Hoe komen we tot sociaal gemengde scholen en klassen?

Facebooktwittergoogle_plusmail

In deze werkgroep B van de studiedag rond het boek “De school van de ongelijkheid” waren drie inleiders voorzien: Marc Laquiere, stafmedewerker FMV (Federatie Marokkaanse Verenigingen), Chris Rossenbacher, directrice KA Schaarbeek en Paul Geerts, directeur Maris Stella & Sint-Agnes, Borgerhout. Er werd bij het begin van de werkgroep geopteerd om meteen met de discussie te beginnen en de inleidingen hierin te integreren. Het verslag hebben we opgebouwd rond een aantal thema’s die aan bod kwamen.

GOK en LOP

Marc Laquiere: Het GOK-decreet (Gelijke Onderwijs Kansen) heeft nobele bedoelingen, het wil segregatie vermijden. Het heeft een voorgeschiedenis die teruggaat tot o.a. het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB). Vóór 1991 heerste er willekeur, scholen konden via allerlei middelen leerlingen weigeren. Zoveel jaren later, na het OVB, non-discriminatiepacten en het GOK vanaf 2002, moet ik vaststellen dat er nog altijd aan de poort geselecteerd wordt in sommige scholen. Je moet eens vergelijken welke voorwaarden ze stellen om bij hen in te schrijven. Er zijn scholen die enkel na telefonisch contact de ouders ontvangen. Een school zegt: “bij ons slaagt 95% achteraf” Op een subtiele manier geeft men de boodschap dat bepaalde ouders al dan niet welkom zijn.

Is sociale mix wenselijk? Moet de vrije schoolkeuze ingeperkt worden?

Over de wenselijkheid van sociale mix is iedereen het eens. Concentratiescholen zijn geen goede zaak, hoewel we die scholen niet willen stigmatiseren en moeten erkennen dat juist daar soms het meest creatief wordt gezocht naar goede pedagogische methodes.

Over de noodzaak de vrije schoolkeuze in te perken en een zekere regulering in te stellen waren er diverse ideeën.

-Minimumquota? Niet zo simpel. Als je de ouders niet verplicht om hun kinderen in een bepaalde school in te schrijven, kun je niet garanderen dat die school aan haar quota komt. De ouders zijn mobiel genoeg om een school te omzeilen. Minimumquota lossen niet meteen het probleem op van arme concentratiescholen.

-De carte scolaire zoals (vroeger) in Frankrijk: de leerlingen toewijzen aan een school maar het criterium van de afstand (buurtschool) combineren met criteria die een sociale mix bevorderen Men kan bv. de vier leerlingenkenmerken (diploma moeder, het al dan niet krijgen van een schooltoelage, de thuistaal, het percentage kinderen met leerachterstand in de wijk waar de leerling woont) hanteren die minister Vandenbroucke invoert voor de toekenning van de werkingsmiddelen vanaf volgend schooljaar. Per regio verdeelt men de leerlingen zo dat elke school ongeveer hetzelfde percentage leerlingen krijgt met één of meerdere van die 4 sociale leerlingenkenmerken. “Als men alle leerlingen van heel Borgerhout op die manier zou verdelen over alle scholen van Borgerhout zou je een veel betere sociale mix in de scholen krijgen dan vandaag”.

-Als tussenstap de leerlingen per net toewijzen aan de scholen (binnen scholengroep of scholengemeenschap)

-De inschrijvingen niet door de scholen maar via het LOP (lokaal overlegplatform) laten gebeuren.

-“Als men de bouw van nieuwe scholen in de rand rond Antwerpen stopt, verplicht men sommige ouders om hun kinderen in te schrijven in een buurtschool en krijgt men daar automatisch een betere sociale mix”

Er werd ook opgemerkt dat de vrije schoolkeuze samen met de vrijheid om een school op te richten mogelijk heeft gemaakt sinds 30 jaar methodescholen (zoals de Freinetscholen) op te richten. Men moet wel vaststellen dat deze scholen meestal bevolkt zijn door kinderen van de hogere klassen.

Heterogene klassen

Chris Rossenbacher (KA Schaarbeek): Naast een goede mix tussen de scholen, moet je nog zorgen voor heterogene klassen. In onze school organiseren wij in de eerste graad gemengde groepen: sterke en zwakke leerlingen worden voor de 28 gemeenschappelijke lesuren gemengd. De leerlingen die bv. als keuzevak latijn hebben zitten dus enkel voor latijn samen. Dit systeem vergt wel veel organisatie voor de leerkrachten. Slechts twee scholen in Brussel werken met zo’n heterogene klassen.

