Bijkomende middelen via Lambermonakkoord maar nog ver verwijderd van 7% van het bbp.

Facebooktwittergoogle_plusmail

Is er tussen 2004 en 2009 meer geld geïnvesteerd in ons onderwijs? In het Vlaams onderwijs? In het Franstalig onderwijs?
Als sluitstuk van zijn 10-puntenprogramma vraagt Ovds dat het onderwijsbudget in ons land minstens 7% van het bbp (bruto binnenlands product) zou bedragen.

Die 7% verwijst naar de situatie in 1980. In vergelijking met 30 jaar geleden zijn de objectieve noden van het onderwijs zeker niet verminderd. Het totale aantal leerlingen, studenten (hoger onderwijs) en cursisten (volwassenenonderwijs) is toegenomen. Weinigen twijfelen er aan dat de taak van de leerkracht complexer is geworden. Die 7% is dus geen fetisjisme maar een concreet strijdobjectief voor onderwijsvakbonden en andere lerarenorganisaties, studenten- en jongerenorganisaties, ouderverenigingen… over de taalgrens heen.

Het geld van het Lambermontakkoord

In 2001 kwam onder de paars-groene regering Verhofstadt I het Lambermontakkoord (in Franstalig België spreekt men van Saint Polycarpe) tot stand. Dit akkoord voorzag, naast een uitbreiding van de bevoegdheden en van de fiscale autonomie van de Gewesten (waar we hier niet op ingaan), in een bijkomende overdracht van federale belastingsinkomsten naar de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Aangezien onderwijs veruit de belangrijkste bevoegdheid is van de Gemeenschappen, betekent dit dus een herfinanciering van het Vlaams en Franstalige onderwijs (Voor de Duitse Gemeenschap werd een afzonderlijk herfinancieringsmechanisme uitgewerkt).

Gespreid over 10 jaar kwamen er voor de twee grote Gemeenschappen de volgende bijkomende middelen: 198 miljoen Euro in 2002, 149 miljoen Euro in 2003 en in 2004, 372 miljoen Euro in 2005, 124 miljoen Euro in 2006, 24,7miljoen Euro in 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011. Deze bedragen worden cumulatief opgeteld (in 2011 zal de federale dotatie voor de Gemeenschappen dus 1115 miljoen Euro hoger liggen dan in 2001) en telkens geïndexeerd.

Bovendien wordt de federale dotatie voor de Gemeenschappen vanaf 2007 gekoppeld aan de groei van het bbp (bruto binnenlands product). Deze koppeling bracht voor het Vlaams en het Franstalig onderwijs de jongste twee jaren extra geld op … maar dreigt nu met de crisis en de verwachte daling van het bbp (in 2009, in 2010?) in zijn tegendeel om te slaan.

De herfinanciering via het Lambermonakkoord blijft echter onvoldoende om de terugkeer van een onderwijsbudget van 7% van het bbp te realiseren. Als men alle publieke uitgaven voor onderwijs samentelt (dus ook de investeringen vanuit de gemeenten en de provincies) komt men voor België in de buurt van 5% van het bbp. Op een bbp van 340 miljard Euro maakt 2% een verschil van 6,8 miljard Euro.

In de statistieken van de OESO vindt men voor België het cijfer van 6% van het bbp als onderwijsbudget maar hier wordt een ruimere definitie gehanteerd dan in ons land gebruikelijk is. Zo telt de OESO bvb ook de pensioenen van de leraren en allerlei uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek bij de onderwijsuitgaven.

In de begrotingsstatistieken van de Vlaamse regering schommelt de uitgavenpost “onderwijs” rond de 4,3 % van het brp (bruto regionaal product). Omdat Vlaanderen gemiddeld rijker is dan België, is het Vlaamse brp (per inwoner) hoger dan het Belgische bbp (per inwoner) wat het verrassend lage percentage van 4,3 % verklaart. In die 4,3 % zitten uiteraard ook niet de onderwijsuitgaven van de Vlaamse gemeenten en provincies.

De situatie van het Franstalig onderwijs blijft precair

In sommige Vlaamse kringen wordt nogal meewarig gedaan over de permanente financiële problemen van het Franstalig onderwijs die o.a. door de langdurige stakingsbewegingen van de Franstalige leerkrachten in 1990-91 en 1995-1996 aan de oppervlakte kwamen. Een nuchtere vergelijking van de cijfers toont aan dat de communautarisering van het onderwijs sinds 1989 een kloof heeft geslagen tussen de beschikbare middelen (werkingsmiddelen en omkadering) per leerling van het Franstalige en het Vlaams onderwijs. Zolang het onderwijs tot de bevoegdheid van de nationale regering behoorde, was er nauwelijks een verschil maar vandaag gaapt er een kloof van ongeveer 15% in het nadeel van het Franstalig onderwijs.

