Inleiding van Anne Morelli bij “Rebellen. Van de Galliërs tot de indignados”

Facebooktwittergoogle_plusmail

In het boek “Rebellen.Van de Galliërs tot de indignados” (EPO) leggen historici díe bladzijden uit onze geschiedenis bloot waarvan de officiële bronnen – die van de gevestigde macht – geen gewag maken. Van boerenopstanden en stedelijke oproer tot religieuze oppositie en stakingen die aan de basis liggen van onze sociale zekerheid. Een pantheon van onze vaderlandse onruststokers. Hieronder volgt de inleiding van Anne Morelli, professor aan de ULB en samensteller van het boek.

Rebellen

Geschiedenis wordt geschreven door de machthebbers en hun verlangen zichzelf voor te stellen als bijzonder, onwankelbaar, heldhaftig,eeuwig. De eerste ‘geschiedschrijvers’ waren dan ook kroniekschrijvers ten dienste van de oude dynastieën waarvan ze de pracht en praal en de verdiensten moesten bezingen.

Ondanks de lovenswaardige inspanningen van enkele historici om zich los te rukken van die macht – die hen gewoonlijk tewerkstelt en vergoedt – blijft de geschiedenis die we kennen van handboeken, herdenkingen en monumenten een weerspiegeling van de kijk op het verleden die door het (economische, regionale, nationale of – zoals vandaag – Europese, …) gezag wenselijk wordt acht.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het opstandige karakter van veel historische gebeurtenissen in die – duidelijk politiek getinte – geschiedschrijving volledig aan het oog wordt onttrokken. De helden, de historische aanwijzingen, de geschiedkundige bewijsvoering kunnen ten dienste staan van ofwel een volgzame cultuur, ofwel een cultuur van opstand en subversie.

De ‘moraal’ van een historische gebeurtenis of zelfs van een dynastieke opsomming zou kunnen zijn dat er niets aan te doen is, dat er altijd koningen en machtige mannen geweest zijn die altijd al het laatste woord hadden. Maar hij zou ook kunnen zijn dat onze voorouders dankzij hun vaak gewelddadige strijdlustigheid het gezag uitdaagden, de macht ervan beperkten en uiteindelijk hun situatie verbeterden. Het is duidelijk dat we bij het valoriseren van die tweede ‘moraal’ de loftrompet steken over de rebellen, dat we de burgers of leerlingen ‘slechte’ voorbeelden voorschotelen.

In de schoolleerplannen is alleen plaats voor de onvermijdelijke buitenlandse revoluties: de Franse Revolutie, de Russische Revolutie… En dan nog zet men er vooral het buitensporige, gewelddadige, radicale en hopeloze karakter van in de verf en worden ze voorgesteld als catastrofes. Terechtstellingen van koningen, tsaren of aristocraten krijgen meer ruimte dan het eeuwenoude sociale leed dat eraan ten grondslag ligt. Zo vloeit er meer inkt over de Terreur van de Franse Revolutie dan over de bevrijdende breuk met het oude systeem.

Of neem de Engelse parlementaire monarchie. Die wordt geprezen als uitgangsmodel voor de moderne democratieën. Dat ze het gevolg was van de onthoofding van Karel I van Engeland, wordt er echter zelden bij verteld. Of de tot vrijwel heilige tekst verheven Verklaring van de Rechten van de Mens. Zou die zelfs maar het daglicht hebben gezien als niet ook het hoofd van Lodewijk XVI onder de valbijl van de guillotine was terechtgekomen?

Geweld in ere herstellen

Geweldloosheid is vandaag zowel in ons land als in heel wat andere landen een van de pijlers van de beschaving en jongeren krijgen nu Gandhi voorgeschoteld als universeel toepasbaar rolmodel. Is dat in sommige gevallen echter geen manier om volgzaamheid te prediken en sociale en politieke conflicten uit de weg te gaan?

De agressiviteit die ontstaat uit sociale frustraties wordt gekanaliseerd in voor de machthebbers onschadelijk vaarwater onder de vorm van sport, videospelletjes,… Als er al individuele en collectieve projecten ontstaan, dan moeten die noodzakelijkerwijs het heersende discours volgen, zonder een conflict met de autoriteiten te riskeren.

Dergelijke plannen zijn best ook nog eens zo onbestemd mogelijk (‘een betere wereld’, ‘een andere wereld’) en spelen zich bij voorkeur in de verbeelding af, zelfs als ze naar een radicale en absolute verandering streven. Hoe kan zulke verandering zich trouwens voordoen als de relaties tussen individuen en autoriteiten niet veranderen? Via een magische, geweldloze kunstgreep?

