Tien prioritaire opties voor onderwijs en vorming

Facebooktwittergoogle_plusmail

De dag na de verkiezingen van 7 juni 2009 kreeg informateur Kris Peeters van de topverantwoordelijken van de Vlaamse Administratie (de Vlaamse “ministeries”) een dik pak documenten. Deze “Bijdrage Vlaamse administratie aan het regeerprogramma van de aantredende Vlaamse Regering” bestaat uit 15 onderdelen: een globale omgevingsanalyse, een globaal financieel kader en 13 “beleidsdomeinspecifieke” bijdragen. De bijdrage voor het beleidsdomein “onderwijs en vorming” telt 114 bladzijden en werd opgesteld door verantwoordelijken van het Departement Onderwijs en Vorming.

U kan deze documenten downloaden op www.vlaanderen.be (het document over onderwijs is document 3.6)

Het document over onderwijs bevat een uitgebreide “omgevingsanalyse” met interessant feiten- en cijfermateriaal en een helder geschreven overzicht van de stand van zaken en van de uitdagingen van het Vlaams onderwijs.
Op het einde formuleren de verantwoordelijken van het Departement Onderwijs tien prioritaire beleidsopties voor de nieuwe Vlaamse regering. Hieronder volgt de integrale versie van deze tien beleidsvoorstellen.

“Het beleidsdomein onderwijs en vorming behelst de verschillende onderwijsniveaus van het kleuter- tot het hoger onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de leertijd georganiseerd door Syntra Vlaanderen, de basiseducatie en het volwassenenonderwijs, alsook de leerlingenbegeleiding. Recent werd het hoger beroepsonderwijs opgericht.

We staan voor een aantal grote uitdagingen in de volgende legislatuur. In deze bijdrage formuleren we beleidsopties om hieraan te werken. Een tiental van die opties vinden we prioritair.

1. Het secundair onderwijs hervormen

Het SO staat voor de opdracht het niveau van de leerlingen met zwakkere schoolprestaties op te krikken én de betere presteerders verder uit te dagen, alsook het aandeel vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen. Om dit te realiseren, is de studiekeuze van de leerlingen een cruciale schakel. Kinderen in de eerste graad maken best nog geen keuze. Door ze te laten proeven van meerdere keuzemogelijkheden kunnen ze een meer verantwoorde keuze maken naar de tweede graad toe.Leerlingen in de B-stroom van de eerste graad stromen in vanuit zeer diverse situaties. De functie van heroriëntering naar de A-stroom wordt niet waar gemaakt. Heel wat leerlingen die in de B-stroom starten, verlaten het onderwijs zonder enige kwalificatie. De functie en de effectiviteit van de B-stroom moeten versterkt worden. Het leerzorgkader kan daarvoor nieuwe perspectieven aanreiken.

In de tweede en derde graad kunnen de onderwijsvormen worden vervangen door een opdeling in doorstroom- en arbeidsmarktgerichte opleidingen. De doorstroomrichtingen bereiden voor op het hoger onderwijs, de arbeidsmarktgerichte op een beroep. Hierbinnen is een opdeling in interessegebieden mogelijk. Belangrijk is dat overgangen in beide richtingen tussen de twee onderwijsstromen mogelijk blijven. Ook voor afgestudeerden van de arbeidsmarktgerichte opleidingen moet het mogelijk zijn hoger onderwijs zoals het hoger beroepsonderwijs of een professionele bachelor aan te vatten.

De hervorming van het SO moet rekening houden met zowel het basis- als -het hoger onderwijs, alsook met de behoeften van de arbeidsmarkt. Er is echter meer nodig dan een verandering van structuren. De didactische aanpak en het hele schoolbeleid moeten volgen. Ook in de personeelsregeling zijn een aantal ingrepen vereist.

