Het Onderwijsdebat. Waarom de hervorming van het secundair broodnodig is

Facebooktwittergoogle_plusmail

In het debat over het secundair onderwijs in Vlaanderen merk je vaak een terughoudendheid tegenover het idee van een structurele hervorming. Rechtse opiniemakers lijken best tevreden met het onderwijs dat we vandaag kennen. Onze best presterende leerlingen scoren uitstekend in internationaal vergelijkend onderzoek. Daarnaast spelen deze opiniemakers in op angsten bij leerkrachten en ouders. Zal een onderwijs dat focust op het versterken van de zwakste leerlingen geen nivellering naar beneden betekenen? Is interne differentiatie van leerlingen wel haalbaar voor onze overbevraagde leerkrachten? Kunnen we ons niet beter focussen op de best mogelijke kwaliteit te leveren binnen de bestaande structuren?

Het boek “Het onderwijsdebat. Waarom de hervorming van het secundair broodnodig is”, geschreven door professoren en onderzoekers van vier Vlaamse universiteiten, toont aan dat een structurele hervorming noodzakelijk is om de sociale ongelijkheid aan te pakken. Het Onderwijsdebat stelt het probleem scherp, met cijfers en verhalen uit de praktijk. Het boek biedt de wetenschappelijke onderbouw die we de komende jaren nodig zullen hebben om een hervorming te bepleiten die kwalitatief onderwijs biedt aan alle leerlingen.

Wij bespreken hier slechts enkele van de thema’s in dit boek, te beginnen met de vraag naar meer aandacht voor techniek op school, en de problemen die hierbij komen kijken. In dit kader halen we ook kort de problematiek van het B-attest aan. Vervolgens gaan we in op de noodzaak van een bredere en langdurige basisvorming, als wapen tegen onderwijsongelijkheid. Ook kijken we naar de ambitieuze maar noodzakelijke hervormingen die de auteurs beogen.De auteurs halen buitenlandse voorbeelden aan, die de haalbaarheid van een onderwijs dat meer individueel diversifiëert aantonen.

Techniek op school voor iedere leerling

Is het geen vreemde contradictie dat het bedrijfsleven schreeuwt om krachten met een technisch profiel, maar dat ons onderwijs techniek als een tweede keuze voorstelt?

Jan Ardies en Jelle Boeve – de Pauw herlazen het eindrapport van de commissie Techniek op School voor de 21ste eeuw (TOS21) en zien er een goede basis in om elke leerling inzicht in techniek bij te brengen. Hier gaat het om het begrijpen, hanteren en duiden van techniek, niet om onderwijs als voorbereiding op één enkel technisch beroep. Techniek in het onderwijs moet draaien om competenties die in verschillende contexten kunnen ingezet worden.

Als we in het basisonderwijs de aandacht voor techniek versterken zullen, volgens deze auteurs, leerlingen meer geneigd zijn een positieve keuze voor een technisch georiënteerde studierichting te kiezen. Maar ook wie deze keuze niet maakt, zou tot op het einde van het secundair onderwijs lessen over techniek moeten blijven krijgen.

Het B-attest: techniek voor wie faalt in het aso

Wat baten echter campagnes om technisch onderwijs te promoten als diegenen die een positieve keuze maken voor tso of bso zich omringd weten door leerlingen die ‘geheroriënteerd’ werden op basis van tegenvallende resultaten in het ‘algemeen’ secundair onderwijs?

Het watervalsysteem laat er geen twijfel over bestaan: je valt weg uit het aso, en komt terecht in het tso of bso. De omgekeerde beweging zien we zelden of nooit. Het systeem toont ons duidelijk wat het denkt van mensen met een technisch profiel: dat kies je als je te zwak bent voor een ‘algemene’ of beter gezegd ‘abstracte’ studierichting. De sfeer in het bso is er dan ook naar: een negatieve houding tegenover het leren, en een zwakke ontwikkeling van de burgerschapscompetenties bij een groot deel van de leerlingen.

Het B-attest maakt duidelijk dat het technisch onderwijs, hoe noodzakelijk het ook is en hoe interessant het ook kan gegeven worden, minder uitdagend is dan het aso. Het blijkt, volgens een bijdrage van Bram Spruyt en Ilse Laurijssen, ook een bron van onderwijsongelijkheid te zijn. Leerlingen met een B-attest hebben de keuze af te zwakken, of over te zitten. De keuze af te zwakken wordt meer gemaakt door kinderen die opgroeien in een gezin met een lagere sociaal-economische status. Afzwakken naar een richting in het tso of bso leidt tot lagere slaagkansen in het hoger onderwijs.

Spruyt en Laurijssen stellen dat het eenvoudigweg afschaffen van het B-attest geen realistische piste is. Wel pleiten ze voor een omslag, waarbij leerlingen meer een eigen ritme kunnen volgen bij het verwerken van de leerstof. Ook stellen ze voor de studiekeuze uit te stellen, tot bijvoorbeeld 16 jaar. De auteurs betreuren dat deze piste niet weerhouden is in het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs.