Revoluties zijn niet meer of minder dan (individuele of collectieve) criminele dwaasheden waarbij de mens opnieuw gedemoniseerd wordt. Vernielings- én scheppingsdrang gaan samen (zoals het nieuwe ‘samenzijn’ dat we zien opduiken in de moderne samenlevingsvormen) en geen enkel revolutionair fenomeen staat los van de sociale, politieke of economische problemen die aan de basis ervan liggen.

We vinden revolutie vaak gewelddadig, maar is de situatie die eraan voorafgaat niet even gewelddadig, zelfs als het gaat om geweld dat gelegitimeerd wordt in door het gezag bedachte wetten?

Gezagsdragers staan niet zomaar vrijwillig hun macht en privileges af en dus is het onmogelijk om diegenen die zich aan hun voorrechten vastklampen ‘vriendelijk’ af te zetten of erop te vertrouwen dat ze zullen instemmen met een verandering waarvoor ze zelf de tol moeten betalen.

Als we willen breken met een toestand van onderwerping die alleen geoorloofde nepconflicten toelaat binnen de grenzen die door de autoriteit en de macht zijn bepaald en die niets veranderen aan de fundamentele machtsverhoudingen, dan is geweld (reëel of als dreigement) onvermijdelijk.

Breuken gaan tegelijkertijd gepaard met bevrijdend geweld, maatschappelijke creativiteit en collectief en sociaal streven. Na een intens hevige revolutionaire fase ontstaat er een nieuw evenwicht uit de compromissen tussen de totale hervormingsprojecten van de revolutionairen en de oude instellingen.Alle restauratiepogingen tot terugkeer naar het Ancien Régime na de Franse Revolutie ten spijt, lukte het dan ook niet om alle sociale verworvenheden van 1789 – die de eerste instrumenten leverden voor een bepaalde gelijkheid tussen mensen – volledig uit te gommen.

De geschiedenis van de mensheid is het resultaat van de voorwaartse en achterwaartse stappen van verschillende sociale groepen. Het einde van een politiek en maatschappelijk systeem lokt de geboorte van een ander uit, een dat op zijn beurt enige tijd maatschappelijk dominant is – en ter plaatste trappelt of slechts langzaam evolueert – tot het overhoop wordt gehaald.

Als braaf protest en vreedzame eisen tot geen enkel resultaat leiden en het sociale of politieke leed nog verergert, dan is toevlucht tot collectief geweld de allerlaatste oplossing, de onvermijdelijke breuk. De Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1793 voorzag in artikel 35 al het recht om zich te ontdoen van een tirannie (maar waar begint de tirannie?), en een filosoof als Jean-Paul Sartre liet niet na politiek geweld te verdedigen als een legitiem bevrijdingsmiddel.

Een andere kijk op het verleden

Als we het er over eens zijn dat onze kijk op het verleden slechts ideologisch gekleurd kan zijn, kunnen we moeiteloos begrijpen dat geschiedkundige media subversies (waarbij we ‘subversie’ definiëren als de actie van het omverwerpen, van het van koers doen veranderen) zeer negatief voorstellen. Opstandelingen en hun leiders worden systematisch in diskrediet gebracht, gedemoniseerd, gemarginaliseerd.

Neem nu Robespierre, in de leerboeken wijdverbreid voorgesteld als de man van het Schrikbewind (de Terreur), maar het was ook hij die vanaf 1789 – tegen de meerderheid van de gedeputeerden in – vocht voor algemeen kiesrecht, iets wat hij drie jaar later wist af te dwingen. Hij eiste bovendien de afschaffing van de doodstraf en van de slavernij in de kolonies, ijverde voor staatsburgerschap voor Joden en was tegen de oorlog gekant.

Toen de Revolutie van alle kanten bedreigd werd, legde hij inderdaad zijn tegenstanders het zwijgen op door hen te bedreigen of te vermoorden. Maar de hedendaagse geschiedschrijving heeft van hem enkel dit schandelijke beeld van zijn einde bewaard, misschien wel om aan te tonen dat elke revolutie gegarandeerd op die manier eindigt.

