Verslag van de workshop “inschrijvingsbeleid” met Nele Havermans en Nico Hirtt

Facebooktwittergoogle_plusmail

Centraal in het debat over het inschrijvingsbeleid staat de afweging tussen vrije schoolkeuze en het tegengaan van segregatie. Tijdens de workshop “inschrijvingsbeleid” op de “zes uren voor de democratische school” (18 november 2017) zorgden Nele Havermans (KULeuven) en Nico Hirtt (Ovds) elk voor een stevige inleiding.

Nele Havermans lichtte het huidige inschrijvingsdecreet toe en presenteerde onderzoeksresultaten over de impact van de dubbele contingentering op de schoolse segregatie.

Het inschrijvingsdecreet van 2012

Sinds het gelijke onderwijskansendecreet (GOK-decreet, 2002) van minister Marleen Vanderpoorten is het inschrijvingsbeleid meermaals aangepast. Het huidige inschrijvingsdecreet dateert van 2012. Het is gebouwd op verschillende pijlers: het inschrijvingsrecht, voorrangsgroepen en de toewijzing via ordeningscriteria.

Inschrijvingsrecht

Sinds 2002 kan een school geen leerlingen meer weigeren indien de ouders zich akkoord verklaren met het pedagogisch project en het schoolreglement. De school moet vooraf de capaciteit, per leerjaar, communiceren en ze moet een inschrijvingsregister bijhouden. Leerlingen die voldoen aan de toelatings-, instaps- of overgangsvoorwaarden, worden chronologisch ingeschreven.

Als er zich meer leerlingen aanbieden dan er plaatsen zijn, gelden er voorrangsregels. Op het chronologisch inschrijven zijn er belangrijke uitzonderingen. Vooreerst zijn er de voorrangsgroepen, namelijk de broers of zussen van kinderen die reeds op de school zitten en de kinderen van het personeel van de school. In Brussel geldt ook een voorrang (er wordt een minimumpercentage vooropgesteld) voor leerlingen waarvan minstens één van de ouders Nederlandstalig is. Decretaal kan een school ook voorrang geven aan leerlingen van dezelfde campus (bij de overgang van de kleuterschool naar de lagere school of van het lager naar het secundair onderwijs), maar dit is geen verplichting. Ten slotte, en dit is nieuw sinds het inschrijvingsdecreet van 2012, werd de dubbele contingentering ingevoerd: de tijdelijke voorrang voor indicator- of niet-indicatorleerlingen.

Dubbele contingentering

De dubbele contingentering is enkel verplicht voor scholen van het basisonderwijs of met een eerste graad secundair onderwijs die behoren tot een regio met een LOP (lokaal overlegplatform). De leerlingen worden in twee contingenten verdeeld: indicatorleerlingen en niet-indicatorleerlingen. Indicatorleerlingen zijn leerlingen waarvan de moeder geen diploma of getuigschrift (volledig) secundair onderwijs bezit of die een schooltoelage ontvangen. Een school met weinig indicatorleerlingen (kansarme) zal bij de inschrijvingen streven naar een hoger percentage indicatorleerlingen terwijl een school met weinig niet-indicatorleerlingen (kansrijke) zal streven naar een hoger percentage niet-indicatorleerlingen. De relatieve percentages worden vastgelegd door het LOP, hetzij voor het volledige LOP-gebied, hetzij per subgebied van het LOP-gebied.

De dubbele contingentering geldt zowel tijdens de aanmeldingen van de voorrangsgroepen (broers en zussen, kinderen van het personeel, Nederlandstaligen in Brussel) als tijdens de aanmeldingen van de andere leerlingen. Wanneer er voor een contingent méér aanmeldingen zijn dan plaatsen, worden deze leerlingen “uitgesteld” ingeschreven. Wanneer op het einde van een aanmeldingsperiode één contingent niet volledig aangevuld is, worden openstaande plaatsen aangevuld met uitgestelde inschrijvingen. De dubbele contingentering heeft slechts rechtstreeks effect wanneer het aantal aanmeldingen groter is dan het aantal plaatsen.

Aanmeldingsprocedure

In sommige LOP-gebieden wordt gewerkt met een centraal aanmeldingsregister (CAR), waar ouders hun kind elektronisch kunnen aanmelden en een voorkeur opgeven voor één of meerdere scholen. Het CAR is verplicht in Antwerpen, Brussel en Gent. De toewijzing van de aangemelde leerlingen aan een school gebeurt volgens ordeningscriteria: afstand (van de woonplaats tot de school, soms van de werkplaats van één van de ouders tot de school), chronologie, voorkeur van de ouders en toeval (loting). Het LOP bepaalt het relatief belang van de ordeningscriteria. De toewijzing via de afgesproken ordeningscriteria gebeurt in combinatie met de toepassing van de dubbele contingentering. Een toewijzing betekent dat een leerling zich in de toegewezen school kan inschrijven. Wanneer de leerling zich niet binnen de afgesproken termijn inschrijft, komt de plaats vrij voor een andere leerling die op de reservelijst van de toewijzingen voor die school staat.