Een brede basisvorming: geen verre droom, maar werk aan de winkel

Ovds pleit al jaren voor een gemeenschappelijke basisvorming tot 16 jaar. In de context van het Nederlandstalig en Franstalig onderwijs in België lijkt dit een verre droom. Niet iedereen kan er zich veel bij voorstellen. Ides Nicaise, Bram Spruyt, Mieke Van Houtte en Dimokritos Kavadias stellen in hun bijdrage Het onderwijsdebat: een tussenstand, dat deze gemeenschappelijke basisvorming in de meeste West-Europese landen bestaat, vaak met uitstekende resultaten tot gevolg.

Een brede basisvorming betekent niet de veralgemenisering van het aso. De leerling in het onderwijs dat dit boek nastreeft krijgt een brede en evenwichtige vorming: hij of zij is op de hoogte van wetenschap en economie, spreekt Nederlands en vreemde talen, toont interesse voor cultuur, durft zich artistiek te uiten, houdt van sport en doet aan levensbeschouwing. Deze leerling is ook technisch vaardig, en kan een positieve keuze maken voor een technische opleiding en beroep.

Tracking

Jeroen Lavrijsen en Ides Nicaise pakken in hun bijdrage een veelgehoord misverstand aan over individuele diversifiëring in het onderwijs. Al te vaak horen we de angst uitspreken dat het aan boord houden van zwakkere leerlingen de sterkere leerlingen zou afremmen in hun groei.

Ons onderwijs doet aan een vroege tracking, leerlingen worden in praktijk al in de eerste graad ingedeeld in groepen volgens studiecapaciteiten. Ook het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs houdt expliciet de mogelijkheid van zogenaamde‘niveaugroepen’in de eerste graad open.

Lavrijsen en Nicaise tonen met gegevens uit internationaal vergelijkend onderzoek echter aan dat dit systeem van vroege tracking negatieve gevolgen heeft voor de zwakste leerlingen, en in het algemeen voor leerlingen met een sociaal-economisch zwakkere achtergrond. Daarnaast, en dat is opvallend, blijkt dat de sterkere leerlingen in dit systeem niet beter presteren dan wanneer de selectie op een later tijdstip gebeurt. De OESO, geen club van linkse idealisten, raadt haar lidstaten dan ook aan de indeling naar onderwijsvorm niet te vroeg te maken. Lavrijsen en Nicaise voegen er aan toe dat in een brede eerste graad de sterkere leerlingen voldoende moeten uitgedaagd worden met verdiepende inhouden. Een brede eerste graad is geen eenheidsworst, eerder een gevarieerd eenpansgerecht.

Aanbevelingen

De auteurs van Het Onderwijsdebat kiezen voor een onderwijs dat de leerlingen langer samenhoudt met het zelfde curriculum, met ruimte voor diversifiëring binnen de klasgroep. Het boek toont ook dat dit onmogelijk is met de structuur die ons secundair onderwijs vandaag heeft. Een hervorming is dus nodig, en die zal niet enkel structureel zijn, maar ook ingrijpen op de manier waarop we als leerkrachten in de klas werken. We mogen het werk dat hierbij komt kijken niet onderschatten.

De auteurs stellen enkele concrete maatregelen voor die kunnen bijdragen tot een succesvolle hervorming van het onderwijs. Ze beginnen met een vraag tot het versterken van het basisonderwijs als voorbereiding op het secundair onderwijs. De auteurs schuiven het model van de authentieke middenscholen naar voor, die aansluiten bij de basisschool en onafhankelijk staan van de bovenbouw. Vervolgens vragen ze B-attesten, die ze zeer negatief beoordelen, pas toe te kennen na de tweede graad, of zelf volledig te vervangen door een zogenaamd ‘aanbevolen traject’ voor de leerling. Er moet in elk geval ook meer aandacht komen voor studiekeuzebegeleiding.

De in het masterplan voorgestelde ‘domeinscholen’ worden verdedigd: alle scholen moeten in minstens één studiegebied zowel op doorstroom naar het hoger onderwijs gerichte studierichtingen als arbeidsmarktgerichte opleidingen aanbieden, alsook studierichtingen die de dubbele finaliteit aanbieden. Uiteraard stellen de auteurs dat de lerarenopleidingen en nascholingstrajecten versterkt moeten worden om deze hervormingen succesvol door te voeren.

Dit boek verschijnt op het moment dat een masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs voorligt, en in de aanloop naar verkiezingen waarin onderwijs een belangrijk thema lijkt te worden. De auteurs tonen zich niet enthousiast over het masterplan, dat ze een vaag compromis noemen. Wel willen ze de gelegenheid te baat nemen hun wetenschappelijke argumenten toe te voegen aan het maatschappelijk debat dat zich rond onderwijs ontwikkelt.

Wij van Ovds zijn verheugd dat deze auteurs de wetenschappelijke basis waarop wij onze ideeën baseren grondig versterken, en raden het boek dan ook van ganser harte aan onze lezers aan.

Het Onderwijsdebat. Waarom de hervorming van het secundair broodnodig is.

Redactie: Ides Nicaise, Bram Spruyt, Mieke Van Houtte en Dimo Kavadias

Auteurs: Ides Nicaise, Bram Spruyt, Mieke Van Houtte, Dimo Kavadias, Jan Ardies, Jelle Boeve-De Pauw, Jeroen Lavrijsen, Lore Van Praag, Ilse Laurijssen, Simon Boone, Nadine Engels, Katrien Struyven, Catherine Coubergs

Uitgeverij: EPO

www.epo.be