Onderwijs in Noorwegen

Facebooktwittergoogle_plusmail

De Scandinavische landen behoren tot de industrielanden die het meeste (publiek) geld besteden aan onderwijs in verhouding tot hun bruto nationaal product. Uit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat hun onderwijssystemen goed scoren, zowel wat betreft het gemiddelde niveau van de leerlingenprestaties als de spreiding van de resultaten. Zo komt Finland uit het PISA-onderzoek naar voor als de wereldkampioen van de gelijke kansen terwijl het voor de onderzochte domeinen leesvaardigheid, wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid steevast tot de toplanden behoort. In het volgend artikel worden enkele aspecten belicht van het Noors onderwijssysteem, dat zoals het Zweeds en het Deens enige gelijkenissen met het Fins onderwijs vertoont. Het artikel bevat onderdelen van een rapport van een studiereis in Noorwegen (april 2002), gemaakt door Willy Vermorgen, voorzitter van ACOD-Onderwijs. Wie het volledig rapport wil lezen, kan de auteur contacteren: willy.vermorgen@acod.be

Vooreerst merken we op dat het Noorse onderwijssyteem geen onderscheid maakt tussen het technisch onderwijs en het beroepsonderwijs. Vocational training dekt dan ook zowel technische opleidingen, beroepsopleidingen en ambachtelijke opleidingen.

Godsdienstonderwijs

Noorwegen heeft een staatsgodsdienst. Door de sterk gedaalde godsdienstbeleving van de bevolking (enkel nog een ceremoniële betekenis bij geboorte, huwelijk en dood) en om de kosten van de inrichting van het godsdienstonderwijs te drukken, werd het godsdienstonderricht vervangen door een cursus ‘Christian knowledge and Religious and Ethical Education’. De leerlingen worden in de cursus onderwezen over alle godsdiensten.

Aantal leerlingen per leerkracht

Gemiddeld zijn er 9,6 leerlingen per leerkracht. De verhouding is hoger in de grote centra en daalt in het platteland (bv Finmark in het hoge noorden). Dit heeft te maken met het behoud van vele kleine plattelandsscholen en de daadwerkelijke uitvoering van een gelijke kansenpolitiek voor alle jongeren. In vele kleine scholen zitten de leerlingen gegroepeerd in één graad.

Gelijke kansen in Noorwegen

Het principe van de gelijke kansen wordt gewaarborgd en daadwerkelijk uitgevoerd door volgende principes:

  • Jongeren moeten onderwijs kunnen volgen in de dichtstbijzijnde school van hun woonplaats. Hieruit volgt dat Noorwegen het behoud van de kleine plattelands-scholen voorop stelt.
  • Iedere jongere heeft recht op hoger secundair onderwijs en kiest zijn studierichting.
  • Een degelijk uitgebouwd netwerk voor gratis leerlingenvervoer waarborgt de gelijke kansen voor alle jongeren op degelijk onderwijs van hun keuze.
  • Gratis verblijf in een internaat als de opvang via leerlingenvervoer niet mogelijk is.

Onderwijsstructuur

Het onderwijs wordt georganiseerd in kringen:

  • Basisonderwijs en lager secundair onderwijs (van 6 tot 15 jaar) wordt ingericht door de gemeenten. De jongere gaat naar de dichtstbijzijnde school.
  • Hoger secundair onderwijs (16-19 jaar) wordt ingericht door de provincie (‘county’). In de provincie wordt ieder studiegebied ingericht. De gemeenten kiezen in onderling overleg welke studiegebieden zij voor hun rekening nemen. Als het door de leerling gekozen studiegebied niet door de gemeente wordt ingericht, maakt de leerling gebruik van gratis leerlingenvervoer. Voor sommige unieke studierichtingen kan de leerling bovendien gebruik maken van gratis verblijf in een internaat.
  • Hoger onderwijs (na de leeftijd van 18 jaar) wordt ingericht door de staat.

