PISA: slechte resultaten na jaren besparen

Facebooktwittermail

Om de drie jaar wordt de Pisa-enquête afgenomen en gepubliceerd. In alle Oeso-landen worden bij 15-jarigen standaardtesten afgenomen voor begrijpend lezen, wiskunde en wetenschappen. Dat is een belangrijk moment voor onderwijsinstellingen en regeringen. Steeds opnieuw stellen we vast dat de kinderen in het Vlaams onderwijs minder scoren op deze testen. Als het gaat over taal-, reken- en wetenschapsonderwijs, daalt het niveau van onze kinderen al meer dan twaalf jaar. Voor wie met beide voeten in het werkveld staat, is dat geen verrassing.

Men zou dat allemaal weg kunnen relativeren met de idee “dat het maar een Oeso-studie is die enkel meet wat economisch interessant is en bijgevolg met een korrel zout moet worden genomen” of dat “deze enquête te veel focust op kennis en te weinig op vaardigheden” of nog “dat er weinig rekening gehouden wordt met de specifieke Brusselse meertalige context”

Maar deze daling moet zeer serieus worden genomen. Pisa is immers één van de weinige internationale genormeerde testen waaruit we dingen kunnen afleiden. Vijftien jaar besparingen in het onderwijs laten hun sporen na: het steunpunt Gelijke Onderwijskansen (GOK) en de mentoruren werden afgeschaft. Er wordt al vijf jaar op een rij drastisch geknipt in de werkingsmiddelen. De invoering van het M-decreet zorgde ervoor dat vele kinderen, die voorheen recht hadden op een volledige gespecialiseerde omkadering, terugvallen op sporadische hulp van het ondersteuningsnetwerk in het reguliere onderwijs. De facto werd de zorg voor deze kinderen meer dan gehalveerd. Leerkrachten roepen al meer dan tien jaar dat de toestand op het terrein niet meer houdbaar is. Al tien jaar luisteren de opeenvolgende kabinetten niet.

In Brussel moet ongeveer dertig percent van de inwoners rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Kansarmoede heeft een directe invloed op leerkansen. Een op de twee van de armste kinderen zit in het beroepsonderwijs versus een op de dertig van de rijkste kinderen. Een kind uit een arm gezin heeft zeven keer meer kans om een C-attest te krijgen dan een kind uit een rijk gezin. De uitdagingen in Brussel liggen op vlak van onderwijs hoger dan elders in Vlaanderen. De sociale lift die ons onderwijs zou moeten zijn, moet het beste kunnen werken in Brussel. Onze beste, meest geëngageerde leerkrachten moeten hier  lesgeven, onder de beste omstandigheden.

Maar wat zien we? Uitgerekend in onze hoofdstad stopt één leerkracht op de vier voor zijn vijfde lesjaar. Uitgerekend in onze hoofdstad storten de plafonds van scholen in. Uitgerekend in onze hoofdstad raken honderden vacatures niet ingevuld. Mensen zien het niet zitten om alleen voor een klas te staan, met zeer veel leerlingen die extra aandacht nodig hebben. Iets wat twee handen alleen niet kunnen geven. Het is de wereld op zijn kop.

Nu haalt Vlaams minister van Onderwijs Weyts nog eens honderd miljoen weg uit het secundair onderwijs. Daarnaast neemt de armoede in de samenleving toe. Rijken worden rijker, armer armer. Dat wil zeggen dat de kansen om tot duurzaam leren te komen, nog zullen afnemen. Toch wordt er niet gekeken of geluisterd. Het onderwijs wordt al vijftien jaar ondergefinancierd. De leerlingenpopulatie nam met tien percent toe. De investeringen in onderwijs volgden niet. In verhouding tot de economische groei is het onderwijsbudget relatief gedaald.

Eens om de drie jaar schieten de beleidsmakers wel in een kramp: bij de publicatie van de Pisa-resultaten. Dan is het plots de schuld van de migranten “die het niveau naar beneden halen”, of de leerkrachten “die hun job niet goed doen”. Paniekvoetbal om het verband niet onder ogen te moeten zien. Het verband tussen deze resultaten en hun besparingen. Maar zoals struisvogels steken onderwijsministers en hun kabinetten hun kop liever in het zand. Zoals Weyts in Terzake: liegen over de besparingen en beweren dat het met meer taaltesten wel opgelost geraakt.

De minister wil vooral een onderwijs op twee snelheden: excelleren voor een minderheid, rommelen in de marge voor de anderen. Daarvoor is hij zelfs bereid om de segregatie vanaf de kleuterklassen te organiseren (cfr de taaltesten en aparte taalklassen). Een grondige analyse van de eerdere Pisa-resultaten toont echter aan dat excelleren en een sociale mix niet in tegenspraak hoeft te zijn. Hoe langer kinderen uit verschillende sociaal-economische milieu’s bij elkaar in de klas vertoeven, dus hoe langer een gemeenschappelijke curriculum, hoe kleiner het verschil tussen de resultaten van kansmarme en kansrijke kinderen. Zonder dat daarbij de sociaal sterkeren aan resultaat moeten inboeten. Met andere woorden excelleren, niet ondanks, maar dankzij de sociale mix. Het tegengestelde is ook waar: hoe sneller kinderen een studiekeuze maken, hoe groter de verschillen tussen de resultaten van kansarme en kansrijke kinderen.

We moeten de dingen radicaal over een andere boeg gooien. Uiteraard moet er dringend werk gemaakt worden van kleinere klassen en meer leerkrachten. Maar beleidsmakers moeten daarenboven de moed bijeenrapen om ernstig te reflecteren over onderwijspolitiek: een inschrijvingsbeleid dat een betere sociale mix genereert en een gemeenschappelijke stam die een minimum van kennis en vaardigheden aan alle kinderen biedt. Leerkrachten, vakbonden en onderzoekers hameren hier al lang op.

Gaetan Carlier

Leerkracht basisonderwijs Brussel en Ovds-lid (Oproep voor een democratische school)