Alle kinderen hebben recht op veeleisend, rijk en bevrijdend onderwijs

Op 22 juli nam ik deel aan een onderwijsdebat tijdens de Gentse Feesten. De titel van het debat was “Is onderwijs nog altijd een sociale hefboom? Hoe kan onderwijs de sociale verschillen verminderen of reproduceert het de ongelijkheid?” In de aanloop naar het debat stuurden de organisatoren mij vier vragen. Ziehier de antwoorden die ik voorbereidde. 

Vraag 1 maatschappelijke opdracht

Wat is ‘goed’ onderwijs? Wat is het ‘doel’ van onderwijs?

Kennisoverdracht is essentieel en wordt vaak onderschat, maar onderwijs is veel meer dan dat. Onderwijs staat midden in de samenleving en vormt het hart van de democratie. Het is een krachtig hefboommechanisme dat de maatschappij van morgen vormgeeft.

1. Emancipatie en het doorbreken van sociale ongelijkheid

Onderwijs heeft de maatschappelijke plicht om sociale reproductie te doorbreken: het fenomeen waarbij de sociaaleconomische positie van de ouders de toekomst van het kind bepaalt.

2. Democratische opdracht: vorming tot kritische burgers

Onderwijs moet mensen leren héél de wereld te begrijpen, te bevragen en te veranderen.

  • Machtsstructuren, privileges en ongelijkheid in de samenleving te herkennen en te analyseren.
  • Informatie en media kritisch te filteren in een tijdperk van Big Tech, algoritmen en desinformatie.
  • Zelfstandig een mening te vormen en op te treden als actieve actoren in het maatschappelijk debat.

3. Verbinding, solidariteit en de opbouw van een gemeenschap

School is een van de zeldzame plekken in een steeds meer geïndividualiseerde en gesegmenteerde samenleving waar kinderen uit alle lagen van de bevolking elkaar ontmoeten.

  • Tegengewicht voor individualisering: Onderwijs leert kinderen dat ze onderdeel zijn van een collectief. Het kweekt solidariteit, empathie en gemeenschapszin.
  • Diversiteit omarmen: Door samen te leven en te leren op school, bouwen kinderen aan een inclusieve samenleving en leren ze omgaan met culturele, religieuze en sociale verschillen.

4. Brede ontplooiing: Vorming van de ’totale mens’

Onderwijs mag niet gereduceerd worden tot een voorbereidingscursus op de arbeidsmarkt. Aandacht voor

  • De psychologische en emotionele ontwikkeling van het kind.
  • Cultuur, creativiteit en lichamelijke opvoeding.
  • Ecologisch bewustzijn en het leren dragen van verantwoordelijkheid voor de planeet en toekomstige generaties.

Vraag 2 Kastensysteem

Biesta spreekt over onderwijs als een democratische praktijk. Is die democratische opdracht vandaag ondergeschikt geworden aan economische logica? Aan wat merken jullie dat?

Kastensysteem, theoretische omleiding.

Binnen het kapitalisme is het onderwijs en de manier waarop het onderwijs wordt georganiseerd cruciaal. En de reden daarvoor heeft te maken met de arbeidsmarkt.

Het doel en de essentie van het kapitalisme is de accumulatie van zoveel mogelijk kapitaal. Naast de uitbuiting van de natuur wordt dat kapitaal, of die rijkdom, geproduceerd door arbeid. En om die accumulatie maximaal te laten verlopen is een gunstige arbeidsmarkt cruciaal. Anders gezegd, om de winsten te maximaliseren is er een arbeidsmarkt nodig die afgestemd is op de behoeften van het kapitaal. En die behoeften zijn opgesplitst. Voor high tech sectoren en voor het management is hooggekwalificeerd personeel nodig. Dat zijn mensen die theoretisch gevormd zijn, die autonoom kunnen denken, leiding kunnen geven en heel veel skills hebben.

Sectoren als constructie, transport, retail enzovoort hebben juist laag gekwalificeerd personeel nodig: praktisch geschoold (een stiel), weinig algemene kennis en vlot inzetbaar. Belangrijk, zij mogen niet te hoog geschoold zijn, want dat zouden ze minder volgzaam zijn en ook hogere looneisen kunnen stellen.

