Het Vlaams Regeerakkoord 2014-2019 over onderwijs

Facebooktwittermail

Het Vlaams Regeerakkoord 2014-2019 valt uiteen in een Visietekst van 27 bladzijden en het eigenlijke Regeerakkoord van 167 bladzijden.Welgeteld 9 (negen) bladzijden in het Regeerakkoord gaan over het onderwijs. Hieronder staan wij stil bij een aantal punten en we onderscheiden enkele trends. We maken daarover een aantal reflecties die perspectief openen op een alternatief.

1. Een mistgordijn van mooie woorden voor een kille onderliggende agenda

Het bestaande onderwijs wordt in die mooie woorden grotendeels bevestigd en dat is wat veel leraren graag horen. Maar de vele mooie woorden (zie hieronder), die wellicht het ego van veel leerkrachten zullen strelen,zijn een mistgordijn voor een kille agenda van verminderde investeringen die het onderwijs meer en meer dwingen in de richting van eenzijdig economisch berekend rendement.Vlaanderen zal zich in de komende vijf jaar verder en verder verwijderen van de democratische school die Ovds wil.

Het Vlaams onderwijs is van een excellent niveau. Dat blijkt telkens weer uit internationaal vergelijkend onderzoek. Op die topprestaties mogen we terecht trots zijn. Op al het goede kunnen we verder bouwen.

Daarbij schenkt de overheid het nodige vertrouwen in scholen en leerkrachten, met ex-postcontrole en zo weinig mogelijk planlast. Zij moet ook veel terughoudender zijn in het toebedelen van nieuwe opdrachten aan het onderwijs, bijvoorbeeld met betrekking tot maatschappelijke problemen of zelfs opvoedingskwesties. De focus moet opnieuw liggen op de kerntaak van het onderwijs.

We kiezen dus uitdrukkelijk voor mensen. We zetten de leerlingen, leraren en schooldirecties opnieuw centraal. In hen willen we investeren.
(Regeerakkoord, p. 95)

De (inderdaad) hoge gemiddelde cijfers van het Vlaamse onderwijs in het internationaal vergelijkend onderzoek verdoezelen dat ons onderwijssysteem tegelijk tot de meest sociaal onrechtvaardige in Europa behoort. Dat blijkt uit al de PISA-onderzoeken. Uit Vlaams onderzoek (Thomas Wouters, Steven Groenez,De evolutie van schoolse segregatie in Vlaanderen. Een analyse voor de schooljaren 2001-2002 tot 2011-2012, HIVA Leuven, 2013) blijkt dat de segregatie in het Vlaamse onderwijs de voorbije tien jaar nog is toegenomen.

Over deze sociale segregatie zwijgt de Regeringsverklaring. De ambitie om alle kinderen, ongeacht hun sociale achtergrond, in groep omhoog te trekken wordt niet geformuleerd. Is dat wat de Vlaamse Regering bedoelt met het toebedelen van minderopdrachten betreffende maatschappelijke problemen aan het onderwijs? Wellicht, want dan hoeft ze ook geen geld op tafel te leggen voor de kleinere klassen en de extra omkadering die voor de leraren noodzakelijk zijn om die ambitie te halen.

Hoe moeten we dan begrijpen dat deze Vlaamse Regering wil investeren in leerlingen, leraren en schooldirecties?De financieringsnoden zijn hoog in alle onderwijsniveaus. In een persbericht van het gemeenschappelijk vakbondsfront onderwijs (ACOD Onderwijs, COC, COV en VSOA-Onderwijs) van 29 augustus 2014 staat dat een ernstig debat over de opdrachten en uitdagingen van het onderwijs zich opdringt en dat de conclusie ongetwijfeld is dat geen enkel onderwijsniveau bijkomende besparingen kan verdragen.Maar de intussen uitgelekte (De Morgen, 9 augustus 2014) en al dan niet bevestigde cijfers spreken andere taal dan dat er geïnvesteerd wordt: in vijf jaar 819 miljoen besparingen of gemiddeld 164 miljoen per jaar, te beginnen met 108 miljoen in 2015. Intussen circuleren er al cijfers van 190 miljoen besparingen in 2015 en een totaal over vijf jaar van één miljard.