Het basisonderwijs (6 tot 13 jaar) en het lager secundair onderwijs (14-15 jaar) vormen een geheel, dat als volgt wordt opgedeeld: lager basisonderwijs (4 leerjaren), hoger basisonderwijs (2 leerjaren) en lager secundair onderwijs (2 leerjaren). De leerling vordert volgens zijn eigen curriculum afhankelijk van zijn individuele prestaties. Hij volgt een laag of een hoog vorderingsschema. De leerling krijgt geen rapportquoteringen. Hij wordt onmiddellijk geëvalueerd op zijn prestatie. Er is een examen in het laatste jaar van het lager secundair onderwijs.

De leerplannen zijn overal gelijk en worden gemaakt door de overheid.

In het hoger secundair onderwijs worden er ieder jaar examens ingericht. De testen zijn nationaal en door de overheid vastgelegd.

Er zijn 3 algemene studiegebieden: algemeen studiegebied, studiegebied sport en fysiek en studiegebied kunst, drama en muziek. In de algemene studiegebieden komen geen technie-ken voor. Voor de algemene studiegebieden heeft men studieprofielen uitgewerkt. De leerling legt een eindexamen af dat hem toelaat tot de universiteit. 70% van de leerlingen slagen in hun eerste poging. De leerling kan een nieuwe poging ondernemen binnen een termijn van 6 maanden.

Daarnaast zijn er 12 andere studiegebieden die technieken bevatten, met 220 studierichtingen. Al deze studierichtingen worden bereikt via een systeem van on the job- nderricht (vergelijkbaar met deeltijds werken/deeltijds leren) De leerplannen van deze studierichtingen worden gemaakt door de overheid. Deze leerplannen steunen op uitgewerkte beroepsprofielen en opleidingsprofielen. Het eindexamen wordt afgenomen door een jury bestaande uit 1 werknemer (niet de mentor), 1 werkgever (niet van het aanwervende bedrijf) en 1 deskundige (gewoonlijk een leraar of opleider van een andere provincie). De leerkracht of opleider van de leerling heeft hier geen verantwoordelijkheid in de eindevaluatie. 69% van de leerlingen slagen in hun eerste poging. Indien de leerling niet slaagt dan kan hij 6 maanden later een nieuwe poging ondernemen.

De leerling kiest op 16 jarige leeftijd zijn studiegebied en maakt zijn studies af in dit studiegebied. Er zijn slechts 6% dropouts. Deze worden opgevangen door een apart systeem. Er is dus geen waterval of afwaartse beweging. Er is wel een opwaartse stroming. Een leerling die via een on the job opleiding afstudeert en universiteit wil volgen kan dit door bijkomend een voorbereidend jaar te doen (waar de ontbrekende algemene kennis wordt gegeven).

Lessentabellen

In Noorwegen heeft men een plan voor opbouw van competenties ‘Building teaching competence’ uitgewerkt.
In het basisonderwijs en het lager secundair onderwijs worden volgende vakken onderwezen:

– Christian knowledge and Religious and Ethical Education’
– Moedertaal
– Wiskunde
– Maatschappijleer
– Kunstambacht en handwerk
– Wetenschap en de omgeving
– Engels
– Muziek
– Economie (huishouden
– Lichamelijke opvoeding
– Een optie uit de volgende vakken: tweede vreemde taal(Duits of Frans of andere taal afhankelijk van de regionale behoefte), uitdieping van taal waarvan ze basis bezitten, praktische projectstudie.

In het lager secundair onderwijs worden een aantal uren voorzien voor klasgroepswerk en leerlingenraad.

In het hoger secundair onderwijs zijn de vakken afhankelijk van het gekozen studiegebied en de gekozen studierichting. De basisvorming is bereikt op het einde van het lager secundair onderwijs.

Studietoelagen

Studietoelagen worden gegeven onder verschillende vormen.

Hoger onderwijs: de student krijgt een toelage gelijk aan de som van het minimum pensioen (€ 10.000 per jaar). Een student kan bijkomend een studielening krijgen.

Leerlingen hoger secundair, algemeen deel: gratis busvervoer binnen de provincie voor maximaal 1 uur transport.