Dat zijn de twee uitersten. Daar tussenin zijn er heel wat sectoren of beroepscategorieën, die praktisch gericht zijn, maar een zekere theoretische vaardigheid vereisen.

Om de boel goed draaiend te houden zijn die verschillende profielen en verschillende kennisvereisten nodig. Er mag er niet teveel van het een zijn en niet te weinig van het ander. Het kapitalisme heeft m.a.w. behoefte aan een soort kastensysteem binnen de arbeidsmarkt.

En hier komt het onderwijs op de proppen, want binnen ons maatschappelijk stelsel is het onderwijs misschien niet perfect, maar dan toch vrij goed afgestemd op dat kastensysteem. Vanaf 12 jaar worden leerlingen binnen ons schoolsysteem opgesplitst in drie categorieën: vroeger noemden ze dat ASO, TSO en BSO, vandaag klinkt het wat omfloerster: doorstroomfinaliteit, dubbele finaliteit, arbeidsmarktfinaliteit. Die mooie woorden verhullen dat we te maken hebben met hiërarchie én een segregatie.

Het woord segregatie is niet overdreven: ASO-richtingen of ASO-scholen liggen bijna nooit op dezelfde campus als BSO-richtingen. Dat betekent dat leerlingen van de verschillende kennisniveaus heel weinig met elkaar in aanraking komen. Die verschillende kennisniveaus creëren een eigen bubbel met eigen hobby’s, vaak eigen klederdracht. Ze gaan samen uit, doen samen sport, enzovoort. BSO-kinderen gaan praktisch niet naar de jeugdbeweging. Zo’n bubbel is misschien geen kaste, maar het is er wel niet ver van verwijderd.

Ik ben begonnen in het ASO maar ik heb het grootste deel van mijn loopbaan in TSO en BSO lesgegeven. Ik heb vastgesteld dat het niveau of het peil dat men in het BSO aanreikt schandalig laag is. Ik gaf wiskunde en informatica, toen die nog als aparte vakken bestonden voor BSO. De vereisten volgens de eindtermen waren belachelijk laag: voor wiskunde: de regel van drie en het kunnen rekenen met procenten. Dat is het niveau van de lagere school.

Nochtans kan het volledig anders. Ik heb zelf wiskunde en informatica gegeven in BSO in de derde graad. Ik leerde mijn leerlingen programmeren in Xcel en voor diegenen die het wat zegt: ik gaf mijn leerlingen onder andere financiële algebra en willekeurige driehoeken. En

Op taalvlak is het niet veel beter. Collega’s vertelden mij bijvoorbeeld dat BSO-leerlingen een film met veel ondertitels, waarin dus veel gesproken wordt, bijvoorbeeld een film waarin een rechtszaak voorkomt, niet kunnen volgen, omdat de ondertiteling voor hen te snel gaat. Ze kunnen het gewoon niet zo snel lezen. Leerlingen boeren zelfs letterlijk achteruit. Het taalniveau van leerlingen in de derde graad is soms lager dan het was in de eerste graad.

Hetzelfde voor de andere algemene vakken zoals aardrijkskunde of geschiedenis. Van biologie, scheikunde of fysica is al geen sprake. (Katrien PAV). Het kennisniveau dat men van die leerlingen vereist is qua algemene kennis bedroevend en totaal ondermaats.

Belangrijk is, dat de leerlingen dat laag niveau op den duur gaan internaliseren. Zij gaan geloven dat zij qua kennis tot minder in staat zijn, en meer algemeen dat zij minder begaafd zijn. Zo worden zij door ons gesegregeerd onderwijssysteem klaargestoomd om later minderwaardige en laagbetaalde jobs aan te nemen. (Er zijn gelukkig uitzonderingen, maar die bevestigen de regel.)

Het tegenovergesteld, elitaire bewustzijn dan, wordt gevormd in vooral de zogenaamd sterke ASO-richtingen. Zij ontwikkelen een soort superioriteitsgevoel ten aanzien van de andere richtingen. Op die manier kneedt ons onderwijs het klassenbewustzijn of zo je wil kastenbewustzijn van de toekomstige werknemers.

