VIN: Ruth Lasters schetst het beroepsonderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Ruth Lasters is een leerkracht die proza, poëzie en opiniestukken schrijft over de complexiteit en schoonheid van haar job in het middelbaar onderwijs. Zo staat het op de achterflap van haar derde roman “VIN”. De titel van het boek heeft een dubbele betekenis. In de eerste plaats is VIN de afkorting van het het Vrij Instituut voor de Nijverheid, de school die het decor is van het verhaal. In de tweede plaats verwijst de titel ook naar een graffititekening van een haaienvin die door conciërge Sergei wordt weggezandstraald. Wil je weten wat er dan gebeurt, en waarom, lees dan vooral het boek en lees het ademloos tot de laatste bladzijde, zoals ik dat heb gedaan.

Sergei is een van de drie vertellers van het boek. De anderen zijn Anna, een Armeense poetsvrouw die nieuw is op school, en Lore, een beginnende leerkracht die het niet gemakkelijk heeft op het Instituut. Anna kunnen we met recht en reden het centrale personage van het boek noemen. Het is in de eerste plaats haar verhaal. Maar het zijn de andere twee die het verhaal vertellen en het vorm geven, in de ik-vorm. Enkel het standpunt van Anna lezen we in de derde persoon omdat ze het zelf niet kan vertellen. Langzaam aan komen we te weten waarom: ze ligt in het ziekenhuis na een ongeval. De drie verhaallijnen werken toe naar de climax (de “rattenstreek” van Lore en het daaruit voortvloeiende ongeval) die vooral stuntelig is, en dat bedoel ik niet in schrijftechnisch maar eerder in beeldend opzicht.

Sergei is veruit het authentiekste personage van het boek. Sergei die al lezend dikwijls de lettertjes ziet dansen. Die in het begin van zijn schoolcarrière krediet kreeg omdat hij voorwendde Poolstalig te zijn en die nadien door de mand viel (ondanks zijn Poolse vader spreekt hij geen Pools). Sergei bij wie je de tekst onbeschroomd luidop in het Antwerps kunt lezen, zo echt is zijn taal.

Sergei heeft het niet begrepen op Lore, die hij smalend “juffrouw Frangipane” noemt, omdat hij haar dat gebakje eens had zien eten met kleine hapjes, “gelijk een vogeltje”, en waarvan hij zich afvraagt wat ze eigenlijk op de school komt doen. Anna ziet hij dan weer wel zitten, zeker nadat zijn vrouw Christelle halsoverkop vertrokken is en hem alleen achterliet. Anna die op school is komen werken omdat ze op zoek is naar belangrijke documenten uit het archief. In die zoektocht heeft Lore dan weer haar rol te spelen.

Nog meer dan het liefdesverhaal tussen Sergei en Anna, beiden, net zoals de leerlingen van het Instituut, “niet voor de chance geboren”, is VIN een boek over het beroepsonderwijs in een stedelijke context. De segregatie, de achterstelling, het systematische zittenblijven, alle komen ze aan bod. Ruth Lasters schrijft hierover vanuit haar eigen ervaring. En die ligt in de Spectrumschool, een secundaire beroepsschool in het Antwerpse Borgerhout. Als gewezen leerkracht van dezelfde school, zij het campus Deurne, zag ik in het boek geamuseerd een reeks ex-collega’s passeren: in licht gewijzigde namen, in uitspraken, in de dialecttaal van Sergei. In de figuur van directeur Taeymans, den “Taaie”, een botte bullebak die niettemin “zijn wereld kent”. En die alles eerst gewoon zegt, en dan een tweede keer met een “chic woord”. Heel herkenbaar ook: de “harmonicaklas” op de tweede verdieping, die enkel was afgescheiden van het naburige lokaal door een slecht afsluitende vouwdeur en waarin het wegens het ontbreken van ook maar het elementairste didactisch materiaal moeilijk geschiedenis geven was.

Herkenbaar

Het mag duidelijk zijn dat Ruth Lasters een geëngageerde leerkracht is met een groot hart voor haar leerlingen, die aldoor hollen “achter onherroepelijk verloren leertijd.” Zelf onderscheidt ze in het boek vier categorieën van collega’s: de devoten, de agnosten, de ketters en de bowlers. Ik leg het uit. De devoten beschouwen kansarmoede als niet meer dan een weg te blazen stofvlok. De agnosten zijn zij die “weigeren om gissingen te doen over onzichtbare zaken als de maatschappelijke slaagkansen van hun leerlingen, voor meer dan zeventig procent geboren uit laaggeschoolde anderstaligen.” De ketters dan, die de kleinste categorie vormen en die vanuit hun ongeloof in een rooskleurige toekomst voor hun leerlingen niet op een beroepsschool lijken te werken, “maar op een vlieghaven waar het erop aankomst de gestrande passagiers … kalm te houden.” Maar de ergste categorie is die van de leerkrachten, zoals Lore, “die alleen binnen de muren van het VIN hoop koesteren voor hun leerlingen.” “Meestal liet ik mijn optimisme na de werkdag achter aan de poort als een paar olijke, maar slechts gehuurde bowlingschoenen.” De bowlers dus. Een mooie en inventieve dwarsdoorsnede van een stedelijk lerarenkorps vind ik dat.

Wanneer Lore in de buurt van haar school gaat wonen, ervaart ze dat als pure “exposure therapy”. Zij, die niet was voorbereid op het feit dat leerlingen echt bleven bestaan nadat ze bij haar in de klas hadden gezeten, komt in één dag drie van haar ex-leerlingen tegen. Alledrie zijn ze “goed” terechtgekomen (lees: ze hebben een vaste job), wat Lore even hoopvol stemt over de toekomst van VIN’ers in het algemeen. Hoop die snel aan diggelen wordt geslagen zodra er een bakfiets stopt en ze de autochtone vader tegen zijn kinderen hoort kwebbelen, zijn kroost zo meer woordenschat en syntax bijbrengend wachtend op groen licht dan pleinjeugd opvangt gedurende een heel weekend. Bakfietsen zijn straaljagers, denkt ze dan. “En wie krijgt een straaljager ooit ingehaald?”

Heb ik al gezegd dat ik dit boek, dat is opgedragen aan alle opnieuwbeginners, redelijk fantastisch vind? Welaan dan.

VIN verscheen bij Uitgeverij Polis

1 REACTIE

  1. Zou het helpen, de administratieve (papieren) belasting voor leerkrachten te halveren (vroeger taken voor het secretariaat en studiemeesters); en het aantal leerkrachten te verhogen, om zwakke leerlingen van alle aard individueel bij te werken?

Comments are closed.