Leerlingen beroepsopleiding: de leerlingen die een beroep leren, ontvangen een wedde gelijk aan 1 jaar wedde van een ervaren werkman. Het bedrijf betaalt de vervoerskosten en de eventuele verblijfskosten in een internaat. De overheid betaalt het bedrijf dat dergelijke leerling aanwerft een toelage van ongeveer € 10.150 verdeeld als volgt: € 8.150 bij de aanwerving en € 2000 als de leerling geslaagd is in zijn eindtest. KMO’s die geen aanwervingen kunnen verrichten omwille van hun te hoge specialisatiegraad of van hun te laag vermogen om opleidingen in te richten, vormen een kleine unie, waarbinnen de leerling alle facetten van het beroep kan leren door te wisselen van de ene KMO naar de andere.

Vraag en aanbod studierichtingen en werkplaatsen

Er is een groot aanbod aan werkplaatsen en er zijn onvoldoende leerlingen. Hiervoor is er geen oplossing. Oplossingen worden gezocht in experimenten om leerlingen aan te trekken voor deze beroepen. Eveneens wordt gedacht om de knelpuntberoepen te promoten door extra vergoedingen.

Er is een groot aanbod van leerlingen en er zijn te weinig arbeidsplaatsen. Iedereen zijn keuze wordt gerespecteerd. De overheid zorgt voor opvang van de overtollige leerlingen off the job door hen een opleiding in de scholen te bieden. Hier wordt gezocht naar middelen om de keuze van de leerlingen meer te richten (studentenstop? bijkomende premies uitkeren om knelpuntberoepen aan te leren?)

Er wordt gezocht naar een oplossing om de opleidingen minder conjunctuurgevoelig te maken. Er rijzen verschillende kernproblemen:

– wat met de reserve van afgestudeerde leerlingen?
– hoe houdt men leerkrachten aan het werk voor studierichtingen die pas in de toekomst zullen rendabel zijn?

Zelfevaluatiesysteem als vorm van kwaliteitsborging

De school rapporteert regelmatig aan de overheid: maandelijks maakt de school een finan-cieel rapport en driemaandelijks een pedagogisch rapport. De leerkrachten en de leerlingen hebben hierin een signaalfunctie. Zij rapporteren aan hun beleid. Om de planlast te vermij-den en de rapportering effeciënt te laten verlopen worden enkel knelpunten gesignaleerd. Op basis van deze knelpunten wordt een rapport gemaakt voor de overheid. Het rapport vormt de basis voor overleg en onderhandeling met de overheid.

Private scholen en staatsscholen

98,5% van de basisscholen en 96 % van de secundaire scholen zijn staatsscholen. Private scholen zijn meestal een supplement van de staatsscholen. Private scholen moeten erkend zijn door de staat om een subsidie te ontvangen (erkenning op basis van een kwaliteitslabel).

De hervorming van het Secundair onderwijs (1994)

– Probleemstelling in 1994
– Substantieel deel van de jongeren verlaat de school zonder kwalificatie en wordt opgeleid voor de werkloosheid
– De band tussen beroepsopleiding en de industrie was te zwak
– Geografische ongelijkheden
– Sociale ongelijkheden
– Te veel slechte studiekeuzen (er waren meer dan 100 basiscursussen) en te vroege specialisatie
– Leerlingen uit het technisch en beroepsonderwijs hadden een te grote achterstand om hoger onderwijs te volgen
– Volwassenenonderwijs was aan het verdwijnen
– Geen opvolging van drop-outs en geen hulp voor kansarmen
– Pedagogische inhoud en methoden waren niet aangepast aan de toekomstige behoeften

Doelstellingen

In 1994 werd het secundair onderwijs hervormd. De hervorming had tot doel een nieuw systeem van scholing (beroepsvorming) te organiseren in het kader van levenslang leren. Iedereen tussen 16 en 19 jaar heeft het statutair recht op 3 jaar hoger secundair onderwijs voorbereidend op hoger onderwijs of volledige beroepskwalificatie of gedeeltelijke beroepskwalificatie.