Er zijn twee structurele redenen voor deze evolutie. In Vlaanderen bestaat er vanaf de communautarisering van 1989 een belangrijke transfer van middelen van het Vlaamse Gewest naar de Vlaamse Gemeenschap en dus naar het Vlaams onderwijs. Er bestaat ook een transfer van het Waalse Gewest en van het Brusselse Gewest naar de Franse Gemeenschap en dus naar het Franstalig onderwijs, maar dan op een veel kleinere schaal. De reden voor dit fenomeen is dat het economisch zwakkere Waalse Gewest veel krapper bij kas zit. Door de fusie van Gewest en Gemeenschap is die overdracht langs Vlaamse kant institutioneel ook eenvoudiger.

Voor de verdeling van de bijkomende middelen die vanaf 2002 door het Lambermontakkoord naar de Gemeenschappen vloeien wordt het criterium van het aantal leerlingen (tussen 6 en 18 jaar) geleidelijk vervangen door het criterium van de fiscale draagkracht van het Vlaams en Waals Gewest, dwz. de opbrengst van de personenbelasting. Dit criterium is in het voordeel van het Vlaams onderwijs omdat de gemiddelde inkomens en de personenbelasting in Vlaanderen hoger liggen dan in Wallonië. In 2002 telde dit “fiscaal” criterium voor 35% mee bij de verdeling van de bijkomende middelen, in 2003 voor 40 %, in 2004 voor 45%, in 2005 voor 50%, in 2006 voor 55%, in 2007 voor 60%, in 2008 voor 65%, in 2009 voor 70%, in 2010 wordt het 80%, in 2011 90% en in 2012 100%.

Tijdens de regeringsonderhandelingen half juni 2009 blijkt dat de Franse Gemeenschap in 2009 op een tekort van 500 miljoen Euro afstevent. Dat belooft niet veel goeds voor het Franstalige onderwijs in de komende jaren, wanneer de federale dotatie aan de Gemeenschappen door de economische crisis neerwaarts dreigt te evolueren en het aandeel van de Franse Gemeenschap bij ongewijzigd beleid bovendien zal dalen.

In de voorbije jaren heeft de regering van de Franse Gemeenschap met de bijkomende middelen van het Lambermontakkoord beperkte investeringen in het Franstalige onderwijs gerealiseerd. Zo kwam er een beperkte loonsverhoging voor het personeel. De TBS op 55 jaar bleef gehandhaafd. De omkaderingsgraad werd lichtjes opgetrokken. Vanaf september 2009 wordt een gedifferentieerde omkadering ingevoerd, met extra lesuren voor scholen met veel kansarme leerlingen (enigszins te vergelijken met de GOK-uren in het Vlaamse onderwijs). Daarvoor is een budget van 40 miljoen Euro uitgetrokken. Voor de scholenbouw staat er, net zoals in Vlaanderen, een pps-operatie (publiek-private samenwerking) van 1 miljard Euro in de steigers die de kosten voor de overheid naar de toekomst verschuift.

Nooit had een Vlaams onderwijsminister zoveel geld ter beschikking

Als eerste beleidsdaad voerde minister Vandenbroucke nieuwe besparingen door voor ongeveer 25 miljoen Euro in het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Hiertegen organiseerden de vakbonden in april 2005 in Brussel de actie “min 1000” omdat 1000 jobs in het gedrang kwamen. Vandenbroucke hield het been stijf. In een terugblik op vijf jaar onderwijsbeleid, schrijft vakbondsleider Jos Van Der Hoeven (COC) hierover in “Brandpunt” (juni 2009): “Sinds Vlaanderen bevoegd werd voor haar onderwijs heeft geen enkele onderwijsminister zoveel geld ter beschikking gehad om een beleid te voeren. De vaststelling dat minister Vandenbroucke deze besparingen niet terugschroefde, toont duidelijk aan dat hij dat ook niet wilde”.

Begin 2005 werd CAO VII afgesloten voor de periode 2003-2004. Er werd gesproken over een vestzak-broekzak-operatie omdat de voordelen van de CAO geneutraliseerd werden door de vermelde besparingen.

Voor de periode 2005-2009 kwam in 2006 CAO VIII en voor het hoger onderwijs CAO II tot stand. Het vakantiegeld van alle personeelsleden werd verhoogd tot 92% van de maandwedde, weliswaar gespreid in de tijd (2011 voor de hoogste barema’s), de directeurs en het laagste arbeiderspersoneel kregen een weddeverhoging, er kwamen extra middelen voor de zorgcoördinatie in het basisonderwijs (uitbreiding op termijn van 600 voltijdse zorgcoördinatoren), voor de uitbreiding van een middenkader in het secundair onderwijs, enz.
Voor het BuSO, CVO en DKO kwam er geld voor 280 extra administratieve personeelsleden.

