Anne Morelli over de mensenrechten en de school

Facebooktwittergoogle_plusmail

Anne Morelli, professor aan de ULB en auteur van meerdere historische boeken, schreef naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Universele verklaring in 1999 een artikel dat vandaag niets van zijn waarde verloren heeft.
Zij vertelt dat ze was uitgenodigd op een technische school in Wallonië tijdens een dag van de mensenrechten.

“Op het einde van de dag vragen deze gemotiveerde leerlingen een “rechtvaardiger wereld”. Op dat moment stoten wij op de limieten van onze pedagogische actie. Wat kan men deze leerlingen antwoorden? Wij zijn verplicht toe te geven dat vijftig jaar later blijkt dat de Universele verklaring van de rechten van de mens nauwelijks méér dan een lege belofte voorstelt voor de meerderheid van de mensheid. Met name voor de 1,3 miljard mensen die met minder dan één dollar per dag leven, de 35.000 kinderen die dagelijks sterven aan ziekte en ondervoeding, de honderden miljoenen volwassenen die niet kunnen lezen en schrijven, de 40 miljoen vluchtelingen, de duizenden opiniegevangenen en slachtoffers van folteringen.

Volstaat het de leerlingen enkele liefdadigheidsacties aan te raden die hen een goed geweten zouden bezorgen? Is het na dit proces-verbaal van onrechtvaardigheden niet noodzakelijk zich af te vragen waar de oorsprong ligt van deze sociale kwalen? Riskeren wij, als deze vraag gesteld wordt, niet meteen de essentiële verantwoordelijkheid aan te snijden van het economisch systeem en van de politici die met de economische machten collaboreren? De leraar aarzelt dan om zich in het mijnenveld van de politiek te begeven want zijn statuut verbiedt het hem. Moeten wij de leerlingen helpen zich bewust te worden van de onrechtvaardigheden van ons systeem om vervolgens te bekennen dat wij niet in staat zijn te vechten tegen de schendingen van de elementaire mensenrechten, meer bepaald op het sociale en economische domein, wat het recht op arbeid, gezondheid, sociale zekerheid, onderwijs impliceert. Wat een hypocrisie en welke verschrikkelijke dubbelzinnigheid brengen ons ertoe om de koorts vast te stellen en om te proberen die naar beneden te krijgen zonder de bacterie of het virus aan te pakken dat er de oorzaak van is.

De verklaringen van de rechten van de mens zijn revolutionaire documenten die wij ons moeten toeëigenen. De Verklaring van de rechten van de mens en van de burger van 1793 (“Déclaration montagnarde” van de Franse Revolutie) zegt in zijn artikel XXXV expliciet: “Wanneer een regering de plichten van het volk met voeten treedt, is de opstand het heiligste recht en de onontbeerlijke plicht van het volk en elk deel van het volk”
De Universele verklaring van de rechten van de mens van 1948 erkent in zijn inleiding evenzeer dat de laatste toevlucht de revolte is tegen de tirannie. De tirannie is vandaag de werkelijkheid van de Wereldbank en het IMF.

We moeten in de klas vermelden dat bepaalde wetten immoreel zijn en bepaalde praktijken bijgevolg illegaal. Dag na dag discussiëren over de limieten van het aanvaardbare en over de grenzen van de collaboratie. De aandacht van de jongeren wekken voor het publiek belang en tot engagement. Maar hoe komt het dan dat zoveel ontgoochelde collega’s daarentegen de onverschilligheid uitdragen, het overdreven individualisme en het opgeven van engagement?

De “opdrachten” (allusie op het decreet op de Opdrachten voor het leerplichtonderwijs van minister Onkelinkx voor het Franstalig onderwijs, 1997, nvdr) die aan de school worden toegewezen, zijn in dat opzicht tegenstrijdig. Enerzijds wordt van een leraar verwacht dat hij de leerlingen inschakelt in een “logica van efficiëntie, rentabiliteit, productiviteit, flexibiliteit, beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt…”. De logica van de rentabiliteit van ons economisch systeem verreist dat.
Anderzijds zou de leraar het kind moeten laten ontplooien, tot staatsburger vormen, zijn leerlingen opvoeden tot “solidariteit, rechtvaardigheid, broederlijkheid” en hen dus leren aan de competitie te verzaken, zich collectief te organiseren tegen het puur economische denken.
Deze opdrachten zijn tegenstrijdig en gaan niet samen. De idealen van generositeit en broederlijkheid zijn voor mij onverzoenbaar met de rentabiliteitslogica van het puur economisch denken. Ik geloof dat we moeten kiezen: niemand kan twee heren dienen.
De volwassenen moeten niet proberen het geweld van de jongeren te verstikken. Zij moeten het kanaliseren. Het essentiële voor mij is dat we de jongeren suggereren om te vechten want dat betekent dat we een zin geven aan hun bestaan, dat door velen onder hen beschouwd wordt als alleen maar absurd. Er bestaat geen onvermijdelijke realiteit, alles moet worden opgebouwd, alles kan voorwerp worden van strijd.”

Anne Morelli