En hoe kunnen we verklaren dat alle handboeken het hebben over het Schrikbewind, maar dat de aristocratische ‘witte Terreur’ of de bloederige repressie van de Parijse Commune (26.000 doden in een week tijd) wordt doodgezwegen, als het niet is omdat men vreest dat de leerlingen empathie en medelijden zouden kunnen voelen voor de gefusilleerden en hun streven naar gelijkheid? De misdadige repressie van de Commune wordt slechts gezien als een eenvoudige ‘reactie’ op de excessen ervan en is dus goed te praten, zelfs noodzakelijk of deugdzaam.

Historici zetten zich nochtans in om de geschiedenis van de rebellen te vertellen en om diegenen in ere te herstellen die in de loop der eeuwen met verschillende middelen het zeer onrechtvaardige systeem dat ze moesten ondergaan de oorlog verklaarden (in het Latijn ‘bellum’, waarvan het woord ‘rebel’ is afgeleid).

Zo was de hele Franse landelijke geschiedenis tijdens het Ancien Régime een aaneenschakeling van boerenopstanden (de Jacqueries in de veertiende eeuw, de Croquants in de zestiende en de zeventiende eeuw, de Bonnets Rouges, de Tards Avisés, …). De boeren, drie vierde van de bevolking, richtten zich meestal tegen de door koning of heer opgelegde belastingen en bestormden kastelen. Ze werden echter meedogenloos onderdrukt, iets waar pas een einde aan kwam toen de Franse Revolutie de heerlijke rechten en de monarchie afschafte: een overwinning voor de boeren.

Maar de Revolutie loste niet alle problemen op en verzet tegen de belastingen of tegen de kelderende wijn- en landbouwprijzen bleef ook in de negentiende eeuw en tot op de dag van vandaag (zie de Franse milieuactivist en landbouwsyndicalist José Bové) aan de orde van de dag in de boerenwereld.Uiteraard waren deze boerenopstanden niet eigen aan Frankrijk en hadden ze hun equivalent in andere Europese landen, waaronder ons land.

Europa was ook regelmatig het toneel van stedelijke opstanden en in de negentiende eeuw liet de mechanisering een spoor van werkloosheid en armoede achter. Dat ontketende de opstand van de ‘machinebrekers’, in Engeland luddieten genoemd naar de mysterieuze Ned Ludd die in wraakbrieven de nachtelijke vernielingen van textielmachines aankondigde. Deze luddieten, die principieel eigenlijk niet vijandig tegenover de mechanisering stonden en ook niet per se reactionair waren, kregen veel steun van de bevolking.

Sommige opstandige boeren (in navolging van José Bové?) staan – net als sommige arbeiders – simpelweg vijandig tegenover de moderne vooruitgang en de vernieuwingen omdat die banen kosten of ons traditionele gedrag veranderen.

In Frankrijk boog historicus Augustin Thierry zich al in de negentiende eeuw over het lot van de ‘rebellen’, bijvoorbeeld een handvol koopmannen die in de twaalfde eeuw het koninklijke en paapse gezag trotseerden, of de inwoners van Vézelay die in opstand kwamen tegen hun tirannieke abt. Deze positivistische historicus had vertrouwen in de lineaire opmars van de vrijheid en was vol bewondering voor die voorouders ‘wier dagen van volkomen en volledige onafhankelijkheid van korte duur waren’, maar die hij desondanks toch voorstelde als de wegbereiders van de vrijheid.

Ook in Italië bogen verschillende werken en een tijdschrift zich over onze rebelse voorouders, maar het was vooral Eric Hobsbawm die deze onderzoeken hun adelbrieven (om het zo te zeggen!) verleende. Deze marxistische historicus, oprichter van het gezaghebbende tijdschrift Past and Present: A journal of scientific historybestudeerde de wortels van de volksopstand inPrimitive Rebels: Studies in Archaic Forms of Social Movement in the 19th and 20th Centuries en in Bandits.

In dat laatste werk onderzocht hij de sociale oorsprong van de rebellie voor de komst van moderne politieke instellingen, en dat in een geografische ruimte die veel groter is dan Europa. Hij poneert er het personage van de ‘sociale bandiet’, de voorloper van de revolutionair die door de boeren als held werd bewonderd, maar door heer en staat als crimineel bestempeld: een vogelvrij verklaarde als blijvend voorbeeld van ongehoorzaamheid.

Hobsbawm heeft medestanders in Canada en de Verenigde Staten. Zo schaarde links Amerika zich achter een essay van Isser Woloch, een uitgebreide samenvatting van de Franse Revolutie die hij beschreef als de breuk die de weg naar gelijkheid blootlegde op het niveau van de gewone man. Ook het werk van Arno Mayer, een andere Amerikaanse historicus, professor aan de universiteit van Princeton, is populair. Hij beschreef inzichtelijk de geweldsspiralen en de reacties daarop tijdens de Franse en Russische revoluties.

