Is het onderwijs te koop?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het onderricht van kinderen is altijd een edel project geweest, gericht op ontplooiing en hogere waarden. Van oudsher was onderwijs een zaak van algemeen nut, of moderner gezegd, het was een onderdeel van de non-profit sector. Hele generaties religieuzen hebben hun leven – gratis – ten dienste gesteld aan de ontplooiing van kinderen. Het was hoe dan ook ondenkbaar dat het opvoeden van kinderen ooit de inzet zou kunnen worden van winstbejag. Aan dat tijdperk lijkt nu stilaan een einde te komen. De school belandt hoe langer hoe meer op het altaar van de winst. Leidende instanties beschouwen het leerproces als een commercieel product en educatie als een business. Het onderwijs dreigt een ‘markt’ te worden, met alle gevolgen van dien.

Beschavingsfactor

“We kunnen niet alle activiteiten in de handen van de openbare sector laten.
Onderwijs verstrekken is een gat in de markt en moet zo behandeld worden.”
G. Cromme, topman van de Multinational Thyssen Krups

Sinds de oudheid wordt het onderwijzen van kinderen opgevat als een beschavingsproject. In het oude Griekenland leidde de school de kinderen op tot vrije en volwaardige burgers. De leraars brachten ze respect bij voor democratie en de waarden en deugden van hun beschaving. De leerlingen maakten kennis met cultuur en werden onderwezen in de wetenschappen en letteren. Later kwamen daar allerhande functies bij. De school begeleidde en oriënteerde het kind naar volwassenheid, liet zijn talenten ontwikkelen en bereidde het voor op de samenleving. Het opvoedingsproject van een school was gericht op de ontplooiing van het individu en kaderde in een levensbeschouwelijke of religieuze wereldopvatting. Na de Tweede Wereldoorlog bood de school ook meer gelijke kansen aan alle jongeren en bood het onderwijs de kans tot sociale ongelijkheid promotie.

We willen het verleden zeker niet idealiseren. Organisatoren van het onderwijs waren vaak uit op zieltjeswinnerij en op het opleiden van volgzame dienaren. Ze waren niet zelden behoorlijk repressief. De democratisering van het onderwijs, die in feite neerkwam op een massificatie ervan, werd vrij spoedig weer afgebouwd. Maar, globaal genomen was het onderwijs een belangrijke beschavende factor. Het leidde de jongeren op tot ontwikkelde volwassenen en was een voorwaarde voor een goed functionerende democratie.

De historische omslag

Sinds de jaren tachtig komt dat echter op de helling te staan. Dat is het gevolg van ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen. Sommigen spreken van ‘laatkapitalisme’, anderen van ‘neoliberaal offensief’ of meer recent van ‘globalisering’. De benaming is niet zo belangrijk, in essentie komt het erop neer dat de samenleving meer en meer in de ban komt van de winstlogica en van de markt. Het leven wordt georiënteerd op hyperconsumptie en concurrentie.

Deze evolutie zat er reeds lang aan te komen, maar breekt pas goed door de laatste kwarteeuw. In de Oudheid was het maatschappelijk leven onder geordend aan hogere, meestal religieuze waarden. Bij Aristoteles is het samenleven (politiek en ethiek) gericht op het ‘Hoogste Goed’, d.w.z. op dat doel waaraan alle andere doeleinden ondergeschikt zijn. Economie staat volledig in dienst van de polis. Geldcreatie (hetgeen we vandaag kapitaalaccumulatie zouden noemen, de grondslag van de kapitalistische economie) is een doel op zich en wordt door Aristoteles als tegennatuurlijk bestempeld. Het is vooral te verwerpen omdat het laagste in de natuurlijke rangorde – de uiterlijke goederen – zich hult in de koningsmantel van het absolute volmaakte doel.

De maatschappelijke rangorde, waarbij absolute waarden richtinggevend waren voor al de rest, was gedurende duizenden jaren dominant, en dit in alle gekende beschavingen. Het hiërarchisch patroon wordt echter op een gegeven moment doorbroken in West-Europa. Een klasse van ondernemers slaagt erin om zich te ontrekken aan de metafysische hiërarchie. Maar ze doet meer dan dat, de ontluikende klasse van ‘kapitaalaccumulatoren’ ontketent een ongeziene dynamiek die de hele maatschappij naderhand op zijn kop zal zetten en de wereldgeschiedenis in zijn greep zal houden en voortstuwen. De maatschappelijke revolutie keert de hiërarchie om: de economie en meer bepaald de kapitaalaccumulatie wordt het hoogste doel, waaraan al de rest wordt onderworpen. Ethische ‘waarden’ worden ondergeschikt gemaakt aan de economische ‘waarde’.