Door het onderwijssysteem dat vanaf 12 jaar in schotten wordt georganiseerd worden de leerlingen de facto voorgesorteerd voor de toekomstige gesegmenteerde en hiërarchische arbeidsmarkt. In ons onderwijssysteem wordt die voorsortering sterk in de hand gewerkt door het fameuze watervalsysteem. Elk jaar opnieuw krijgt ongeveer 7% procent van de leerlingen een B-attest. (van de zogenaamd ‘sterke’ richtingen naar de ‘zwakkere’ richtingen.) Als je dat cumulatief bekijkt op de eerste vier jaar van het secundair onderwijs (want in de hoogste graad is dat niet mogelijk) dan gaat dat over een vrij groot aantal.

Dat heeft twee belangrijke gevolgen. Ten eerste dat heel wat leerlingen terechtkomen in richtingen waar ze eigenlijk niet thuishoren en waar ze qua algemene kennis ondermaats worden opgeleid. En ten tweede creëert men daardoor een grote uitstroom. Het groot aantal B- en C-attesten laat zien dat ons onderwijssysteem niet de reflex heeft om leerlingen ‘bij te houden’, om er alles aan te doen om ze laten slagen. Het gevolg is dat één op acht leerlingen zijn diploma van secundair onderwijs niet haalt.

In dat watervalsysteem speelt het vak wiskunde een grote en nefaste rol. Er wordt weinig systematisch onderzoek naar gedaan, maar de cijfers die ik gevonden heb bevestigen mijn eigen ervaring. In het ASO haalt elk jaar ongeveer één op zeven leerlingen een tekort voor wiskunde. Eén op zeven, dat is enorm en absurd. Wiskunde is ten onrechte een ‘buisvak’ of boemanvak. In het hoger onderwijs is dat nog erger met het vak statistiek. Dat vak is een echte gesel, terwijl statistiek binnen het wiskundedomein eerder een gemakkelijk onderdeel. Hoe dan ook, wiskunde speelt een belangrijke rol in de segmentering van het onderwijs en is op die manier een soort bewaker van het kastensysteem op onze arbeidsmarkt.

Samengevat: het onderwijs organiseert een segmentering die zeer functioneel is voor de arbeidsmarkt, maar die daardoor aan een grote groep mensen goede, degelijke vorming en scholing onthoudt.

Die voorsortering is dus allesbehalve een goede zaak. Maar er is meer aan de hand. Je zou mogen verwachten dat die voorsortering gebeurt op basis van talenten, intellectuele capaciteiten of schoolprestaties van het kind. Maar dat is slechts ten dele het geval. De sociale afkomst is hier sterk bepalend. Wie thuis ouders heeft die hoger onderwijs gedaan hebben, die boeken hebben, Nederlands als thuistaal spreken, huiswerk kunnen begeleiden of bijlessen kunnen betalen, krijgt een structurele voorsprong. Van de leerlingen van wie de moeder een universitair diploma heeft, zit 90 procent in het ASO en amper 1 procent in het BSO. Bij leerlingen uit een kwetsbaar gezin geldt het omgekeerde.

Die sociale determinatie wordt nog eens versterkt door een zogenaamd ‘verwachtingseffect’ bij leerkrachten. Als een leerling uit een kansrijk gezin faalt, wordt dat sneller gelezen als een uitzondering: die leerling kan het wellicht nog ophalen met bijles, ouderlijke steun of extra inspanning. Bij een leerling uit een kwetsbaar gezin wordt hetzelfde tekort sneller gelezen als bewijs dat de richting te moeilijk is. Zo hebben leerlingen uit een arm gezin tussen 40 en 50 procent meer kans op een C-attest dan leerlingen uit een rijk gezin. Voor B-attesten geldt iets gelijkaardigs.

Zo bevestigt het onderwijs het kastensysteem van onze arbeidsmarkt die het net zou moeten doorbreken. In plaats van afkomst minder bepalend te maken, vertaalt het die vaak in studierichtingen, attesten en toekomstkansen. Van echte sociale mobiliteit schiet weinig over.

Vraag 3

Heeft de sterke focus op onderwijskwaliteit ertoe geleid dat alles dat met sociale ongelijkheid heeft te maken, minder aandacht krijgt?