De evolutie van de schoolse segregatie

Nele Havermans legt uit dat de schoolse segregatie in haar onderzoek aan de KU Leuven wordt gemeten aan de hand van de Hutchens index. De waarde van deze index ligt tussen 0 (perfecte desegregatie) en 1 (perfecte segregatie). Deze index meet niet de proportionele aanwezigheid van groepen in de scholen maar de verdeling van groepen over de scholen. Men vergelijkt dus de verdeling van groepen over de scholen binnen een referentiegebied. Zij toont grafieken die de evolutie van de schoolse segregatie (Hutchens index) in de tijd weergeven in het kleuteronderwijs, het lager en het secundair onderwijs, voor het Vlaams onderwijs en per provincie. De grafieken tonen een stabilisering of een lichte vermindering van de schoolse segregatie de laatste jaren. Is het mogelijk deze evolutie toe te schrijven aan de impact van de dubbele contingentering? Omzichtigheid is hier geboden omdat de dubbele contingentering recent is ingevoerd, enkel impact heeft op de instappers (meestal peuters), enkel verplicht is voor de scholen in de LOP-gebieden en enkel rechtstreeks effect heeft bij capaciteitsproblemen. Omdat de grafieken deel uit maken van een onderzoek dat nog moet opgeleverd worden, kunnen we ze hier niet publiceren.

Er zijn andere studies die gewag maken van een lichte vermindering van de schoolse segregatie dank zij de dubbele contingentering.

In de studie “Overheidsbeleid en schoolse segregatie” (2015) stelden Steven Groenez en Thomas Wouters van SSL (Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen) dat de segregatie in het kleuteronderwijs na de invoering van de dubbele contingentering het meest afnam in de gebieden met weinig capaciteitsmarge.

Een onderzoek van professor Jean-Pierre Verhaeghe (voorzitter van het LOP Basisonderwijs Gent) toont een positieve evolutie na de invoering van de dubbele contingentering in de Gentse kleuterscholen: in het schooljaar 2013-2014 halen 29 kleuterscholen het streefdoel tegenover 18 in het schooljaar 2012-2013. Uit een analyse van de instappers in het jaar 2016, blijkt dat de dubbele contingentering de toewijzing van de school bepaalt voor 6,5 procent van de instappers.

Een onderzoek vanuit het LOP-Antwerpen wijst op een impact van de dubbele contingentering op 5 procent van de instappers.

De eerste evaluaties schetsen dus een positieve maar eerder beperkte impact van de dubbele contingentering op desegregatie. Het mechanisme van de dubbele contingentering functioneert (enkel) wanneer er capaciteitsdruk is. De uitdaging bestaat er in een desegregatiebeleid te combineren met de vrije schoolkeuze van de ouders.

Het voorstel van Ovds

Na de inleiding door Nele Havermans was het de beurt aan Nico Hirtt (Ovds). Hij stelt vast dat het Vlaams inschrijvingsbeleid vandaag op verschillende vlakken verder staat dan wat in het Franstalig onderwijs bestaat. In het Franstalig onderwijs begint de regulering van de inschrijvingen pas in het secundair onderwijs, wat vrij absurd is. Het systeem van de dubbele contingentering is vandaag in België het meest progressieve systeem dat expliciet de sociale mix nastreeft. De limieten van de dubbele contingentering zijn de limieten die elke systeem ondervindt waar de vrije schoolkeuze primeert en de regulering nadien komt.

Het voorstel dat Nico Hirtt en Ovds verdedigt is de “gegarandeerde plaats voor alle leerlingen in een gemakkelijk bereikbare en sociaal gemengde school”. In plaats van dat de ouders een school moeten zoeken, is het de overheid die in eerste instantie een school voorstelt die aan beide criteria (bereikbaarheid, sociale mix) voldoet. Als de ouders de voorgestelde school aanvaarden, is hun kind verzekerd van een plaats. Indien ze de voorgestelde school niet aanvaarden, zijn ze vrij om, zoals vandaag, zelf op zoek te gaan naar een school.

Is het mogelijk om voor elke leerling een school te vinden die sociaal gemengd is en dicht bij de woonplaats is gelegen? Nico Hirtt illustreert met een computersimulatie, toegepast op de reële leerlingenpopulatie van het lager onderwijs in Brussel, dat het mogelijk is. De gemiddelde afstand tussen de woonplaats en de school vermindert in zijn computermodel van de huidige 1330 meter tot 910 meter. Waar vandaag slechts een derde van de Brusselse leerlingen in sociaal gemengde scholen zitten, zou dit percentage tot 75 procent stijgen. De arme concentratiescholen zouden verdwijnen en slechts 6 procent van de leerlingen zou nog in een rijke concentratieschool zitten (tegenover 20 procent vandaag).

