Strijdbeweging in Franstalig onderwijs komt ook Vlaamse leerkrachten ten goede

Het Franstalig onderwijs kende de voorbije twee jaren en in het bijzonder de zeven weken voor de grote vakantie een zelden geziene strijdbeweging. Van 18 mei tot 4 juli hadden de onderwijsvakbonden (CSC-Enseignement, CGSP-Enseignement, SEL-SETCA, en twee kleine liberale vakbonden) een stakingsaanzegging ingediend. Vele honderden scholen waren in die periode effectief in staking, sommige gedurende meer dan 20 dagen.

De beweging bereikte een hoogtepunt toen het Parlement van de Fédération Wallonie-Bruxelles (FWB) op 4 juni moest stemmen over een pakket besparingsmaatregelen van de regering (MR – Les Engagés). Vele duizenden leerkrachten, studenten, scholieren en medestanders (ouders, sociale organisaties) verzamelden zich aan het parlement in Brussel tot ze door de politie werden verdreven, waarbij traangas, de wapenstok en honden werden ingezet. Als protest tegen het geweld van de politie organiseerden 40 organisaties, op initiatief van het lerarencollectief Mars Attacks, op 8 juni een betoging met 5000 deelnemers die vertrok aan het Justitiepaleis, in aanwezigheid van 40 advocaten van de balie van Brussel in toga. Op 4 juni en de dagen er voor en er na waren er plaatselijke manifestaties in tientallen steden en gemeenten. Zo was er in Charleroi op 4 juni ’s morgens een manifestatie van 5000 leerkrachten en scholieren, alvorens een paar duizend manifestanten naar Brussel trokken.

In heel de periode waren er ontelbare werkonderbrekingen en personeelsvergaderingen op de scholen. Ludieke en andere acties volgden elkaar op: krijttekeningen aan de ingang van scholen, stakingspiketten met animatie, strijdliederen, bbq aan schoolpoorten, verdelen van pamfletten op rotondes. Er zijn ook scholen die overgingen tot burgerlijke ongehoorzaamheid door te weigeren de centrale toetsen te organiseren of door de resultaten van die toetsen niet door te geven aan het Departement Onderwijs. Dergelijke acties waren enkel mogelijk omdat ook vele directies sympathiseerden met de strijd. Hoewel veel ouders uiteraard bezorgd waren voor het uitvallen van lessen en (een deel van) de examens, bleek een meerderheid van ouders de beweging te steunen of er begrip voor op te brengen. Ook scholieren lieten zich op veel plaatsen niet onbetuigd.

Bij de start van het nieuwe schooljaar

Op 1 september was er een ontmoeting tussen onderwijsminister Valérie Glatigny (MR) en de vakbonden. De minister verklaarde dat alle maatregelen die in juni – met een krappe meerderheid – door het parlement waren gejaagd, onverkort worden uitgevoerd. Twee extra lesuren voor de leerkrachten van het hoger secundair onderwijs, vermindering van de uitkering bij ziekte voor vastbenoemden waarvan de ziektedagen zijn uitgeput, verhoging van het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs tot 1200 euro voor niet-beursstudenten, forse reductie van de subsidies voor gratis schoolmateriaal en goedkope maaltijden voor leerlingen, invoering van inschrijvingsgeld in het dko voor kinderen beneden de 12 jaar … Omdat er geen enkele onderhandelingsruimte meer mogelijk was, werd het een korte ontmoeting. De minister verklaarde wel dat ze voor de rest van de legislatuur geen nieuwe besparingen op onderwijs meer zou opleggen. Voorlopig wordt de vaste benoeming voor nieuwe leerkrachten ook niet afgeschaft, zoals in het regeerakkoord was aangekondigd.

CGSP-Enseignement, SEL-SETCA (de socialistische vakbond in het vrij onderwijs) en CSC-Enseigenement dienden een stakingsaanzegging in tot 27 september. Op 10 september organiseerden de vakbonden in Luik een eerste grote betoging met meer dan 10.000 deelnemers. De centrale slogans waren: “refinancement” (herfinanciering) en “chaque enfant compte” (elk kind telt). In veel scholen zijn er werkonderbrekingen en in sommige scholen stakingen georganiseerd. De ministers Glatigny (onderwijs) en Degryse (minister-president en minister van Hoger Onderwijs), alsook MR-voorzitter GL Bouchez, worden “warm” onthaald op publieke evenementen en bij schoolbezoeken. De studenten organiseren twee betogingen in september tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld. De strijd is niet afgelopen

Demir: “Ik zal niet raken aan de vaste benoeming en geen twee extra lesuren opleggen”

Op 7 juni, een paar dagen nadat de Vlaamse media voor het eerst veel aandacht besteden aan de protestbeweging in het Franstalig onderwijs, met name de manifestatie rond het parlement, is onderwijsminister Zuhal Demir te gast in de Zevende Dag (vrt-tv). De minister refereert expliciet naar de beroering in het Franstalig onderwijs als ze verklaart dat zij de vaste benoeming niet zal afschaffen en dat zij in het hoger secundair onderwijs de leerkrachten geen twee extra lesuren gratis zal doen werken. Dezelfde boodschap geeft Demir in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement.