2. Lerarentekort structureel oplossen

Het blijvende tekort aan leerkrachten zet de inspanningen om kwaliteitsvol onderwijs te leveren onder druk. De krapte op de arbeidsmarkt die door de vergrijzing ontstaat, wordt nog versterkt omdat heel wat leraren bij het begin van hun loopbaan afhaken. De uitdaging bestaat erin een aantrekkelijke en stabiele werkomgeving te creëren, voldoende ondersteuning te bieden en de opdracht voor starters niet te zwaar te maken.Het erkennen van competenties (EVC) biedt mogelijkheden om potentiële leraren te vinden bij personen die de competenties, maar niet de geschikte bekwaamheidsbewijzen bezitten om les te geven. De overheid moet een voortrekkersrol in EVC opnemen, weliswaar zonder afbreuk te doen aan de kwaliteitsgaranties van het lerarenberoep.

3. Omkadering van het basis- en secundair onderwijs herzien, inclusief omrekeningspercentage voor het kleuteronderwijs

De omkadering zou tegen het einde van de derde GOK-cyclus (schooljaar 2011-2012) moeten herzien worden. Het nieuwe systeem voor de werkingsmiddelen kan hier inspiratie bieden. Voor de leerlingenkenmerken wordt best gewerkt met de indicatoren die we voor de werkingsmiddelen hanteren (opleidingsniveau van de moeder, thuistaal, schooltoelage, buurt). Een vereenvoudiging van de schoolkenmerken die de financiering bepalen, dringt zich op.
Het nieuwe omkaderingssysteem zou de scholen voldoende flexibiliteit moeten geven in de aanwending van hun middelen. Nu bestaat de omkadering uit verschillende gekleurde onderdelen die apart berekend en voor specifieke doelen moeten aangewend worden. We moeten er ook voor zorgen dat scholen voldoende omkadering krijgen voor het beleids- en ondersteunend personeel (bijvoorbeeld ICT, administratie en zorg). De scholengemeenschappen moeten hierin een belangrijkere rol krijgen.

De afgelopen legislatuur werd gehamerd op het belang van kleuterparticipatie. Een voldoende aanwezigheid in de derde kleuterklas van een Vlaamse school is zelfs als een voorwaarde geformuleerd voor inschrijving in het eerste leerjaar. Het huidige omrekeningspercentage dat steunt op de redenering dat de reële aanwezigheid van kleuters lager is dan die van leerplichtige leerlingen, dient daarom te worden herzien, zeker voor de vijfjarigen. Ook voor het werkingsbudget is een verhoging van het basisbedrag per kleuter aangewezen.

4. Leerzorg en een zorgcontinuüm uitbouwen

De voorbereiding van het leerzorgbeleid is al ver gevorderd. Leerzorg werkt het zorgcontinuüm van gewoon naar buitengewoon onderwijs concreet uit en sluit aan op recente internationale ontwikkelingen inzake de rechten op onderwijs van personen met een handicap, zoals vastgelegd in het VN Verdrag van 13 december 2006.

Eén gemeenschappelijk referentiekader (het leerzorgkader) beschrijft de huidige en toekomstige zorgmaatregelen in het onderwijs op basis van de combinatie van kenmerken van leerlingen en de aanpassingen die nodig zijn in de onderwijsomgeving om beter tegemoet te komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen. De CLB’s krijgen de verantwoordelijkheid voor de inschaling van de leerlingen in het leerzorgkader op basis van duidelijke criteria. Een specifiek aandachtspunt is de samenwerking tussen enerzijds internaten, semi-internaten en opvangcentra en anderzijds scholen voor buitengewoon onderwijs. Structureel overleg tussen onderwijs, welzijn en volksgezondheid kan een oplossing bieden.

5. Kunst- en cultuureducatie in het onderwijs sterker inbedden

Een commissie van deskundigen uit de onderwijs- en culturele sector stelde dat kunst- en cultuureducatie structureel verankerd moeten worden in het curriculum van het basis- en het secundair onderwijs. Dit voorstel hangt samen met de globale structuur en inhoud van het secundair onderwijs en zal samen met de hervormingen van het secundair onderwijs in overweging moeten worden genomen.Uiteraard vereist een kwaliteitsvolle kunst- en cultuureducatie dat leerkrachten over de nodige competenties beschikken. Een meer structurele samenwerking tussen de onderwijs- en culturele actoren wordt als een win-win situatie vooropgesteld.