En in België?

Slechts weinig werken beschrijven de geschiedenis van onze streken aan de hand van de opstanden die we gekend hebben. L’Histoire ouvrière et paysanne de Belgique, gepubliceerd in 1930, pretendeerde bestemd te zijn ‘voor de grote massa Belgische arbeiders en boeren’, maar ondanks de eenvoudige taal neemt het werk maar weinig afstand van dat van Henri Pirenne waarvan het een aan ‘vrijwel volledig ongeletterde lezers’ aangepaste versie wilde zijn.

De geschiedenis van onze streken wordt dus systematisch gezien en beschreven vanuit het standpunt van het gezag en de overwinnaars. Die partijdigheid kan discreet en handig verborgen zijn onder een laagje objectieve neutraliteit of – zeldzamer – duidelijk naar voren komen. Bij deze laatste categorie hoort een geschiedenishandboek, gepubliceerd aan het begin van de twintigste eeuw, van de vermaarde historicus Godefroid Kurth, nog steeds geëerd aan de universiteit van Luik waar hij doceerde.

Hij stak zijn pedagogische opzet niet onder stoelen of banken en maakte op de laatste pagina van het handboek zonder enige aarzeling zijn politieke doelstellingen duidelijk: ‘Besluit. Kinderen, tracht de zegeningen waarmee de Voorzienigheid ons land heeft overstelpt waardig te blijven. Toon jullie trouw aan jullie godsdienst, aan jullie koning, aan jullie nationale vrijheden. En als jullie groot zijn, verzet jullie dan met al jullie kracht tegen diegenen die atheïsme en revolutie prediken.’

Om deze monarchistische en conservatieve doelstellingen te bereiken, paste het vanzelfsprekend niet de sociale en politieke bewegingen die onze regio’s onrustig maakten zelfs maar een beetje te prijzen. Meestal werden ze dan ook onder het tapijt geveegd of afgekeurd.

Dat springt vooral in het oog bij religieuze kwesties. In de zestiende eeuw waren de godsdienst‘rebellen’ de protestanten die uiteindelijk door het katholieke Spanje werden verslagen. Het protestantisme hield onbetwistbaar een ontkenning van de gevestigde orde in, een probleem voor de monarchie dus en de enige echte sociaal-politieke ‘dreiging’ voor de zestiende-eeuwse machthebbers. Emmanuel Le Roy Ladurie was zelfs van mening dat het protestantisme aan de basis stond van de linkse stroming.

Een handboek over de geschiedenis van België uit 1926, van de hand van Meunier, stelde het protestantisme dan ook enkel voor als een storend element: het protestantisme ‘zaait onenigheid in verschillende Europese landen. Degenen die deze doctrine in België prediken zetten het volk vaak aan tot opstand en allerlei excessen. Hun oproepen leveren bedroevende resultaten op. Het tuig van het volk en bendes avonturiers stortten zich op de kloosters, kerken en abdijen […]. Geïrriteerd door deze barbaarse handelingen zond Filips II […] de hertog van Alva naar België om er de orde te herstellen en diegenen te straffen die zelfs maar zijdelings iets met de onlusten te maken hadden.’ Aan het eind van deze les werden de leerlingen uitgenodigd diep na te denken over de risico’s die opstanden met zich meebrachten en kregen ze nog volgende morele bedenking mee: ‘Rechtvaardigheid en matiging zijn twee mooie deugden.’

Ze leerden echter nooit iets over de kritiek van de protestantse leer op de katholieke godsdienst (uit angst dat ze het ermee eens zouden zijn?). De protestanten waren voor hen teruggebracht tot enkele vandalen die het artistieke patrimonium vernielden, beeldenstormers waarmee ze zich allicht niet zouden kunnen identificeren.

Ze kregen ook niet te horen dat de protestanten tussen 1577 en 1585 in onze streken de calvinistische republieken stichtten (in Gent, Brugge, Antwerpen, Brussel, Mechelen, Bergen, Doornik, …), dat ze even sterk tegen de politiek als tegen de godsdienst gekant waren, en dat ze verdwenen onder de klappen die de katholieken en de Spanjaarden hen toedienden – al kunnen we ons afvragen wie van ons dat wel weet buiten een kleine kring deskundigen.