De geplande gerichte investeringen van 500 miljoen euro in schoolgebouwen, die een van de twee prioriteiten uitmaken van minister Crevits, blijken dus geen nieuw budget dat aan het onderwijsbudget wordt toegevoegd, maar worden eerst in de sector zelf weggesnoeid.500 miljoen euro als prioriteit van de minister, terwijl er geen half, maar vijf miljard euro nodig is om aan de noden voor nieuwe infrastructuur te kunnen voldoen(Het Nieuwsblad en de Gazet van Antwerpen van 1 september 2014)

Voor wie de technische term ‘ex-postcontrole’ in de alinea van p. 95 over het schenken van vertrouwen aan scholen en leerkrachten niet kent: hij betekent dat deze scholen en leerkrachten achteraf gecontroleerd worden op de behaalde resultaten.

2. Geen enkele ambitie om de structuren te creëren van een onderwijs dat de kinderen in groep omhoog trekt op een manier die sociaal rechtvaardig is

2.1.Structurele maatregelen die leiden naar een grotere sociale ongelijkheid

De eerste structurele maatregel die opvalt is ‘een nieuwe en eenvoudige regeling’ voor schoolinschrijvingen die de keuzevrijheid van de ouders maximaliseert. (Visietekst, p. 25 en Regeerakkoord, p. 97). Deze maatregel is een voorbeeld van het maatschappelijk perverse karakter van eenvoudige oplossingen.

Het GOK-decreet van minister Vanderpoorten in 2002 had scholen verboden om leerlingen op basis van afkomst te weigeren en wou een betere sociale mix in de scholen. De ministers Vandenbroucke en Smet bouwden daarop verder: scholen met weinig GOK-leerlingen moesten hun deuren voor meer GOK-leerlingen open zetten en in scholen met veel GOK-leerlingen werd meer instroom van niet-GOK-leerlingen gestimuleerd.

Om de dualisering op school en in de maatschappij tegen te gaan, blijft het ook in de toekomst belangrijk dat zowel de sterkste ouders op de onderwijsmarkt (met de meeste voorkennis, de grootste netwerken en de meeste mobiliteits- en andere middelen) als de zwakste ouders(die veel minder over al deze middelen beschikken), een eerlijker verdeelde kans op onderwijs van goede kwaliteit krijgen.

De Vlaamse regeringspartijen kiezen daar niet langer voor. De remmen op het principe van de keuzevrijheid van de (sterkste) ouders moeten weg. Het resultaat voor de (zwakste) ouders laat zich raden: hun kinderen lopen weer meer kans om uit de school van hún keuze te worden weggedrukt. Vergelijk het met hoe we dagelijks met elkaar omgaan in het wegverkeer: wanneer geen rem wordt gezet op het rijgedrag van de meest ‘assertieve’ weggebruikers,zijn het onvermijdelijk de zwaksten die in de verdrukking komen.

De werkingsmiddelen worden voor elke leerling gelijkgeschakeld.(Regeerakkoord, p. 103)

Deze werkingsmiddelen bedragen in het leerplichtonderwijs net geen miljard euro. Ruim 100 miljoen euro daarvan worden nu volgens sociale kenmerken van de leerlingen herverdeeld. Het decreet daarover werd in 2008 goedgekeurd door alle politieke partijen, over meerderheid en oppositie. Alleen Vlaams Belang stemde tegen.Nu veranderen de Vlaamse regeringspartijen, kennelijk onder invloed… van de ‘kracht van verandering’, het geweer van schouder en komen ze op dat akkoord terug.