Het voorstel van Ovds gaat gepaard met een aantal principes en aannames. In tegenstelling tot wat in het Franstalig onderwijs gebeurt, waar het inschrijvingsbeleid pas begint bij het begin van het secundair onderwijs, maar conform met de praktijk in het Vlaams onderwijs, moet het inschrijvingsbeleid toegepast worden vanaf de kleuterklas tot aan het einde van de gemeenschappelijke vorming (in de visie van Ovds op 16 jaar). Om de bereikbaarheid te vergemakkelijken zouden leerlingen die de voorgestelde school aanvaarden, gratis met het openbaar vervoer of met de schoolbus worden vervoerd. Om rekening te houden met het bestaan van de onderwijsnetten (confessionele en officiële scholen), zouden de ouders de vrijheid hebben om hun kind niet te laten inschrijven in een confessionele school. Idealiter zijn alle scholen in Brussel tweetalig zodat de taal (Nederlands of Frans) geen beperking oplegt aan de mogelijkheden om aan alle leerlingen een school voor te stellen die aan de twee hoger genoemde criteria voldoet. Nico Hirtt voegt er echter aan toe dat de resultaten van de computersimulatie voor het Brussels lager onderwijs overeind blijven als men het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijs afzonderlijk beschouwt.

Discussie

Nele Havermans vindt het voorstel van Nico Hirtt en met name de resultaten van de computersimulatie interessant. Het computermodel vertrekt echter van de veronderstelling dat alle ouders de voorgestelde school aanvaarden. Nico Hirtt erkent dat het voorgestelde computermodel in de praktijk slechts kan werken als de meeste ouders de voorgestelde school aanvaarden. Hij maakt zich echter sterk dat dit zal gebeuren omdat de ouders de garantie hebben dat de voorgestelde school geen gettoschool zal zijn en wel gemakkelijk bereikbaar terwijl ze geen garantie hebben dat ze gemakkelijk een andere school zullen vinden als ze zelf op zoek moeten gaan. Het komt er op aan de vicieuze cirkel te doorbreken. Vandaag is de vrije schoolkeuze een belangrijke factor die de dualisering in het onderwijs in de hand werkt maar omgekeerd hechten de ouders (vooral de rijkere) zoveel belang aan de vrije schoolkeuze omdat ze weten dat de scholen zo ongelijk zijn. Als de sociale mix groter wordt, zal de drang naar vrije schoolkeuze minder groot worden.

Kunnen ouders ook een officiële school weigeren? Men kan een leerling niet verplichten naar een confessionele school te gaan die niet overeenstemt met zijn religieuze of filosofische overtuiging. Aangezien de godsdienstvrijheid in het officieel onderwijs is gewaarborgd, is er in principe geen beletsel om een officiële school voor te stellen. Men zou eventueel wel rekening kunnen houden met de voorkeur van de ouders voor een confessionele school, voor zo ver de sociale mix bevorderd wordt en op voorwaarde dat er voldoende capaciteit is. De overheid kan niet verantwoordelijk gesteld worden om te voorzien in de capaciteit van confessionele scholen. Jean-Pierre Verhaeghe, voorzitter van het LOP Basisonderwijs Gent, zegt dat volgens zijn ervaringen in Gent, het zelden voorkomt dat ouders absoluut een katholieke school voor hun kind wensen.

Leidt een sociaal gemengde school tot betere leerresultaten voor de (kansarme) leerlingen? Hierover zijn de sprekers en de deelnemers van de workshop niet eenstemmig. Nele Havermans zegt dat de meeste internationale studies wijzen op een negatief peer-effect op leerlingen met een lage SES (sociaaleconomische status) wanneer ze in een arme concentratieschool zitten. Jean-Pierre Verhaeghe vindt dat men voorzichtig moet zijn met de bewering dat de sociale mix de hefboom is om tot gelijke kansen te komen. Er is geen automatisme. Vandaag zijn er grote verschillen tussen de arme concentratiescholen bij het behalen van leerwinst. De pedagogische aanpak en de rol van de leerkracht spelen een grote rol. Nico Hirtt wijst er op dat de grafieken op basis van de PISA-onderzoeken een neerwaartse trend vertonen voor het gemiddelde niveau wanneer de segregatie groter is. Het PISA-onderzoek is niet de referentie voor het meten van de onderwijskwaliteit, maar het toont wel dat er een positieve correlatie is tussen sociale mix en gemiddeld hogere leerresultaten. De rol van de leraar is belangrijk maar hangt ook af van de materiële situatie.

Is het voorstel van Ovds politiek haalbaar? Nico Hirtt: Vandaag niet, maar twintig jaar geleden zou de dubbele contingentering ook onbespreekbaar zijn geweest. Ons voorstel is niet zo uitzonderlijk als je weet dat er in de meeste Europese landen sterke mechanismen bestaan om de inschrijvingen te reguleren. België is met zijn vrije schoolkeuze eerder een uitzondering in Europa.

Tino Delabie

Lees ook:

Leidt de dubbele contingentering tot een betere sociale mix ?