Een ander geschiedenishandboek van Meunier, hoofdinspecteur bij de onderwijsinspectie, stelde de protestanten voor als inhalig en enkel uit op eigenbelang omdat hun doctrine het hen toeliet ‘zich meester te maken van de bezittingen van bisdommen en kloosters’. Dit handboek, verschenen in 1932, stelde de vernederende openbare boetedoening van Gent door Karel V in 1540 voor als ‘de rechtvaardige straf voor de onvergeeflijke excessen’ van het volk,[21]waarbij ‘de vorst een grote slag wilde toebrengen’ aan de rebellen.

De conclusie van het hoofdstuk is duidelijk: ‘Van toen af aan durfde de eens zo trotse stad Gent niet meer tegen haar vorsten in opstand komen.’ Het handboek gaf de leerlingen ook nog volgende moraal mee: ‘Bedenking: gewelddadigheden en uitspattingen leiden vaak tot jammerlijke gevolgen.’ Enkele pagina’s verder gebruikte het de dood van keizerin Maria-Theresia, iets wat de inwoners van ons land erg zou moeten bedroeven, om de leerlingen aan te sporen tot een al even diplomatieke als expliciete moraal: ‘Bedenking: onze voorouders zijn altijd zeer verknocht geweest aan de vorsten die hen behoedzaam behandelden.’

Het politieke engagement in de verschillende handboeken over de Belgische geschiedenis is soms subtieler dan bovenstaande voorbeelden, maar het verschilt er al met al niet veel van.Opstanden worden systematisch uit het officiële collectieve geheugen geweerd, of het nu die van de Middeleeuwse boeren waren of die van de arbeiders uit de negentiende en twintigste eeuw (1830, 1847, 1848, 1854, 1886, 1893, 1902, 1932, 1950, 1960-1961, …).

Zo hebben ze ons bijvoorbeeld nooit iets verteld over de ontevredenheid van het volk in de lente van 1847 toen zowat overal in het land onlusten uitbraken. Alleen Brussel bleef verhoudingsgewijs van dat oproer gespaard omdat de Brusselse autoriteiten om de openbare orde in de stad te verzekeren brooddepots openden waar het brood goedkoper werd verdeeld. Maar in september 1854 ontsnapte ook de hoofdstad niet meer aan nieuwe onlusten over de stijging van de broodprijs. Deze verzwijging maakt het ons onmogelijk om het verloop van onze eigen geschiedenis echt te begrijpen, om verbanden te leggen tussen al deze volksopstanden. Dergelijke verbanden zijn niet altijd even duidelijk maar ze moeten er wel zijn.

Ook in onze gewesten waren er mensen die het protestantisme omarmden en zich tegen de maatschappij verzetten, en ook bij ons hadden de Franse revolutionairen medestanders. Zo werd de ontheiliging van het Sint-Goedelekapittel in Brussel in maart 1793 geleid door ene Hendrickx, toch wel een Brusselse naam. En ook in andere regio’s van ons land namen ‘autochtonen’ deel aan de Franse Revolutie.

We zouden wel meer willen weten over de Société des Amis de la Liberté et de l’Egalité de Bruxelles (1792-1793) of over de samenstelling van het kiescollege dat op25 februari 1793 in het Sint-Goedelekapittel bij elkaar kwam en waar een handvol Brusselse democraten zich uitsprak voor de annexatie van Brussel bij het republikeinse Frankrijk. Even weinig weten we over de leden van de Assemblée des Belges réfugiés die in Parijs de revolutionaire democraten verzamelde die Bussel hadden verlaten op het moment dat de Franse revolutionairen vertrokken (na de nederlaag van Dumouriez in Neerwinden).

De Gallische opstanden, de revoluties van de achttiende eeuw of de Belgische Revolutie van 1830 konden de Belgische geschiedschrijvers echter niet opzettelijk terzijde schuiven.

Het Gallische ‘verzet’ tegen de Romeinse ‘indringer’ deed dienst om een zogenaamd oeroud Belgisch nationalisme aan te wakkeren. Het liet ook toe om ‘Belgische helden’ uit lang vervlogen tijden in de schijnwerpers te plaatsen (of moeten we zeggen: te creëren?). Maar als we voorbij de mythe van het Gallische verzet tegen de ‘vreemde’ inval kijken, wat was dan precies het politieke en sociale karakter van die Gallische opstanden?

