Paul Verhaeghe over competentiegericht onderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Paul Verhaeghe is gewoon hoogleraar en voorzitter van de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie aan de Universiteit Gent.

Op 17 maart hield hij een lezing (Paul Verbraekenlezing 2012) in het Zuiderspershuis in Antwerpen onder de titel “De neoliberale wanzin. Flexibel, efficiënt en … gestoord”. In zijn betoog was er veel aandacht voor een kritische beschouwing over de universiteit als kennisbedrijf en ook over het competentiegericht onderwijs. Hieronder volgen enkele uittreksels rond dit laatste thema. De volledige toespraak is gepubliceerd bij VUBPRESS.

Net zoals zorg was onderwijs vroeger een roeping waarvoor men koos op grond van een ideaal. Vandaar dat beide sectoren altijd een twistappel geweest zijn tussen de verschillende politieke en religieuze overheden, want elk wou er zijn ideaal mensbeeld in kwijt. Zoals ik hoger al aangaf, is die vraag verdwenen onder een dwingend antwoord. In het onderwijs weerklinkt dit in het toverwoord “competenties”, waarbij scholen gaandeweg een bijkomende opdracht kregen, met name de vroegdetectie van arbeidsonbekwamen, door ze op te bergen in minderwaardige opleidingen. Dit is de onderwijskundige variant van rank and yank. (…)

De aanvankelijke doelstellingen zijn nobel: laat ons uitgaan van vaardigheden die belangrijk zijn in het beroepsleven en nakijken hoe we die het best kunnen ontwikkelen via het onderwijs, zodat jonge mensen straks alle kansen krijgen om hun eigen weg te gaan, los van alle morele, religieuze en ideologische poespas. Dat is de neutrale uitgangsgedachte van het competentiegericht onderwijs. Vreemd genoeg vindt Ethische Perspectieven, een tijdschrift van de Leuvense universiteit, het nodig er in 2007 een volledig nummer aan te wijden – zo neutraal zijn competenties blijkbaar niet. Vooral de bijdragen van Jan Masschelein, Maarten Simons en Bart Pattyn zijn erg inspirerend geweest voor wat volgt, samen met de openingsrede die Frank Vande Veire nog een jaar eerder gaf aan de Gentse Hogeschool.

Het uitgangspunt van het competentiegericht onderwijs betrof de vaardigheden die van belang zijn voor het beroepsleven. Op vrij korte tijd kwam er een heel belangrijke betekenisuitbreiding, van praktische competenties (bijvoorbeeld talenkennis en communicatie) naar persoonlijkheidskenmerken (flexibel zijn), en uiteindelijk naar de persoonlijkheid als dusdanig (de mens als manager van het eigen leven). Daarbij gaat men uit van een hoopgevende gedachte: als de omgeving voldoende prikkelend en pragmatisch is, dan zullen de kinderen vanzelf leren. Dit heet dan een een beroep doen op de intrinsieke motivatie, wat mooi aansluit bij de democratiseringsgedachte, want er moet niks meer worden opgelegd, het komt vanzelf en van binnenuit? Vandaar ook de newspeaktaal (voor de lezers die al het slachtoffer zijn van competentiegericht onderwijs: dit is een term van George Orwell, een belangrijke schrijver uit het midden van de vorige eeuw, kijk maar op Wikipedia, in de veronderstelling dat u uw basiscompetentie – het spontaan opzoeken van informatie – voldoende gekapitaliseerd hebt. In een aangepaste leeromgeving (vroeger bekend als school) moeten de leerprocesbegeleiders (vroeger bekend als onderwijzers of leerkrachten) in hun functie van coach het leerproces faciliteren zodat de lerenden hun competenties kunnen kapitaliseren.

Merk op dat de verantwoordelijkheid daardoor grotendeels bij de leerling komt te liggen. De vergelijking met de pedagogische aanpak van weleer toont het drastische verschil. In het vroegere bildungsmodel sprak men over vorming, waarbij jongeren door ouderen met autoriteit binnengeleid werden in een brede kennis en cultuur, waarvan normen en waarden ten volle deel uitmaakten. Aangezien die ouderen een autoriteitsfunctie innamen, waren ze ook verantwoordelijk, zowel voor het motiveren van hun leerlingen als voor de kennisoverdracht. In het huidige competentiemodel wordt het individu voorgesteld als een vrije ondernemer die zijn eigen vaardigheden uitbouwt met de hulp van anderen. Tussen haakjes, het is opvallend hoe in beleidsteksten de woorden ‘talent’ en ‘competentie’ bijna steeds verwisselbaar zijn – dit toont andermaal de verwantschap met het sociaaldarwinisme. De link met het neoliberalisme wordt duidelijk in gangbaar taalgebruik en courante zinnetjes zoals “kennis is menselijk kapitaal’, ‘competenties vormen een kapitaal dat beheerd en ontwikkeld moet worden’, ‘leren is een langetermijninvestering’ enzovoort.