Op de vooravond van het nieuwe schooljaar schetst “De Tijd” [1] de uitdagingen waarvoor Demir staat, o.a. de slaagkansen van een “onderwijspact”, dat sinds geruime tijd voorwerp is van discrete onderhandelingen tussen de minister, vijf onderwijsverstrekkers en vier onderwijsvakbonden. “In principe heeft Demir de vakbonden noch de onderwijsverstrekkers nodig om het decreet over de rechtspositie van leerkrachten te hervormen. Maar dat erdoor duwen zonder hun steun, zou de sociale vrede op het spel zetten. Dat kan grote gevolgen hebben, getuige de aanhoudende stakingen in Franstalig België tegen de hervormingen van MR-minister van Onderwijs Valérie Glatigny, die onder meer de vaste benoeming afschaft [2]. Daaraan lijkt in Vlaanderen niemand zich te willen wagen”.

En verder schrijft “De Tijd” op 31 augustus: “Nog altijd is er geen oplossing voor de 100 miljoen die ze volgens het regeerakkoord moet besparen op de levensbeschouwelijke vakken. (…) Potentieel nog gevoeliger ligt een andere besparing die het regeerakkoord haar heeft opgedragen: 150 miljoen vinden in het secundair onderwijs. Volgens onze informatie staat in geheime regeerafspraken dat leerkrachten in de derde graad 22 uur les moeten geven in plaats van 20 uur, zoals in de eerste graad. Die hervorming vinden veel betrokkenen de logica zelve, maar ze ligt bijzonder gevoelig bij leerkrachten. Het is ook een van de ingrepen waartegen de vakbonden in Franstalig België stormlopen. Demir lijkt zich daar in september niet aan te zullen wagen, maar waar wil ze het geld dan wel vinden?”

Je krijgt de indruk dat minister Demir de strijdbeweging in het Franstalig onderwijs met meer dan gewone aandacht volgt. Men zou warempel gaan denken dat de Franstalige onderwijsvakbonden mee aan de onderhandelingstafel rond het “onderwijspact” zitten. Dirk Van Damme, kabinetsmedewerker of raadgever van meerdere ministers van Onderwijs en voorzitter van de “commissie van wijzen” die eind 2023 een rapport neerlegde dat volgens toenmalig minister Ben Weyts de “basis” zou vormen van het volgende regeerakkoord, schreef in Knack van 8 juni 2026: “In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn veel mensen binnen de N-VA wel degelijk beducht voor vakbondsprotest.”. En ook: “Ben Weyts was dan ook behoorlijk misnoegd toen er uiteindelijk toch tegen ons rapport werd gestaakt.”[3]

Zes procent loonsverhoging uit schrik voor “Waalse toestanden”

De strijdbeweging in het Franstalig onderwijs had al eerder zijn invloed op het Vlaams onderwijsbeleid, met een gunstig effect voor de Vlaamse leerkrachten. Na bijna 10 jaar van inleveren eisten de vakbonden van het onderwijs – en van andere openbare sectoren – in 1990 een forse inhaalbeweging: zes procent loonopslag. In het Franstalig onderwijs ging het er heftig aan toe. Na talrijke manifestaties en stakingen – ook tijdens de examenperiode in juni 1990 – plooide de regering van de Communauté française in de herfst van 1990. Ze ging geld lenen om de 6 procent loonsverhoging te financieren.

Langs Vlaamse kant was er minder strijd maar gaf de Vlaamse regering sneller toe. In “Klasse” van 7 september 1990 verklaart Henri Duqué, adjunct-adviseur van de begrotingscel van het Vlaams Ministerie van Onderwijs: “Ik denk dat we uiteindelijk Waalse toestanden krijgen. Dat de leerkrachten nog niet betogen is te danken aan de beloofde zes procent opslag gespreid over drie jaar. Deze belofte hard kunnen maken is tot nu toe geen probleem omdat de Vlaamse Gemeenschap kan teren op het rijke Gewest. In Wallonië moet het onderwijs het stellen met wat het van de nationale overheid krijgt. Bij ons past de globale middelenpot van de Vlaamse Gemeenschap de meerkost voor het organiseren van onderwijs bij die niet gedekt wordt door de financieringswet”.