De omslag voltrok zich niet in een keer maar heeft zich geleidelijk aan opgedrongen. Wat we de laatste 25 jaar meemaken is niets anders dan de uitloper van die maatschappelijke transformatie, waarbij de economische wetmatigheden het hoogste doel worden. Deze transformatie heeft ingrijpende gevolgen op zowat alle levensdomeinen. Op het levensbeschouwelijke vlak is er de secularisatie, op het politieke terrein zien we machtsverlies van de natiestaat en als gevolg daarvan het probleem van de legitimiteit (o.a. opkomst van extreem-rechts), op het ethisch vlak zien we dat de communitas-gedachte plaatsmaakt voor het private en het individuele eigenbelang.

Zeer zeker, deze omslag heeft heel wat positieve zaken met zich meegebracht: doorbraak van technologie, het achter zich laten van achterlijke en irrationele opvattingen, het afschaffen van het statisch en autoritaire structuren, de emancipatie van het individu … Maar de omkering van de metafysische rangorde heeft ook een aantal kwalijke effecten. Wij concentreren ons hier op dergelijke effecten voor het onderwijs. In dat verband zien we de trend tot veralgemeende commercialisering van goederen en diensten. Geen enkele sector lijkt daartegen bestand. Traditionele non-profit sectoren of diensten van openbaar nut zoals transport en communicatie, maar ook gezondheidszorg en onderwijs, worden onderworpen aan de logica van de winst. We willen nu in de rest van dit artikel nagaan wat dat concreet betekent. We vragen ons daarbij af waarom economische agenten zich interessen voor het onderwijs en in tweede instantie in welke richting ze het onderwijs willen transformeren. Tenslotte gaan we na wat de mogelijke gevolgen zijn van de vermarkting van het onderwijs.

Het altaar van de winst

“In het domein van het onderwijs richt het Spaanse voorzitterschap
de reflectie en de debatten op die aspecten die het best beantwoorden
aan de reële vragen en noden van de maatschappij en de markt.”

J. Aznar, ex-premier van Spanje en toenmalig voorzitter van de EU

Vanuit het oogpunt van het bedrijfsleven is het onderwijs vooral van belang voor de competitiviteit en de toekomstige arbeidsmarkt. In functie daarvan moeten de school en het onderwijs gewijzigd worden. “Het is ons doel om de manier waarop het onderwijs plaatsvindt te veranderen” stelt een topman van Chrysler. Het ERT, de machtigste lobby van Europese multinationals verwoordt het als volgt: “Er is een concurrentievoordeel te halen uit de verhoging van het kennisniveau van zijn werknemers, en dus van zijn bekwaamheden. Bekwaamheden en opleiding zijn vitale factoren om te slagen. Dat is de reden waarom de conclusies van de Europese Ronde Tafel van Industriële (ERT) herinneren aan het strategisch belang van het onderwijs voor de Europese competitiviteit.” En verder: “Onze maatschappij wordt gekenmerkt door steeds meedogenlozere concurrentie en buitengewone professionele flexibiliteit, waardoor ze nood heeft aan arbeidskrachten die steeds meer aanpasbaar zijn en die zelfs verschillende types opdrachten moeten kunnen uitvoeren.” De Europese Commissie onderschrijft deze optie volledig. Zij beklemtoont dat de leerlingen ‘ondernemingsgeest’ moet worden bijgebracht. “De conclusies van de Top in Lissabon onderstrepen de noodzaak de ondernemersgeest in de Europese samenleving te versterken …[Maar] de boodschappen die men aan kinderen meegeeft spreken meestal niet over de ondernemersgeest en moedigen ze nog minder aan om de oprichting van hun eigen bedrijf te zien als een alternatief voor het statuut van de werknemer bij een derde… De scholen en vormingsinstellingen zouden dit element in hun programma’s moeten opnemen.”

In dat kader passen ook de aanbevelingen van de OESO over het levenslang leren. De school moet niet zozeer algemene kennis overbrengen, maar eerder vaardigheden. Het betreft dan vooral competenties die grotere inzetbaarheid en aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt garanderen. “Het is belangrijker vormingsdoelstellingen van algemene aard na te streven dan zeer precieze leerstof te leren. De arbeidswereld vereist een hele waaier van basisvaardigheden – relatiebekwaamheid, taalvaardigheden, creativiteit, bekwaamheid om in groep te werken, een goede kennis van de nieuwe technologieën – die vandaag noodzakelijk zijn om een job te vinden en zich snel aan te passen aan de evolutie van de eisen van het beroepsleven.” Het ERT somt een lange lijst op van ‘onmisbare bekwaamheden in het beroepsleven’: in groep kunnen werken, teamspirit, zin voor risico en verantwoordelijkheid, persoonlijke discipline, durven beslissen en zich engageren, zin voor initiatief, streven naar uitmuntendheid, competitiegeest en burgerzin. Bij de Europese Commissie luidt dat: aanpassingsvermogen, verdraagzaamheid tegenover anderen en tegenover gezag, ploegwerk, het vermogen problemen op te lossen en risico’s te nemen, enz.