Het doel heet dan zelfmanagement en ondernemerschap: de leerling moet zichzelf beschouwen als een bedrijf, waarbij kennis en vaardigheden in eerste en laatste instantie een economische waarde hebben waarmee we onze marktwaarde kunnen verhogen. Daarmee is de geschiedenis op een pijnlijke manier rond: in een poging om het onderwijs waardevrij te maken en te bevrijden van elke vorm van morele dictatuur, heeft het competentieonderwijs uitdrukkelijk het neoliberale ideologische gedachtegoed ten volle geïmplementeerd in de scholing van onze kinderen. We hoeven dan ook niet verwonderd te zijn als hun eerste vraag de volgende is: wat brengt het voor mij op?

Een dergelijke vraag toont al dat deze vorm van onderwijs een bepaalde identiteit gecreëerd heeft. Ondanks het lovenswaardig vertrekpunt – weg met de indoctrinatie – bevat dit onderwijs drie fundamenteel foute uitgangspunten. Het idee dat een kind zich spontaan de juiste normen en waarden eigen zal maken, klopt niet – een kind neemt de ethiek over van zijn omgeving. Het idee dat een school waardevrij kan zijn, is een gevaarlijke illusie. Elke vorm van onderwijs geeft waarden door, en we kunnen ons daar beter van bewust zijn. Ten slotte, het idee dat autoriteit overbodig is, kan alleen geuit worden door een totaal wereldvreemd iemand die noot voor een klas stond.

Daarmee vertel ik niets nieuw, maar de bekendheid daarvan belet niet dat het neoliberale gedachtegoed in naam van het verondersteld waardevrije competentiegericht onderwijs de laatste twintig jaar ten volle op school gedicteerd wordt. Het taalgebruik is daar een goede indicator van. Beleidsnota’s bulken van buzzwords zoals onderwijsconsumenten, outputfinanciering, permormancefunding, accountability, benchmarks, stakeholders, menselijk kapitaal, kenniswerkers enzovoort. En het is niet alleen de organisatie van ons onderwijs die daarvan doorkankerd is, het betreft ook de ziel ervan, de inhoud. Vanaf de kleuterklas worden er nu al motorische competenties geoefend. Recent nog kregen ouders uit mijn vriendenkring van de kleuterjuf te horen dat de knipvaardigheden van hun kleuter niet volgens de normen waren. Dergelijke uitspraken zorgen voor paniek bij jonge ouders, want alle kinderen moeten vandaag hooggeschoold worden, anders zullen ze “het” niet halen. Het ultieme buzzword is ‘top’. Topscholen, topleerkrachten, topsport, topuniversiteiten, toponderzoek.

De onvermijdelijke keerzijde hiervan is een groeiende groep mensen die zich mislukt voelen – meestal al vanaf de leeftijd van tien jaar – en die daarmee hun verdere identiteit moeten uitbouwen. Het voornaamste scheldwoord op de speelplaats van de lagere school vandaag: Loser! Sommige van die losers komen in opstand, maar het merendeel wordt sociaal angstig, autistiform, depressief en nagenoeg altijd hyperconsumerend. Ze worden opgevangen door leerkrachten die zichzelf soms ook als mislukt beschouwen – nogal onderwijzers voelen zich ‘maar onderwijzer’ en voelen zichzelf ook mislukt binnen het diplomawatervalsysteem, tenzij je op een topschool met topleerlingen werkt.

Nogal wat mensen zullen deze kritiek aarzelend bevestigen, maar tezelfdertijd zeggen dat er geen andere mogelijkheid is. Een kenniseconomie heeft nu eenmaal competentiegericht onderwijs nodig als sleutel tot economisch succes. Mijn antwoord daarop is even kort als duidelijk: dat is ronduit larie. Eén: het opleidingsniveau is overal ernstig gedaald; iedereen die langer dan twintig jaar in het onderwijs staat, weet dat (en dit gaat niet alleen over culturele kennisbagage, maar ook over basisvaardigheden zoals taal en wiskunde). Twee: dit is voor de huidige economie nauwelijks een probleem, want binnen alle hedendaagse beroepen, van arts tot schrijnwerker, is er vandaag minder kennis nodig dan vroeger; er is overal sprake van ‘de-skilling’. De techniek en de computers hebben het overgenomen en zelfs geneesheren moeten braaf een opgelegd behandelingsprotocol volgen. De functie van onderwijs binnen een neoliberale maatschappij is niet het hoog opleiden van mensen, wel het uitsorteren en kneden van mensen tot een bepaald profiel dat binnen dit systeem de hoogste productiviteit waarborgt. Wat ze effectief op de werkvloer moeten doen, wordt hun op diezelfde werkvloer wel aangeleerd en niet op school.

Paul Verhaeghe