6. De schoolinfrastructuur verbeteren en moderniseren

De schoolinfrastructuur dient aangepast te worden aan de noden van vandaag. Het grootste deel van het gebouwenpark voldoet aan de basisvoorwaarden om leerlingen in aanvaardbare omstandigheden les te geven, maar slechts een minderheid van de schoolgebouwen is aangepast aan de hedendaagse behoeften inzake didactiek en methodieken, ICT, flexibel gebruik van lokalen, levenslang leren, openstelling voorderden, energiezuinigheid, duurzaamheid, toegankelijkheid en kostenefficiëntie.

Daarnaast ontstaat er in de steden een tekort aan schoolgebouwen.Ondanks de bijkomende financiële inspanningen van de voorbije jaren, is er nog steeds een nijpend tekort aan investeringsmiddelen in Vlaanderen. Het DBFM-project met een bijkomende investering van 1 miljard euro zal ingrijpen op de bestaande achterstanden, maar ze niet wegwerken. Bijkomende reguliere en/of alternatieve financiering voor scholenbouw blijft nodig.

7. Het hoger onderwijs academiseren en internationaliseren

Tijdens de volgende legislatuur loopt het academiseringsproces af. De beslissing om de academische opleidingen van de hogescholen al dan niet in de universiteiten te integreren kan niet langer worden uitgesteld. Zo ook de discussie over de positie van het hoger kunstonderwijs. Veel argumenten pleiten voor het behoud van de huidige structuur waarbij hogescholen hoger beroepsonderwijs (HBO), professioneel gerichte bachelor- en masteropleidingen aanbieden en universiteiten de wetenschappelijke bachelor- en masteropleidingen en het doctoraat. De descriptoren van de masteropleidingen zijn zo geformuleerd dat ze ruimte bieden voor masteropleidingen die sterk professioneel georiënteerd én op onderzoek gestoeld zijn. Alle curricula moeten voldoende ruimte inbouwen voor onderzoek.

De Commissie Soete vroeg een versoepeling van de taalregeling voor het hoger onderwijs. Dit kan bijdragen tot een meer internationaal samengestelde studentenbevolking. Instellingen van het hoger onderwijs moeten ook meer gezamenlijke opleidingen inrichten met buitenlandse instellingen en samenwerkingsverbanden opzetten zowel buiten als binnen de Europese onderwijsruimte. De mobiliteit van studenten en onderzoekers kan op die wijze gestimuleerd worden. Inzake de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s pleiten we voor de volledige uitvoering van de Lisbon Recognition Convention. Ook de doelstellingen van Bologna 2020 moeten in de beleidsontwikkelingen voor het hoger onderwijs meegenomen worden.

8. De beroepsopleidingen ook in het hoger onderwijs versterken

Onder impuls van het European Qualification Framework (EQF) werd een Vlaamse kwalificatiestructuur ontwikkeld. Daarin krijgen alle erkende beroepskwalificaties een plaats. Eén van de doelstellingen van de kwalificatiestructuur was het versterken van de beroepsopleidingen door ze af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Zo kunnen we de werkzaamheidsgraad verbeteren. De beroepswereld beschrijft de beroepscompententieprofielen die de basis vormen van een beroepskwalificatie en verduidelijkt zo welke competenties van de beroepsbeoefenaars worden verwacht. De onderwijs- en vormingswereld gebruikt de beroepskwalificaties om onderwijskwalificaties te maken en opleidingen vorm te geven. Om de beroepsopleidingen echt een nieuw élan te geven, zullen toekomstgerichte en uitdagende beroepskwalificaties in de onderwijskwalificaties moeten opgenomen worden.

