers voortzetten op boot ‘Ja’.

Met andere woorden: op de concrete vraag of ik voor of tegen de invoering van de verplichte eindtest in het basisonderwijs ben,antwoord ik niet met “Ja, maar…”. Ik zal voortaan de argumentatie “Neen, maar…” gebruiken.

Ludo Merckx

Dit artikel verscheen eerder in “De democratische school”, nr. 59, september 2014

Lees over hetzelfde onderwerp een standpunt van Kris Van Den Branden