De Luikse en Brabantse omwentelingen van de achttiende eeuw werden ondanks hun tegengesteld karakter gelijktijdig besproken. Zo kon het conservatieve en ‘patriottische’ karakter van de Brabantse revolutie de maatschappijondermijnende aspecten van de Luikse tenietdoen.

Al meer dan een halve eeuw geleden beschreef Suzanne Tassier zowel rechtse als linkse revolutionairen uit deze periode: avonturiers, voorlopers van de Vlaamse Beweging, radicalen, ‘terroristen’, spionnen,…

Over 1830 moeten we dan weer eerst opmerken dat veel leerlingen (en zelfs veel Belgen in het algemeen) niet weten dat België ontstond uit een revolutie die een sterke sociale fase kende. We kunnen vanzelfsprekend niet beweren dat de Belgische Revolutie van 1830 in de onderwezen geschiedenis verborgen werd gehouden, maar ze is over het algemeen wel alleen eenzijdig voorgesteld vanuit patriottisch en nationalistisch oogpunt.

Het was Maurice Bologne die naar aanleiding hiervan ‘de knuppel in het hoenderhok’ gooide en het onbetwistbaar sociale karakter van de gebeurtenissen van 1830 onthulde. Sindsdien zijn historici het niet eens over hoe we de Belgische Revolutie moeten interpreteren, maar het is onmogelijk om er vandaag geen overduidelijk maatschappijondermijnend aspect in te zien.

De andere opstanden die ons land gekend heeft en die in dit boek aan bod komen, zijn in de algemeen verspreide geschiedenis van België totaal afwezig. Wellicht is dat een bevestiging van de bewering van Jean-Luc Dehaene, eerste minister tijdens de algemene staking van 1993, dat ‘het in ons land nooit de straat is die beslist’. Die uitspraak moest dan wel elk voornemen tot betoging en protest ontmoedigen, ze wordt door de geschiedenis zelf tegengesproken. Want ook al is de gelatenheid in door ellende of werkloosheid getroffen milieus vaak bijzonder groot, verzetsacties – hoe sporadisch ook – leiden tot sociale verworvenheden.

Jan Dhondt, professor aan de universiteit van Gent, toonde in 1954 al aan dat de radicaalste maatschappelijke en politieke veranderingen in ons land niet het gevolg waren van verkiezingen en parlementen, maar eerder ontstonden onder druk van een heftige publieke opinie. Georganiseerde verzetsacties resulteerden in kortere arbeidsdagen, erkenning van het stakingsrecht, ziekteverzekeringen, werklozensteun en pensioenuitkeringen.

Al mag deze werkelijkheid dan niet wereldkundig worden gemaakt, ‘rebellie’ verandert soms echt wel de loop der dingen. Het is daadwerkelijk mogelijk om de groten der aarde angst aan te jagen en verzet wordt– soms – met succes beloond. Alleen schitteren deze subversieve episodes uit onze geschiedenis in de leerboeken door afwezigheid.

De herinnering levend houden

Waarom moeten we onze toevlucht nemen tot erudiete artikels in vergeten tijdschriften om deze in vergetelheid geraakte opstanden en opruiende helden terug te vinden?

Zo weigerden Haspengouwse marskramers aan het einde van de achttiende eeuw de gevestigde orde te erkennen en haalden ze kloosteromheiningen neer om er hun paarden te laten grazen, aanvoerend ‘dat goederen gemeenschappelijk zijn, dat alleen de macht van de rijken de slechte verdeling die tegenwoordig bestaat in stand houdt’. Maar terwijl je zelfs aan de kassa van de supermarkt een biografie van Marie-Antoinette kan kopen, moet je voor de geschiedenis van deze ‘gelijkheidspredikers’ op zoek naar een artikel van Paul Bonenfant dat in 1931 in een Naams tijdschrift voor een beperkte lezerskring werd gepubliceerd.

Enkele zeldzame uitzonderingen zoals de revolutionaire martelaar Grégoire Chapuisin Luik en Verviers daargelaten, zijn de rebellen van de dag, de slachtoffers van de restauratie, de martelaren van de manifestaties en opstanden, de vechters, degenen die de handlangers van het gezag trotseerden, klaarblijkelijk niet opgenomen in de lijst van helden van de geschiedenis of van ‘grote mannen’.