Volgens Frank Vandenbroucke (In een Vrije Tribune in De Standaard van 4 september 2014) komt het extra geld aan werkingsmiddelen voor kwetsbare, kansarme scholen nu in het gedrang. Die scholen moeten misschien meer dan andere scholen uit de eigen begroting putten voor allerhande activiteiten, omdat ze daarvoor minder gemakkelijk de ouders kunnen aanspreken. Zulke scholen verzamelen ook moeilijker fondsen via initiatieven van ouders. Bijkomende werkingsmiddelen vormen voor hen een stimulans om te werken met kansarme leerlingen en segregatie tegen te gaan.

2.2. Meer meritocratie en meer Mattheüseffecten

Gepland zijn de gefaseerde invoering, uiterlijk in 2018-2019, van verplichte toelatingsproeven voor alle richtingen in het hoger onderwijs. Zij gaan gepaard met verplichte oriëntatieproeven voor het einde van het secundair onderwijs, worden voor de leerlingen gekaderd in individuele trajecten naar hoger onderwijs of arbeidsmarkt, en zijn het voorwerp van evaluatie na 3 jaar waarbij een toekomstig bindend karakter en het verplicht volgen van voorbereidende trajecten expliciet worden vermeld. Wij citeren:

Op basis van een grondige screening wordt per richting van het secundair onderwijs duidelijk in kaart gebracht op welk vervolgtraject in het hoger onderwijs / arbeidsmarkt zij al dan niet voorbereiden (matrixoefening). Verplichte niet-bindende oriëntatieproeven voor het einde van het secundair onderwijs en verplichte niet-bindende toelatingsproeven in het hoger onderwijs zijn belangrijke elementen in dit traject van studie-oriëntering naar het hoger onderwijs. Deze niet bindende toelatingsproeven worden ingevoerd met evaluatie per proef na 3 jaar na de start van de niet-bindende toelatingsproef voor die bepaalde richting.

Wanneer leerlingen in het hoger onderwijs een vervolgtraject willen aanvatten dat niet aansluit bij de studierichting die ze in het secundair onderwijs volgden, kan onder meer onderzocht worden of het verplicht volgen van individueel aangepaste voorbereidende trajecten of het slagen in bindende toelatingsproeven haalbare opties zijn.

Als lid van Ovds vraag ik mij bij het lezen van deze tekst af hoe hij te rijmen valt met een emancipatorische visie op onderwijs die de jongeren in groep omhoog trekt en meer bepaald met de onderwijskansen van die grote meerderheid van de leerlingen die niet op heel jonge leeftijd al onwrikbaar weten welke richting ze met hun leven uit willen. De onderwijsfuik waarde Vlaamse leerlingen op vandaag nog altijd vanaf de leeftijd van 12 in terecht komen, dreigtv olgens dit Regeerprogramma onontkoombaar te leiden naar een voorbestemming die hen niet alleen blijvend individueel vastzet, maar hen voor hun vroege ‘keuze’ op 12 of 14ook nog dreigt te sanctioneren door voor hen de poort naar het hoger onderwijs of de universiteit af te sluiten. We weten dat zulke (te)vroege ‘keuze’ nog niet volledig bewust kan zijnen we weten ook dat hij in grote mate bepaald is door de plaats waar je wieg staat.

Het probleem van de te zwakke instroom in sommige studierichtingen van het hoger onderwijs wordt door de Vlaamse Regering aangepakt door de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij de individuele leerling en student te leggen, via een verplichte,al dan niet bindende proef. Ovds kiest in het leerplichtonderwijs voor een door de overheid gedragen aanpak die werkt aan een meer polyvalente vorming van hoger niveau voor allen, gekoppeld aan maatregelen om te voorkomen dat leerlingen afhaken: kleinere klassen,ruime omkadering, snelle remediëring.De definitieve studiekeuze die voorbereidt op hoger onderwijs of op de arbeidsmarkt moet daarom uitgesteld worden tot na de 2egraad. Deze discussie over het uitstellen van de definitieve studiekeuze en het al dan niet verdwijnen van de schotten tussen ASO, TSO en BSO zal een van de cruciale punten vormen bij de uitvoering van het masterplan van juni 2013 over de hervorming van het secundair onderwijs.