Gedifferentieerde financiering

Paul Geerts, directeur Maris Stella & Sint-Agnes, Borgerhout: Aan scholen met veel kansarme leerlingen worden extra lesuren toegekend in het kader van het GOK-beleid: de zogenaamde GOK-uren. Voor de eerste graad van het SO zijn de criteria om als GOK-leerling erkend te worden van sociaal-culturele aard. In onze school gaat het om 93% van de leerlingen. In de tweede en derde graad gelden andere criteria, namelijk het aantal leerlingen met meer dan 2 jaar leerachterstand. Bij ons zakt het aantal GOK-leerlingen in de tweede graad enorm, niet omdat het om een ander soort leerlingen gaat maar omdat we grote inspanningen doen in de eerste graad opdat de leerlingen weinig of geen achterstand (meer) zouden oplopen. We denken dat het beter zou zijn dat in de tweede en derde graad dezelfde criteria als in de eerste graad zouden worden gehanteerd voor de toekenning van GOK-uren.

Zal de toename van de werkingsmiddelen via het nieuwe financieringssysteem van minister Vandenbroucke een effect hebben op de schoolprestaties van de leerlingen in een concentratieschool? Paul Geerts: Dit nieuwe financieringssysteem is een goede zaak. Een school als de onze kampt met veel onbetaalde schoolfacturen. Wij moeten zeer goed op de kosten letten bij pedagogische uitstappen. Ruimere werkingsmiddelen maken dus wel een verschil. Ik betreur alleen dat er in het financieringssysteem een aftopping is ingebouwd voor scholen met zeer veel leerlingen die aan de sociale leerlingenkenmerken voldoen (boven een bepaald percentage worden ze niet meer meegeteld voor het genereren van werkingsmiddelen voor de school).

Fusie netten

Over de wenselijkheid van de netten was er heel wat discussie.

-“Ik pleit voor een soort officieel vrij onderwijs. De overheid zou eigenaar zijn van alle schoolgebouwen en instaan voor de infrastructuur. Op financieel vlak wordt elke school gelijk behandeld. Maar elke school zou pedagogische vrijheid hebben. Je krijgt dan diversiteit tussen en binnen de scholen”

-“Voor een pluralistisch officieel onderwijs. De pluraliteit van het lerarenkorps is nu in elke school een feit. Dit laat een goede invulling toe van de neutraliteit vanuit verscheidenheid. “

-“Voor mij blijft de inspiratie en bezieling vanuit een christelijke overtuiging een bestaansreden voor katholieke scholen. Het is een keuze voor kansarme leerlingen. Er wordt in (sommige) katholieke scholen rekening gehouden met de ramadan, halal, … Voor kinderen uit islamfamilies is het soms belangrijk dat er een gelovige voor de klas staat.”

-“Het is waar dat Marokkaanse ouders soms een katholieke school verkiezen omdat dit project aansluit bij hun gelovige levensvisie”

-“Je kan ook vanuit de inspiratie van de Verlichting voor de kansarmen kiezen. Waar zit dan het verschil met een katholieke school? Men kan met dit argument het naast elkaar bestaan van de netten niet verantwoorden”

-“Katholieke scholen worden dikwijls verkozen omwille van de reputatie. Niet omdat ze katholiek zijn.”

-“In het bisdom Gent was er vanuit de begeleidingsdienst een voorstel om de lessen godsdienst op te splitsen in een uur katholieke godsdienst en een uur kennismaking met andere godsdiensten. Maar dit idee werd niet aanvaard door de bisschop”

-“In de FOPEM-scholen (methodescholen) wordt er een vak “cultuurbeschouwing” voorzien. Dit is de officiële benaming, hoewel “levensbeschouwing” beter de inhoud weergeeft.”

-“Als ouder wil ik dat de kinderen worden toegewezen aan een school en dat ze een initiatie krijgen in diverse levensbeschouwingen. Maar ik wil niet dat dit met een katholiek sausje wordt overgoten”

-“Om de sociale mix te bevorderen is een ander model voor de levensbeschouwelijke vakken nodig. Men zou moeten werken met een lerarenteam voor de godsdiensten en zedenleer. Het systeem zoals nu in het GO! is ook niet goed omdat het de scheiding in de hand werkt”.

-“De school moet een ontmoetingsplaats zijn voor jongeren met diverse achtergronden. Dit moet groeien zoals vroeger de coëducatie van meisjes en jongens.”

-“Gemeenschappelijke problemen die we in onze scholen ondervinden, brengen ons samen. Als je elkaar over de netten heen leert kennen, kan je verder gaan.”

Gemeenschappelijke stam

Een langere gemeenschappelijke basisvorming is wenselijk vanuit het oogpunt van een grotere sociale mix. Aangezien een andere werkgroep zich over de “gemeenschappelijke stam” boog, werd hier niet diep ingegaan op dit thema. Er werden wel enkele mogelijke tussenstappen vermeld:

-De geest van de huidige eenheidsstructuur toepassen zoals hij bedoeld was. Dus 28 uren gemeenschappelijk voor alle leerlingen in de eerste graad en liefst in heterogene klassen (zoals in KA Schaarbeek)

-De autonome middenschool. Cfr StAM

-Geen scholen toelaten die enkel ASO aanbieden.

-In de tweede graad enkel eenpolige studierichtingen organiseren, dus nog niet te veel opsplitsen. Bv. “economie” en niet “economie-wiskunde” of “economie-moderne talen”, enz.

Tino Delabie