Maar zijn er wel objectieve criteria om te bepalen wie de helden uit de geschiedenis zijn? De Larousse Encyclopedie definieert ‘held’ als iemand ‘die zich onderscheidt door buitengewone acties’. We kunnen dus zeker bandieten (en dan vooral de sociale bandieten), piraten en kapers onder deze categorie klasseren. Er wordt niet gezegd dat de acties het algemeen belang moeten dienen, noch dat ze geweldloos moeten zijn, want in dit laatste geval zouden we uiteraard onmogelijk Napoleon (Austerlitz: 23.000 doden, Eylau: 50.000 doden, Wagram: 55.000 doden, Borodino: 80.000 doden, …) kunnen weerhouden als ‘grote man’.

De revolutionaire held heeft ook pas een kleine kans om in de herinnering van het nageslacht voort te leven als de revolutie overwint. Het sociaal banditisme dat Hobsbawm bestudeerde,ontstond uit de ontevredenheid van de boeren. Alleen of aan het hoofd van kleine groepjes werden deze vogelvrijverklaarden binnen de boerengemeenschap onthaald als wrekers, onrechtbestrijders, misschien zelfs als bevrijders. In ieder geval bewonderden, hielpen en ondersteunden de boeren hen. Naar het voorbeeld van de mythische Robin Hood stalen ze niet van de boeren maar verkozen eerder onrechtvaardigheid te wreken waardoor ze vaak met de lokale (adellijke, geestelijke, …) onderdrukkers in de clinch kwamen te liggen. Veel boeren zagen hen als onoverwinnelijk.

Het waren zeker ‘helden’ in de eerste betekenis van deze term want ze weigerden zich te onderwerpen, ze weigerden de superioriteit van sociaal hogere klassen te erkennen. Ze waren recalcitrant, rebels en werden ondanks hun lagere sociale afkomst gerespecteerd. In een wereld waar de armen vaak te kampen hadden met een algehele lijdzaamheid tegenover de onderdrukking waren zij de uitzondering die de regel bevestigde.

De sociale bandieten hanteerden terreur als afschrikmiddel en boezemden ontzag in. Het programma van deze primitieve boerenopstandelingen kon slechts gebaseerd zijn op vernieling en op de ‘herverdeling van de rijkdom’, de kern van sociale rechtvaardigheid. Maar de bandieten waren niet noodzakelijk revolutionair (ze konden ook in dienst staan van het gezag of van een uiterst conservatieve zaak) en bovendien is hun verhaal zelden overgeleverd.

Bandietenleider Pancho Villa was een uitzondering: hij wordt nog steeds gezien als een van de helden van de Mexicaanse Revolutie en dus van de geschiedenis van Mexico, ook al werd hij vermoord door de gezagsdragers – het klassieke einde van dit soort helden.

Gewoonlijk is het de orale cultuur die de mythe van de bandiet overlevert, maar deze mondelinge overlevering is slechts een relatief kort leven beschoren en blijft vaak enkel lokaal. Op enkele zeldzame uitzonderingen na, zijn sociale bandieten enkel bekend in hun geboorteplaats en in een straal van minder dan vijftig kilometer daarvandaan.

De handel en wandel van koningen en keizers is wel op duurzame wijze overgeleverd omdat kroniekschrijvers, dichters, historici en beeldhouwers betaald werden om daarvoor te zorgen. Maarde sage van de sociale bandiet verdween, die is ‘sterfelijk’. Toch nam de officiële cultuur het verhaal van de bandiet soms over, via een literair beeld waarin hij de nostalgie van het avontuur, de vrijheid, de heldenmoed, de droom der rechtvaardigheid vertegenwoordigde. Als we deze of gene toch kennen, dan is dat omdat intellectuelen (schrijvers, cineasten, historici, …) hen herontdekt hebben en hun verhaal verspreidden, maar voor hun arme tijdgenoten waren deze ‘helden’ ongetwijfeld belangrijker dan kanselier Bismarck of maarschalk Ney.

Ook na de industrialisering schudden opstanden, stakingen en verzet zowel ons land als andere landen nog steeds door elkaar. Dat zouden dan ook gedenkwaardige gebeurtenissen moeten zijn, gebeurtenissen die elke scholier zou moeten leren en kennen. Maar geen enkel handboek vermeldt de namen van de ‘helden’ die een grote staking leidden of tijdens betogingen voor sociale verworvenheden gedood werden. Zo betekenden de stakingen van 1886 in Wallonië de eerste stappen in de richting van onze sociale wetgeving, maar wie kent de namen van diegenen die dat met hun leven bekochten?