Wanneer mensen die leren en bijleren niet zozeer gemotiveerd worden en aangesproken op hun interesse, maar al te eenzijdig op hun individuele verantwoordelijkheid gewezen worden en toenemend onder druk gezet, dreigt ook het juiste principe van de ‘kennis van het Nederlands versterken’ een hefboom van sociale uitsluiting te worden. De sociaal zwakste groepen bezwijken immers het snelst onder de druk:

We stellen het aanbod Nederlands als tweede taal (NT2) af op de noden, zowel inzake kwaliteit als kwantiteit, zowel voor verplichte inburgeraars als voor wie vrijwillig Nederlands wil leren. Zeker in het licht van de niveauverhoging NT2 in inburgering. Om inburgeraars zo snel als mogelijk te laten deelnemen aan het sociaal en economisch leven, is er nood aan meer gecombineerde leertrajecten, aan een aanbod tijdens vakanties en weekends en avonden.Om dit te realiseren komen de middelen voor de organisatie van het NT2-aanbod onder het beheer van de minister bevoegd voor inburgering. Er wordt een aanbod uitgebouwd met private aanbodverstrekkers om hiaten op te vullen. De Huizen van het Nederlands worden ondergebracht in het Agentschap Integratie en Inburgering.

(Visietekst, p. 25 en Regeerakkoord, p. 102)

Wie de Centra voor basiseducatie (CBE) en de Centra voor volwassenenonderwijs (CVO) en hun lesgevers van binnenuit kent, weet dat deze mensen met hart en ziel werken om hun cursisten te motiveren en met het oog op hun integratie op de werkvloer en in de maatschappij op het hoogst haalbare NT2-taalniveau te brengen. De motivatie en de interesse aanwakkeren ende cursisten aanzetten om binnen de limieten van en hun leef- en werksituatie het initiatief te nemen om het onderste uit de kan te halen, zijn voor de NT2-lesgevers de sleutelwoorden. Wat wil de Vlaamse Regering blijkens haar Regeringsverklaring nog meer? Net niet dat er elke dag van de week door lesgevers en cursisten ook nog ’s nachts wordt gewerkt. En ze wil NT2 gedeeltelijk uit de handen nemen van de mensen die al jaren expertise in deze stiel hebben opgebouwd. Ook hier wordt de weg ingeslagen van meer meritocratie en meer Mattheüseffecten. Alleen wie economisch denkt, zal zijn!

Ik wil dit deeltje niet besluiten zonder een zekere nuance en een positieve noot. Het ‘actief talenbeleid’ van de Vlaamse Regering biedt allicht een lichtpuntje in het duister van de meritocratische tunnel:

We voeren een actief talenbeleid om de talenkennis te versterken. Daarom moeten de eindtermen vreemde talen (Frans, Engels of Duits) ambitieuzer worden geformuleerd. Taalinitiatie in het lager onderwijs kan in het Engels, Frans of Duits worden aangeboden wanneer de leerlingen het Standaardnederlands voldoende onder de knie hebben. Projecten rond het gebruik van vreemde talen in zaakvakken in het secundair onderwijs blijven verder mogelijk.
(Visietekst, p. 25 en Regeerakkoord, p. 98. Visietekst en Regeerakkoord zijn hier identiek)

‘Meertaligonderwijs doet zijn intrede in Vlaanderen’, zo lees ik in Raak (Wim Troch, ‘Leerlingen in meertalig onderwijs zijn gemotiveerder’, in Raak, september 2014, 28-30)., het maandblad van de KWB. Barbara De Groot, onderzoekster aan de VUB die al ruim een decennium onderzoek doet naar de werking en de effecten van meertalig onderwijs, is onze gids. Vlaanderen was tot nu toe voor meertalig onderwijs een blinde vlek in Europa, zegt ze. In ons land startte Wallonië al in 1998 met meertalig onderwijs in zogenaamde ‘immersiescholen’. Het kan daar vanaf de kleuterklas, en tot 75 procent van het curriculum kan in een andere taal worden gegeven. Vandaag doen meer dan 300 scholen mee, en 80 procent van hen kiezen voor de combinatie Nederlands-Frans. In Vlaanderen kan meertalig onderwijs vooralsnog alleen in middelbare scholen, en voor maximaal 20 procent van het lessenpakket.