– Herwaardering van het technisch onderwijs en de beroepsopleiding
– Scheppen van een aangepaste onderwijsstructuur voor alle jongeren en volwassenen
– Oplossing zoeken voor drop-outs
– Oplossen van de achterstelling van bepaalde gebieden
– Aanvaarden van de gevolgen van de revolutionaire explosie van de kennis in alle velden
– Levenslang leren
– Jongeren opleiden voor een job, bijbrengen van ondernemerschap en creativiteit.

Drie uitvoeringen aan de basis van deze hervorming:

– Hervorming van de basisvorming en de reductie van het algemeen vormend onderwijs
– Reductie van de toegangspoorten tot een opleiding. De toegangspoorten werden van meer dan 100 tot 15 herleid, waarvan 3 overeenstemmend met de algemene vorming en onmiddellijk leidend tot hoger onderwijs en 12 beroepsgerichte toegangspoorten.
– Reorganiseren van de beroepsopleidingen

Basisprincipes

a)minimaal 3 jaar en maximaal 6 jaar recht op beroepsopleiding en recht op secundair onderwijs voor iedereen (dit ligt vast in de Act of Education)

b)contractonderwijs tussen jongere en bedrijf voor de opleiding tot een beroep (geschoold werknemer – geen onderscheid bediende – arbeider)

c)2 + 2 model of hoofdmodel voor het onderwijssysteem dat algemene theoretisch onderwijs verbindt met beroepsopleiding

d)praktisch onderwijs en theoretisch onderwijs hebben een gelijk statuut en worden onderwezen in een en dezelfde school (combined school).

Wat houdt dit 2 + 2 model in?

Dit is een model voor de organisatie van het hoger secundair onderwijs. Het loopt over 3 of 4 jaren. Het model gaat van algemeen naar specialisatie.

– 15 foundation courses
– 100 Advanced level I courses
– 220 Advanced level II courses of beroepsgerichte cursussen

Aan het eind van de opleiding krijgen de leerlingen een diploma voor hoger onderwijs of een certificaat van geschoold werkman. De leerling volgt een academisch leertraject of een leertraject beroepsopleiding.

Leerjaar Cursus Inhoud
1 Foundation course De leerling kiest een studiegebied. Hij volgt hierin een basiscursus. De basiscursus leert de elementaire competenties. Er zijn 15 basiscursussen (studiegebieden): 3 algemene en 12 beroepsgerichte.
2 Advanced course I De leerling kiest een studierichting binnen het studiegebied. Hij wordt onderwezen in de upper secundary education.
3 Advanced course II De leerling diept de studierichting verder uit. Hij verwerft een diploma dat hem toelaat universitair onderwijs te volgen.
4 Workplace I De leerling kiest voor een beroep. Hij leert deeltijds (on the job of off the job) en werkt deeltijds in het bedrijf.
5 Workplace II De leerling werkt in het bedrijf als stagiair en wordt geleidelijk ingeschakeld in het productieproces.
6 Voorbereidend jaar De leerling kan na workplace II een voorbereidend jaar volgen met het doel universiteit te volgen

Beroepsopleiding

Hervorming van de beroepsopleiding

De beroepsopleidingen belopen twee opeenvolgende jaren in de school en twee opeenvolgende jaren in een bedrijf (opleiding on the job). In de opleiding on the job is de helft formeel onderwijs en de andere helft on the job (betaald werken). Algemene vorming is een essentieel onderdeel van de beroepsopleiding. De algemene vorming in de beroepsopleiding is aangepast aan de opleiding. In de beroepsopleiding leren alle leerlingen vaardigheden en attitudes met betrekking tot ondernemerschap, creatief en innoverend werken. De kennisverwerving is breed en omvat feitelijke kennis, manuele vaardigheden, ethische waarden en persoonlijke vaardigheden zoals sociale bekwaamheden, communicatieve vaardigheden, creativiteit

Opleidingscentrum

De leerlingen worden verschillende malen per jaar van de school overgebracht naar het opleidingscentrum met het doel de theorie om te zetten in praktijkervaringen. De school betaalt het vervoer en eventueel het dagverblijf. Er kunnen problemen rijzen wanneer de opleidingscentra verder afgelegen zijn van de scholen.
De taken van het opleidingscentrum zijn:
– In-service training voor beroepsmensen, ambachten, geschoolde werkmannen en werklozen.
– Organiseren van cursussen
– Evalueren van cursussen
– Voorbereiden van de testen (theoretisch en praktisch), testen en certificeren van leerlingen
– E-learingsysteem bevorderen