In 1886 deden zich in de streek van Charleroi hevige anarchistische hongeropstanden voor. De eerste rellen barstten uit in Luik tijdens een plechtigheid voor de vijftiende verjaardag van de Parijse Commune, waarna ook Henegouwen en vooral Charleroi in de onlusten werden meegesleept. De volksopstand was niet gecoördineerd, hij wist niet waar wij naartoe ging, wanorde overheerste: oproer zonder duidelijke oorzaak.

Er vormden zich gewapende bendes die machines begonnen te vernielen. Ze plunderden een glasblazerij en legden de fabriek in de as. De politie was overweldigd en de autoriteiten deden beroep op het leger met aan het hoofd generaal Van Der Smissen, die had deelgenomen aan de Mexicaanse expeditie. Hij ging bijzonder gewelddadig te werk en beval het leger te schieten. De soldaten hadden geen aansporing nodig en vuurden tot er dodelijke slachtoffers vielen. Hoewel de rellen meteen daarna stopten, was het hele land diep geschokt. 1886kondigde zo het begin aan van de politiek van de sociale wetgeving, tot dan toe steeds terzijde geschoven uit naam van de economische vrijheid.

Men zei dat de christelijke partij die aan de macht was zich bij het licht van de uitslaande brand bewust werd van het sociale vraagstuk en dat hun angst leidde tot de electorale en constitutionele hervorming van 1893, een stap in de richting van het algemeen kiesrecht. 1886 was dus een sociale mijlpaal voor België, en toch kent niemand de namen van de ‘helden’ uit dit epos (behalve uiteraard de naam van de generaal die de orde herstelde). Nochtans verdienen die helden het volgens mij meer om op de lijst van de honderd grootste Belgen te prijken dan sommige anderen.

Vermits alle groepenmensen helden nodig hebben, moet het op zijn minst mogelijk zijn om een andere keuze te maken dan de klassieke koningen, pausen, hooggeplaatste militairen,…

Zo kunnen we – ver weg van de geschiedenis ten dienste van de macht – een pantheon van outcasts bouwen, verstotelingen die brutaal de onrechtvaardigheid van de gevestigde orde afwezen en zich hardnekkig tegen het systeem verzetten: de Belgische revolutionairen van 1830 of 1848, de stakende arbeiders uit de negentiende eeuw, de verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog, de betogers van 1932 en 1950, de stakers van de winter 1960-1961, of de actieve internetsurfers van vandaag.

In tegenstelling tot wat sommigen hopen, is het heldenverhaal nog lang niet uit en zal het wellicht ook nooit stoppen. In elke periode duiken immers ‘rebellen’ op, telkens onder een nieuwe naam: na de ‘andersglobalisten’ kwamen de ‘indignados’ en daarna weer de manifestanten van de Occupy Wall Street-beweging die zichzelf ‘de 99%’ noemen, in tegenstelling tot ‘de 1% die de economische teugels in handen heeft en de facto de politieke macht bezit’.

Het doen en laten van rebellen gaat echter zelden meer dan een of twee generaties van mond tot mond en we moeten dan ook een duurzame nagedachtenis opbouwen zodat ook zij onderdeel gaan uitmaken van ons collectief geheugen en ze noodgedwongen wel door de geschiedenis erkend moeten worden.

Bij de aankondiging van de publicatie van twee kinderboeken over Che Guevara blokletterde een zeer traditioneel vrouwenblad:Des rebelles? On en manque!

Terwijl de jeugd van gisteren inderdaad vaak bandieten als helden kreeg voorgeschoteld (Zorro, Robin Hood, Tijl Uilenspiegel, …), tonen de media vandaag eerder moralisten en ‘helden’ in dienst van de macht: Columbo, Miami Vice, …, vol goede bedoelingen,dat wel.

Het is dan ook noodzakelijk de herinnering aan helden die de macht lieten plooien, die het gezag aan de kaak stelden, in ere te houden: in dit pantheon staan een calvinist en een jansenist samen naast een stakende Antwerpse dokwerker die in 1950 weigerde wapens te lossen voor de oorlog in Korea.

We zouden ook nog een aantal slaven kunnen noemen, geketend, gebrandmerkt en vastgebonden, tentoongesteld aan gezagsgetrouwe menigtes, maar zich verzettend door beledigingen en lijfstraffen te beantwoorden met provocaties, uitdagend gezang en zelfs gelach: heroïsch en trots verzet.

Anne Morelli

Rebellen.Van de Galliërs tot de Indignados, Anne Morelli (red.), 343p., geïllustreerd, € 24.90

Uitgeverij EPO