Vandenbroucke schafte de vervangingspool af die door minister Vanderpoorten was ingevoerd en waardoor 3000 beginnende leerkrachten een aanstelling van minstens een schooljaar en dus een grotere werkzekerheid kregen. Het argument voor de afschaffing was dat de leerkrachten van de vervangingspool globaal slechts voor ongeveer 65% van de tijd voor de klas werden ingezet. Een deel van het geld dat bespaard werd door de afschaffing van de vervangingspool werd later ingezet voor de “korte vervangingen” in het basis- en het secundair onderwijs (ongeveer 11 miljoen Euro in 2009).

Extra geld werd voorzien voor de GOK-uren (lesuren voor basisscholen en secundaire scholen met een hoog percentage kansarme leerlingen) die reeds onder Vanderpoorten waren ingevoerd.

Een van de belangrijkste positieve verwezenlijkingen van minister Vandenbroucke was het decreet (2008) over de financiële middelen in het leerplichtonderwijs. Behalve de innovatie van de sociale leerlingenkenmerken bracht dit decreet een forse verhoging van de werkingsmiddelen voor het basisonderwijs (85 miljoen Euro) en het secundair onderwijs (40 miljoen Euro) met zich mee.

Ook een aantal eenmalige maatregelen gaven scholen meer ademruimte: naar uitrusting van nijverheidsscholen en naar ICT-infrastructuur van basisonderwijs, secundair onderwijs, DKO, volwassenonderwijs en basiseducatie ging zo meer dan 100 miljoen Euro extra. Het budget voor energiebesparende maatregelen werd in 2008 tot 50 miljoen Euro opgetrokken.

Het basisonderwijs kreeg een extra injectie van 29,5 miljoen Euro (45 Euro per leerling) om de “dubbele maximumfactuur” (kosteloosheid voor de ouders van de schoolmaterialen die nodig zijn om de verplichte leerdoelen te bereiken en een beperking op de kosten voor uitstappen) te helpen betalen.

Een andere belangrijke realisatie was de uitbreiding van de studie- en schooltoelagen tot 122 miljoen Euro in 2009. Zowel het aantal rechthebbenden – voortaan ook in de kleuter- en lagere school en in het deeltijds leerplichtonderwijs – als de gemiddelde bedragen namen fors toe.

De studentenvoorzieningen van de hogescholen werden opgetrokken tot het niveau van de universiteiten. In het hoger onderwijs steeg het globaal budget met 10% of 125 miljoen Euro. Geen overdreven luxe als men weet dat de hogescholen door de enveloppefinanciering hun budgetten vele jaren zagen stagneren terwijl het aantal studenten bleef toenemen.

Het budget van het volwassenenonderwijs steeg tussen 2007 en 2009 met 24 miljoen Euro tot 306 miljoen Euro, onvoldoende om de expansie te verzekeren. De cursisten betaalden mee met 14 miljoen Euro extra inschrijvingsgelden.

Van de bijkomende middelen die vanuit de federale belastingsinkomsten door het Lambermontakkoord naar Gemeenschappen vloeien (zie hoger), komt bijna 60% terecht bij de Vlaamse regering. Dit verklaart waarom de onderwijsminister de voorbije legislatuur over méér middelen dan ooit beschikte. Toch daalde het aandeel van “onderwijs” in de Vlaamse begroting van 41,5% in 2004 naar 38,3 % in 2009. Of anders uitgedrukt: terwijl de totale uitgaven van de Vlaamse regering in die periode met 29% stegen, bleef de stijging van de onderwijsuitgaven beperkt tot 20% (van 7,9 miljard Euro tot 9,5 miljard Euro).
Wat bij Jos Van der Hoeven de commentaar ontlokte: “Je kan je dus niet alleen de vraag stellen of het onderwijs wel een essentieel aandachtspunt was van de huidige regering, maar ook of Frank Vandenbroucke hard genoeg heeft gevochten voor zijn aandeel van de koek.” COC, Brandpunt juni 2009)

Om de inhaaloperatie voor de scholenbouw buiten de begroting te houden werd gekozen voor een pps-constructie (publiek private samenwerking). Een consortium rond Fortis (BNB Paribas) werd door de Vlaamse regering geselecteerd om in de komende jaren voor 1 miljard Euro scholen te bouwen .De ironie wil dat de federale regering miljarden moest lenen om Fortis overeind te houden en dat Fortis nu 1 miljard Euro voorschiet om voor de Vlaamse regering scholen te bouwen. Of de Vlaamse overheid op termijn haar voordeel zal doen met deze operatie, zal blijken wanneer de scholen weten hoe groot de “beschikbaarheidsvergoeding” is die ze 30 jaar lang aan het consortium zullen moeten betalen. Maar het staat vast dat de regering Peeters-Van Mechelen-Vandenbroucke hiermee de financiële lasten verschuift naar de generatie die nu op de schoolbanken zit.

Jean-Pierre Kerckhofs en Tino Delabie