De vermarkting van de school

“Een democratisch onderwijssysteem is een van de doeltreffendste middelen

om markten voor allerlei soorten goederen te creëren
en op grote schaal uit te breiden,
vooral voor goederen waarbij de mode mogelijk een rol speelt.”
James Rorty, ex-reclamemaker

Er is niets op tegen dat men de jongeren zo goed mogelijk voorbereidt op het latere beroepsleven en hun kansen op het vinden van een job vergroot. Maar het is zeer de vraag of het bijbrengen van vaardigheden die beantwoorden aan de noden van het bedrijfsleven, daarbij veel helpt. Deze vaardigheden en een grotere inzetbaarheid van de arbeiders creëren niet noodzakelijk nieuwe jobs. Zo’n vaardigheden hadden de sluiting van Renault Vilvoorde of het einde van Sabena bijvoorbeeld niet tegen gehouden. Op dat niveau geven andere factoren de doorslag. Wel leveren ze voor de ondernemers interessante financiële voordelen op en betekenen ze daarentegen voor de werknemers een neerwaartse druk op de lonen en de arbeidsomstandigheden. Los daarvan zijn we hier heel ver verwijderd van de oorspronkelijke doelstellingen van het onderwijs, met name de algemene ontwikkeling van het individu, burgerzin, kritische ingesteldheid, waardengevoeligheid … De school en de onderwijswereld worden in deze visie een verlengstuk van de economie en worden ondergeschikt aan de desiderata van het bedrijfsleven en de winstlogica. De ERT: “Het onderwijs moet ten dienste staan van de economische wereld”. In de VS spreekt men van de ‘onderwijsmarkt’, de ‘educatie-business’, de ‘markt van pedagogische diensten en goederen’, ‘educatie-bedrijven’, de ‘markt van leerkrachten en leerlingen’. Van 23 tot 27 mei 2000 ging in Vancouver, in Canada, de eerste ‘Wereldmarkt van het Onderwijs’ (World Education Market) door. Bij ons heeft de rector van de KU Leuven het over de ‘kennis-economie‘.

Op een sluipende manier tracht het bedrijfsleven greep te krijgen op het onderwijs. Dat gebeurt voornamelijk via sponsoring en financiering. Vooral aan de hogescholen en aan de universiteiten zet deze trend zich door. Deze instellingen hebben af te rekenen met een te krap budget en zijn dus aangewezen op privé-sponsors, die natuurlijk niets voor niets doen. De gebrekkige werkingsmiddelen zullen deze trend ook in het basis- en secundair onderwijs in de toekomst ook bespoedigen. Via sponsoring en het aanbieden van gratis didactisch materieel introduceren de MNO’S nu reeds hun merknamen in de scholen: Coca Cola, Nestlé, Nike, … Berekeningen leren dat de consumptie van de gezinnen voor meer dan 40% beïnvloed wordt door de kinderen. Dat vertegenwoordigt voor de Europese Unie een fabelachtig bedrag van 500 miljard euro, dat is bijna het dubbele van het Belgische BNP. Volgens de zakenkrant Les Echos “betekenen de omheinde ruimte van de school, en vooral de waarborg van de leerkracht, voor een merknaam een geloofwaardigheidsfactor van onschatbare waarde”. De school is m.a.w. een ideaal terrein voor marketing. Het onderwijs wordt hier gebruikt als instrument ter ondersteuning van de economische markten.

Naar de privatisering?