Zowel in Wallonië als in de Vlaamse proeftuinscholen is de evaluatie positief. Leerlingen in meertalig onderwijs zijn veel gemotiveerder. Ze zijn niet bang om zich uit te drukken in de vreemde taal, en ze hebben er ook geen negatief gevoel tegenover. En ook: de vakkennis noch de moedertaalkennis gaan erop achteruit.

3. Hoe het ego van de leerkrachten wordt gestreeld om hun vertrouwen te winnen

Een pact met de onderwijsverstrekkers en de vakorganisaties om de lerarenloopbaan aantrekkelijker te maken en beroepsuitval te verminderen
(Visietekst, p. 25 en Regeerakkoord, p. 98) is de tweede prioriteit van minister Crevits.

Het siert de minister dat ze een pact wil afsluiten.Een pact afsluiten wil zeggen dat de inhoud ervan niet eenzijdig, maar twee- en driezijdig (overheid, onderwijsverstrekkers, vakorganisaties) tot stand komt. De zuivere weg wil dan dat in het Regeerakkoord nog geen zaken staan ingeschreven die in het kader van de besprekingen nog moeten worden overeengekomen. Al wat nu al expliciet in het Regeerakkoord staat ingeschreven of – omgekeerd – wordt uitgesloten, vormt zo een hypotheek op de besprekingen. Zo is het bijvoorbeeld duidelijk dat als de minister oprecht een pact wil afsluiten, dat niet kan zonder financiële middelen om ingroeibanen te creëren voor de beginnende leraar, een eindeloopbaanplanning mogelijk te maken en de werkdruk ook tijdens de loopbaan beheersbaar te houden.

De Vlaamse Regering wil aan directies en leerkrachten het nodige vertrouwen geven, via een forse reductie van de planlast, op alle niveaus.
(Visietekst, p. 25 en Regeerakkoord, p. 96)

Vermoedelijk wordt hier met ‘planlast’ niet het werk van planning en opvolging bedoeld dat voor elke onderwijsjob en bij uitbreiding voor elke job noodzakelijk is, maar wel de zogenaamde ‘irriterende’ of overbodige planlast.Geen enkele leerkracht kan tegen een forse reductie van deze planlast zijn! Uit het eindrapport van het onderzoek ‘Kom op tegen planlast’ blijkt dat, als je planlast echt wil bestrijden, je moet investeren in de opleiding van de directeurs. Goede directeurs fungeren als poortwachters die planlast tegenhouden. Over het investeren in de opleiding van directeurs staat in het Regeerakkoord evenwel geen letter.

Maar tegelijk staan in deze context van ‘het nodige vertrouwen geven’ ook de volgende zinnen die te denken geven:

We bouwen meer flexibiliteit en autonomie in voor onderwijsinstellingen om een echt personeelsbeleid te kunnen voeren in hun school. Dat zal scholen toelaten om hun kader kwalitatiever in te vullen en hun leraren maximaal en efficiënt in te zetten in de klas.
(Regeerakkoord, p. 98)

Waarom al impliciet het huidige personeelsstatuut in vraag stellen? Wordt met de bovenstaande woorden de invoering van een ‘schoolopdracht’ bedoeld in plaats van de huidige opdracht van het aantal lesuren, zodat een alsmaar zwaardere taakbelasting mogelijk wordt, zoals op vandaag in de hogescholen? Of wordt een verdere versoepeling van de diplomavoorwaarden bedoeld, waardoor leraren verplicht kunnen worden vakken te geven waarvoor ze niet zijn opgeleid– wat dan weer de kwaliteit niet ten goede komt.Of wordt bedoeld dat leraren makkelijker kunnen worden verschoven naar steeds andere scholen?