Leerkrachten

Voornamelijk praktijkmensen die een pedagogisch diploma verwerven (4 jaar studie). Noorwegen kampt met een tekort aan leerkrachten. Het tekort werd grotendeels weggewerkt door de basiswedde te verhogen met € 5000 per jaar, de werkvoorwaarden (o.a. planlast) te verbeteren en meer stabiliteit in de werkgelegenheid te brengen.
Om de stabiliteit te bevorderen werden maatregelen getroffen om de rationalisatie van studierichtingen te verbeteren (reform 1994). Bij te lage aantallen leerlingen wordt de studierichting drastisch gesloten en bij een behoefte wordt deze terug geopend. De scholen houden de leerkrachten in dienst door ze een andere opdracht te geven of te plaatsen in een andere regio. Ook kan van deze gelegenheid gebruik gemaakt worden om de leerkrachten om te scholen of bij te scholen.

Keuze van beroep en studie

De beroepskeuze hangt nog teveel af van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het grootste probleem hierbij is dat de onderwijsmarkt te traag reageert op de voorthollende arbeidsmarkt. Men probeert de onderwijsmarkt te beïnvloeden door meer flexibiliteit in te bouwen in het onderwijs en door financiële voordelen te geven: studieloon naast kinderbijslag; bonus voor de leerling door extra boekengeld, gratis vervoerskosten

Testcentrum

De cursus bedraagt 420 uur theoretische technische opleiding volgens een door de overheid vooropgesteld leerplan. Hier worden specifieke vaardigheden aan toe gevoegd. De bedrijven zijn erkend door de overheid en verantwoordelijk voor de praktische opleiding van de leerling. Het laatste jaar volgt de leerling een 4-tal theoretische sessies en eventueel specifieke praktische sessies in het opleidingscentrum.
Het eindexamen wordt afgenomen volgens een centraal examensysteem. De leerling is geslaagd of niet geslaagd. De leerling houdt een logboek bij. Dit logboek wordt aan de jury van het eindexamen afgegeven. Het logboek is de feedback van de leerling naar het bedrijf en de school. Het theoretisch examen duurt 4 uur en omvat een job-planning, wetgeving naar veiligheid, milieu en gezondheid en theoretische uitwerking van de opdracht (berekeningen, enz). De praktische proef is de uitvoering van datgene wat theoretisch beschreven werd.
De leerling sluit een door het opleidingscentrum opgemaakt contract af met het bedrijf en de school. Het opleidingscentrum selecteert de leerlingen volgens een systeem van vraag en aanbod. Bij de keuze speelt de belangstelling en motivatie van de leerling een primordiale rol.

Vaststellingen

1.tot 16 jaar geldt voor alle jongeren een gemeenschappelijke stam;

2.jongeren blijven niet zitten doordat ze leren op eigen tempo (klasdifferentiatie). Deze klasdifferentiatie is slechts mogelijk door het doorbreken van de graden in het basisonderwijs en het aanhechten van de ‘vroegere eerste graad secundair onderwijs’ aan het basisonderwijs;

3.de leerlingen kiezen één van de 15 studiegebieden en worden geïnitieerd in de basisvaardigheden van dit studiegebied;

4.er zijn slechts drie algemene studiegebieden en 12 technische studiegebieden;

5.de technische studierichtingen zijn kwalificerend en sterk gericht naar de arbeidsmarkt (in company training zonder hierbij de algemene vorming uit het oog te verliezen). De in company training wordt betaald door het bedrijfsleven en ondersteund door de overheid (subsidie per leerling);

6.er is een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs voor hen die een kwalificatierichting volgden;

7.leerling is verplicht zijn keuze af te maken (voor de dropouts is er een sociaal vangnet)

8.een traningscentrum (vergelijkbaar met VIZO) en de school hebben eenzelfde leerplan (trainingscentrum vangt de dropouts op en degenen die willen veranderen van studierichting of beroep);

9.trainingscentrum beheert het contract tussen de leerling, de school, het bedrijf en de overheid (gemeente of provincie);

10.leerling moet solliciteren voor een studierichting (strenge studiebegeleiding en loopbaanbegeleiding)

11.kernprobleem: aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs, knelpuntberoepen blijven bestaan, maar er is een grotere reserve aan gekwalificeerden, een meer flexibele aansluiting en een grotere mogelijkheid tot transfer.