Meer dan vroeger moeten we in het vorm geven van opleidingen rekening houden met de bijzondere voorschriften die de toegang tot bepaalde beroepen regelen.De versterking van de beroepsopleidingen moet op de verschillende kwalificatieniveaus gebeuren om zo een continuüm van beroepsopleidingen te creëren. Beroepsopleidingen kunnen starten in het secundair onderwijs, gecontinueerd worden in Se-n-se en/of hoger beroepsonderwijs en uitmonden in een professionele bachelor of master. Belangrijk is dat de opleidingen op elk niveau leiden tot een beroepskwalificatie die door de beroepswereld wordt erkend. Bovendien moeten leerlingen, cursisten en studenten, maar ook werkenden, kunnen verder bouwen op de competenties die ze al bezitten als ze een hoger kwalificatieniveau willen bereiken.

Samenwerkingsverbanden met andere verstrekkers van beroepsopleidingen kunnen ertoe bijdragen dat volwassenen ondersteund worden in het succesvol doorlopen van leerladders. Een continuüm van beroepsopleidingen kan pas gerealiseerd worden indien er een heldere beroepenstructuur aanwezig is.Willen we de beroepsopleidingen versterken dan moeten onderwijs en de andere verstrekkers van beroepsopleidingen intensief samen werken om de opleidingen op elkaar af te stemmen. Uiteraard is samenwerking met de beroepswereld essentieel om de beroepsopleidingen vorm te geven en te komen tot kwaliteitsvol werkplekleren. De lokale RTC en het RTC-netwerk kunnen een stevige basis bieden om de beroepsopleidingen verder te versterken door het noodzakelijke overleg en de samenwerking tussen de betrokken actoren te garanderen.

9. Kwaliteitzorg in levenslang leren uitbouwen

Met de kwalificatiestructuur wordt een grotere helderheid van de certificeringsprocessen gerealiseerd. De Vlaamse kwalificatiestructuur biedt de basis om de competenties van mensen te vergelijken met de erkende kwalificaties en de daarin vervatte competenties. Zo kan beslist worden om een bewijs van erkende kwalificatie toe te kennen of een opleidingstraject naar de gewenste kwalificatie op te zetten. Daarom moet er snel werk worden gemaakt van de erkenning van beroepskwalificaties en onderwijskwalificaties.

Om het vertrouwen in de certificeringsprocessen en de gelijkwaardigheid van kwalificatiebewijzen uitgereikt door verschillende instanties te onderbouwen, is een geïntegreerd systeem van kwaliteitstoezicht nodig. Momenteel gebruiken zowel de instellingen voor hoger onderwijs als de centra voor volwassenenonderwijs verschillende procedures en methodieken voor het uitvoeren van een bekwaamheidsonderzoek (EVC) en het nemen van een beslissing terzake. Dit is weinig transparant. Een geïntegreerd EVC-beleid dringt zich op.

10. Een levenslange competentieontwikkeling stimuleren en ondersteunen

De ‘lerende Vlaming’ is één van de doorbraken van het Pact 2020. Vlaanderen moet tegen 2020 een lerende samenleving zijn. Meer jongeren moeten het secundair onderwijs afwerken en nadien verder studeren. Meer mensen moeten deelnemen aan levenslang leren, meer bepaald 15% van de bevolking op beroepsactieve leeftijd.

Op het snijvlak van de bevoegdheden onderwijs en vorming en werk, werd de afgelopen legislatuur gewerkt aan een meer structurele samenwerking. Zo werd de Competentieagenda 2010 afgesproken tussen de overheid, de sociale partners, de koepels van inrichtende machten en het GO!. Heel wat acties van die competentieagenda werden al gerealiseerd, andere zijn in volle uitvoering, maar voor alle actielijnen tekenen zich ook uitdagingen voor de toekomst af. Het komt er dan ook op aan een agenda voor de volgende jaren af te spreken die zich over de grenzen van de bevoegdheden van onderwijs en vorming en van werk en sociale economie uitstrekt.