4. Slotbedenkingen over het gehanteerde denkkader en financieringskader

4.1.Ondernemingszin en ondernemerschap

‘Je pense, donc je suis’, zo gaf René Descartes ons bijna vierhonderd jaar geleden mee. ‘Alleen wie economisch denkt, zal zijn!’– deze aanzienlijke verenging van het denken schoof ik de Vlaamse Regering bij het NT2-verhaalin de schoenen, maar het lijkt wel de kern van hun hele denkkader:

Ondernemen is ook een kwestie van cultuur. Met gerichte initiatieven in de media en het onderwijs willen we bijdragen aan een grotere waardering voor ondernemingszin en ondernemerschap. We ondersteunen KMO’s in cruciale levensfasen en waken erover dat falen geen stigma is.

Via gerichte initiatieven in de media en het onderwijs dragen we Vlaamse succesverhalen en goede praktijken uit en creëren we een positieve attitude tegenover ondernemingszin en ondernemerschap. Daartoe maken we sluitende afspraken in de eindtermen en de beheersovereenkomst van de VRT. We voorzien in een speciaal statuut voor student-ondernemers.

We stimuleren de ondernemingszin en ondernemerschap, met een leerlijn van kleuter- tot hoger onderwijs en door partners van de school in de klas te halen om ondernemerschap te bevorderen. (Regeerakkoord, p.r, p. 27 en p. 100)

Waarom kunnen zij niet zulk denkkader hanteren voor pakweg de Vlaamse ambtenaren, of voor het Vlaamse onderwijspersoneel?

‘Openbare dienstverlening /Onderwijs verstrekken is ook een kwestie van cultuur. Met gerichte initiatieven in de media en in de ondernemingen willen we bijdragen aan een grotere waardering voor de ambtenaren / het onderwijspersoneel en voor de openbare diensten / de scholen. We ondersteunen de openbare diensten / de scholen in cruciale momenten en waken erover dat falen geen stigma is.

Via gerichte initiatieven dragen we goede praktijken uit en creëren we een positieve attitude tegenover de ambtenaren /het onderwijspersoneel en de openbare diensten / de scholen.’

4.2. Maar geen rechtvaardige fiscaliteit om ruimte te creëren voor de democratische school

De partijen die deel uitmaken van de Vlaamse Regering en van de Federale Regering kunnen we niet alleen een verenging van het denken, maar ook een aanzienlijke verenging van hun economisch denken in de schoenen schuiven. In hun economisch rekensommetje geen plaats voor een rechtvaardige fiscaliteit om de averechtse herverdeling van de voorbije 30 jaar te stoppen en om ruimte te creëren voor(onder meer)de democratische school die de 21eeeuwnodig heeft.

In hun begrotingsopmaak geen belasting van de allergrootste vermogens in dit land, terwijl de rijkste 1 % van de bevolking evenveel bezitten als de 60 % minst rijken.In hun begrotingsopmaak nagenoeg geen belasting op de grootste (meestal transnationale) bedrijven: de top 1000 van de bedrijven met de grootste winsten betaalt 4 tot 6 % belastingen (naargelang van het jaar). Terwijl de media ons altijd weerom de oren slaan met het verhaal dat‘de Belg’ of ‘de Vlaming’ van de hoogste belastingen ter wereld betaalt,maken onze politici en leden van het koningshuis zich op hun handelsmissies in het buitenland sterk dat we een belastingsparadijs zijn voor grote investeerders en de grootste vermogens.

‘Hoe lang zullen wij ons nog blijven laten scheren als de makke schapen?’

Dirk De Zutter