Het is onmiskenbaar dat het onderwijsniveau daalt. Links heeft daar precies schrik van. Wie pleit voor strenger en moeilijker onderwijs, klinkt al snel als een conservatief. Het is alsof schoolkennis een instrument is van sociale uitsluiting.

Het klopt dat de roep om “meer niveau” vaak een dekmantel is voor elitarisme. Maar dat mag geen reden zijn om het debat te mijden. Links moet eisen dat alle jongeren toegang krijgen tot diepe, brede en emancipatorische kennis.

Daarbij hoort ook een pleidooi voor discipline, inzet en hoge verwachtingen. Pedagogen als Freinet en Freire toonden al dat je emancipatie en structuur perfect kan combineren. Kinderen hebben recht op begeleiding, op aansturing, op moeilijke begrippen, op een rijke cultuur. Hen dat ontzeggen uit valse empathie of door ze zelf te laten kiezen wat, hoe en wanneer ze leren, is nefast.

Kwaliteit en gelijkheid zijn geen vijanden. Het zijn bondgenoten. Een rechtvaardige samenleving vraagt om een school die hoge ambities koestert voor elke leerling. Zonder privileges, zonder uitsluiting.

Daarom pleiten voor brede basisvorming, kritische kennis, ruimte voor theorie én praktijk. Links moet het debat over het niveau van het onderwijs met overtuiging aangaan. Niet met angst, wel met visie. Omdat goed onderwijs niet elitair hoeft te zijn, maar wel veeleisend mag zijn.

Vraag 4

Welke koers moeten we vandaag inslaan om ervoor te zorgen dat onderwijs opnieuw een hefboom wordt voor gelijke kansen?

Links mag het debat over “niveau” niet langer overlaten aan rechts. Want dan lijkt het alsof hoge verwachtingen, discipline en degelijke kennis automatisch reactionair zijn. Dat klopt niet.

Een democratische school moet net ambitieus zijn voor iedereen. Niet alleen voor kinderen die van thuis uit al cultureel kapitaal, boeken, begeleiding en zelfvertrouwen meekrijgen. Kennis is geen luxeproduct voor de elite, maar een voorwaarde om de wereld te begrijpen en eraan deel te nemen.

Daarom is het verlagen van verwachtingen geen oplossing voor ongelijkheid. Het risico bestaat dan dat kinderen uit kwetsbare gezinnen opnieuw minder krijgen: minder theorie, minder cultuur, minder wetenschap, minder taal, minder toegang tot abstract denken. Dat is geen emancipatie, maar berusting.

Een linkse onderwijspolitiek moet dus twee dingen tegelijk doen: de lat hoog leggen én de ondersteuning verhogen. Hoge verwachtingen zonder middelen worden selectie. Zorg zonder ambitie wordt betutteling. Pas wanneer beide samengaan, kan onderwijs werkelijk bevrijdend werken.

Dat betekent: een brede gemeenschappelijke vorming voor alle leerlingen, waarin technische, wetenschappelijke, sociale, literaire en artistieke kennis een plaats krijgen. Theorie en praktijk mogen niet tegenover elkaar staan. Elk kind heeft recht op handen én hoofd, op vakmanschap én wereldkennis.

Het betekent ook dat we het watervalsysteem moeten doorbreken. Te vroeg sorteren op zogenaamd “niveau” bevestigt vooral sociale afkomst. Een democratische school geeft leerlingen tijd, begeleiding en vertrouwen, in plaats van hen snel naar minder gewaardeerde richtingen te duwen.

Maar dat vraagt ook materiële keuzes. Kleinere klassen, sterke omkadering, goed opgeleide leerkrachten, tijd voor samenwerking, remediëring zonder stigma en scholen die niet tegen elkaar worden uitgespeeld op een onderwijsmarkt. Zolang kansrijke ouders zich kunnen afzonderen in “goede” scholen, blijft ongelijkheid zichzelf organiseren.

Onderwijs is tegelijk een plaats van reproductie én van strijd. Het kan bestaande verhoudingen bevestigen, maar ook doorbreken. Precies daarom moet links opnieuw offensief durven zeggen: alle kinderen hebben recht op veeleisend, rijk en bevrijdend onderwijs.

Marc Vandepitte (22 juli 2026)

Lees ook het verslag van het onderwijsdebat op de Gentse Feesten (22 juli 2026)