12.het openbaar vervoer waarborgt de neutraliteit en de schoolkeuze. Waar een leerling in zijn regio geen school kan lopen (eerste principe bestaat erin onderwijs in eigen regio te organiseren) worden faciliteiten geboden via openbaar vervoer of verblijf in de nabijheid van de school.

Uit deze vaststellingen kunnen aanbevelingen afgeleid worden.

Aanbevelingen

We doen volgende aanbevelingen

1.Het ontwikkelen van een basisvorming door het invoeren van een gemeenschappelijke stam voor alle jongeren tot de leeftijd van 16 jaar. De basisvorming slaat niet op de ontwikkeling van specifieke eindtermen, maar op de algemene vorming van jongeren opdat deze zich zouden kunnen optimaal ontplooien in onze maatschappij als burger. Het gelijke kansenonderwijs moet erop gericht zijn dat iedere jongere zonder onder-scheid (dus ook de kansarmen) de kans krijgt zijn vermogens te ontwikkelen in een gunstig schoolklimaat.

2.Naast de basisvorming ontvangen de jongeren een goede initiatie in een opleiding, die gericht wordt naar doorstroming of naar kwalificatie. De leerlingen kiezen één studiegebied waarin ze worden geïnitieerd in de basiskennis, basisvaardigheden en basisattitudes van dit studiegebied.

3.Een terugdringen van het aantal studiegebieden in de tweede graad: drie algemene studiegebieden (exacte wetenschappenen, menswetenschappen en sport) en twaalf technische studiegebieden conform de bedrijfssectoren.

4.In de derde graad worden de onderwijsvormen behouden, doch de derde graad wordt opgedeeld in twee afdelingen: doorstroming en kwalificatie. De doorstroming heeft algemene en technische studierichtingen. De algemene studierichtingen zijn deze van het traditionele ASO; de technische studierichtingen zijn deze studierichtingen die niet techniek genoemd zijn zoals IW, EM, EL-ELA, ST, BI. In de kwalificatie vinden we de huidige technische richtingen die techniek genoemd zijn en de beroepsrichtingen.

5.De beroepsrichtingen in de derde graad (technische, beroepsgerichte en ambachtelijke studierichtingen) zijn niet gericht naar doorstroming, maar zijn kwalificerend. Dit laatste betekent dat zij sterk gericht zijn naar de arbeidsmarkt door middel van in company training. De in company training wordt betaald door het bedrijfsleven en wordt onder-steund door de overheid (subsidie per leerling). Bij de opleiding wordt de algemene vorming niet uit het oog verloren.

6.Leerlingen die een kwalificatie volgden moeten de mogelijkheid hebben om Hoger onderwijs te volgen via een voorbereidend jaar (remediëren van de algemene vorming). Leerlingen die een doorstroming volgenden moeten de mogelijkheid bezitten om via een omschakelingjaar een kwalificatie te volgen.

7.Een leerling is verplicht zijn keuze af te maken. Voor de dropouts is er een sociaal vangnet na de leeftijd van 16 jaar. Na deze leeftijd wordt iedere leerling geacht een basisvorming te hebben verworven. Trainingscentra vangen de dropouts op.

8.Een trainingscentrum beheert het contract tussen de leerling, de school, het bedrijf en de overheid.

9.Een leerling moet solliciteren voor een studierichting (strenge studiebegeleiding en loopbaanbegeleiding).

10.Een jongere volgt onderwijs in eigen regio, met andere woorden zo dicht mogelijk bij huis. Daar waar een leerling in zijn regio geen school kan lopen, kan het openbaar vervoer of een verblijf in de nabijheid van de school de neutraliteit en de schoolkeuze waarborgen.