3 miljard euro extra voor het Franstalig en het Vlaams onderwijs dank zij de stakingen van 1996 in het Franstalig onderwijs

In 1996 kende het Franstalig onderwijs een langdurige en massale stakingsbeweging tegen 3000 afdankingen en andere besparingsmaatregelen door de toenmalige PS-PSC-regering met onderwijsminister Laurette Onkelinx (PS). Het centraal ordewoord luidde “refinancement”. Tijdens de federale en regionale verkiezingen van 1999 verloren PS en PSC veel stemmen van leerkrachten aan ECOLO. Bij de vorming van de paarsgroene regering (liberalen, socialisten en groenen) onder leiding van Guy Verhofstadt (Open VLD) eisten alle Franstalige partijen een herfinanciering van het onderwijs.  Ook de PSC (de Franstalige christendemocraten, nu omgedoopt in Les Engagés) die in de oppositie zat. De Franstalige partijen waren de staking van de leerkrachten in 1996 immers niet vergeten. Zo kwam in 2001 het Lambermontakkoord (in Franstalig België Accord Sainte Polycarpe) tot stand om de bijzondere financieringswet te wijzigen. Zo werd een belangrijke overdracht van federale middelen bewerkstelligd naar de Communauté française (vandaag Fédération Wallonie Bruxelles genaamd) en de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse partijen eisten dat de verdeelsleutel werd gewijzigd in het voordeel van de Vlaamse Gemeenschap. Naast de bestaande – objectieve – verdeelsleutel volgens het aantal leerlingen werd een criterium toegevoegd, de “capacité contributive”, ttz het aandeel van Vlaanderen en Wallonië in de inkomsten uit de personenbelasting. Omdat de gemiddelde lonen in Vlaanderen hoger liggen dan in Wallonië, ligt de gemiddelde personenbelasting er ook hoger. Dit tweede criterium vertrekt van het egoïstische “I want my money back”. [4]

De herfinanciering van het onderwijs vanaf 2002 kwam dus niet enkel ten goede aan het Franstalig onderwijs, maar ook – en vooral – aan het Vlaams onderwijs. In 2008 bedroegen de bijkomende middelen voor het Franstalig en Vlaams onderwijs samen 1,6 miljard euro (in 2026 zou dat overeenkomen met ongeveer 3 miljard euro). Met die bijkomende injectie werden o.a. de werkingsmiddelen van alle Vlaamse scholen serieus opgetrokken onder onderwijsminister Frank Vandenbroucke (sp.A/Vooruit).

Strijd voor herfinanciering blijft noodzakelijk

Deze beknopte terugblik brengt ons tot enkele elementaire vaststellingen.

In 1980 besteedde ons land 7% van het bbp aan onderwijs, vandaag ongeveer 6%. Sinds 45 jaar is het aantal studenten in het hoger onderwijs bijna verdrievoudigd. Het onderwijsbudget zou eerder 8% in plaats van 6% van het bbp moeten bedragen om gelijke tred te houden met de objectieve noden.

Dank zij de strijd van de onderwijsvakbonden en de studentenbeweging – in het bijzonder langs Franstalige kant – werd een gedeeltelijke herfinanciering bekomen. De wijziging van de bijzondere financieringswet in 2001 ging echter gepaard met de invoering van een onrechtvaardig criterium voor de verdeling van een deel van de federale middelen naar het Vlaams en Franstalig onderwijs, namelijk het principe dat een Franstalige school minder geld krijgt omdat de Franstaligen gemiddeld minder personenbelasting betalen wegens een lager inkomen.

De strijd voor de herfinanciering van het Franstalig en Vlaams onderwijs blijft derhalve noodzakelijk en vraagt om een grotere samenwerking tussen Franstalige en Vlaamse vakbonden, studentenbewegingen en andere onderwijsactoren.

Tino Delabie (22 september)

Lees ook: 

Strijdbeweging in Franstalig onderwijs gaat door (20 september) 

Voetnoten

  1. Daan Bleus, Zuhal Demir wacht schooljaar van de waarheid, De Tijd, 31 augustus 2026. ↑
  2. De afschaffing van de vaste benoeming voor nieuwe leerkrachten staat in het regeerakkoord van de FWB. Vooral voor de MR is het een obsessie om de vaste benoeming af te schaffen. Maar voorlopig duwt onderwijsminister Glatigny (MR) niet door. Omwille van het felle protest. En omdat het vervangen van vastbenoemden door contractuelen duurder zou uitvallen voor de begroting van de FWB, omdat er op de lonen van vastbenoemden lagere werkgeversbijdragen voor de (federale) Sociale zekerheid worden betaald. Glatigny vroeg aan de federale regering om de werkgeversbijdrage op de lonen van contractuele leerkrachten te verlagen, maar de federale regering ging er niet op in. ↑
  3. Ann Peuteman, Onderwijsexpert Dirk Van Damme: ‘Geen loopbaanpact in de herfst? Dan is het te laat’, Knack, 8 juni 2026 ↑
  4. De uitdrukking komt van de Britse premier Margaret Thatcher die vond dat haar land een groter aandeel uit de pot van de Europese Unie moest krijgen en niet solidair moest zijn met armere lidstaten. Indien men dit criterium zou toepassen binnen Vlaanderen, dan zou een school in Limburg minder gesubsidieerd worden dan in Vlaams-Brabant omdat de Limburgers – die gemiddeld een lager inkomen hebben – gemiddeld minder personenbelasting betalen. ↑