“Op vele plaatsen levert het onderwijssysteem niet de vereiste diensten…

Daarom dient de verantwoordelijkheid voor de opleiding definitief
opgenomen te worden door de industrie.”
Europese Ronde Tafel (ERT)

Maar men wil veel verder gaan dan dat. Op termijn zijn er krachten aan het werk die de onderwijssector voor een belangrijk gedeelte gewoon willen privatiseren, d.w.z. volledig onderbrengen in privé-handen en onderwerpen aan de winstlogica. In de VS is dit proces reeds langer bezig. Dat gebeurt vooral via afstandsonderwijs. Gespecialiseerde firma’s bieden via het net allerhande on-linecursussen aan: gaande van hulp bij de voorbereiding van examens en monitoraten tot hele afgewerkte studiepakketten. Eén na één beslissen de hogescholen en universitaire centra om dergelijke betaalopleidingen aan te bieden. Maar ook in het lager en secundair onderwijs is de trend van home-schooling in volle opmars. Reeds 1,7 miljoen kinderen krijgen via internet onderricht. De begeleidende pedagogische bedrijven communiceren via het net met de ouders en de leerling: ze informeren over de vorderingen, ze geven advies, stellen buitenschoolse activiteiten voor, … Uiteraard tegen betaling.

In de VS schieten de virtuele universiteiten als paddestoelen uit de grond. Zij zien hun aanbod als een “lokale industrie die na verloop van tijd een mondiale business zal worden”. Zij azen op de wereldwijde studentenmarkt van meer dan 80 miljoen studenten van het hoger onderwijs, een ‘markt’ die tegen 2025 zal verdubbeld zijn. Ook de Europese Commissie wil zijn deel van de markt niet missen. “Een open universiteit is een industrieel bedrijf en het hoger afstandsonderwijs is een nieuwe industrie. Dit bedrijf moet zijn producten verkopen op de onderwijsmarkt waar de wetten van vraag en aanbod heersen.” Om dat te realiseren moet de onderwijsmarkt wel ‘geopend’ worden. Tot voor kort werd het onderwijs opgevat als een non-profitsector en was het verstrekken van onderricht een taak van de nationale of lokale overheid. Daar zal nu verandering in komen. Op de onderhandelingen van de Wereld Handelsorganisatie (WTO) van november 2001 in Qatar, werd het licht op groen gezet om alle diensten, dus ook het onderwijs, geleidelijk te liberaliseren. De volgende regel werd uitgewerkt. Stel dat een VS-bedrijf een bepaald onderwijspakket wil aanreiken in Frankrijk, dan kan de VS vanaf mei 2002 een concreet aanbod doen aan de Franse regering. Er start dan een bilaterale onderhandeling tussen beide landen en indien deze niets oplevert zal de geschillencommissie van de WTO de knoop doorhakken. Dat wil niet zeggen dat we ons op korte termijn aan allerhande geschillen en processen op het vlak van onderwijs moeten verwachten en dat de onderwijswereld overspoeld zal worden door privé-bedrijven. Maar de bal is wel aan het rollen gebracht. De gevolgen hiervan zijn op termijn nauwelijks te overzien. De maatregel die in alle stilte werd genomen ergens in de woestijn, zou achteraf bekeken wel eens het startschot kunnen geweest zijn van de volledige hertekening van het onderwijslandschap.

De ‘waarde’ van het onderwijs en de greep op de leerling

Waarom is het privé-kapitaal nu zo tuk op de privatisering van het onderwijs? Ten eerste gaat het om een gigantische ‘markt’. In de rijke landen is de sector meer dan 2000 miljard euro ‘waard’. Dat is bijna het dubbele van de omzet van de automobielsector. Dat biedt dus fantastische groeimogelijkheden. Zo’n markt mag je niet laten liggen. Ten tweede, de onderwijsbegroting wordt gefinancierd door belastingen die voor een deel worden betaald door de ondernemingen. Als privé-bedrijven delen van het onderwijs overnemen, kunnen die belastingen dus (nog verder) omlaag. Dat kadert in de algemene neoliberale strategie van de ‘ontvetting van de staat’. Beide redenen zijn ook van toepassing op de privatisering van het transport, energie, communicatie, gezondheidszorgen, enz. Maar voor de onderwijssector komt er nog een derde reden bij. Via de privatisering verkrijgt men namelijk een quasi volledige greep op de leerlingen en dus op de toekomstige arbeidsmarkt. Men kan dan die leerprogramma’s aanbieden die het best geschikt zijn voor de bedrijfswereld. Dat betreft zowel de vaardigheden (zie hierboven) als de ideologie en de waarden die men wil overbrengen. In heel wat opleidingen in de VS prent men de studenten een bedrijfsethiek in die neerkomt op een cultus van de vrije markt en die burgerschap gelijkstelt aan individuele en sociale volgzaamheid. Tenslotte kan de selectie van toekomstige werknemers geperfectioneerd worden. De interactieve leermethodes laten een nauwkeurige fichering toe waardoor men een precies beeld krijgt van de studenten, waaruit dan de meest geschikte werknemer kan gekozen worden. Big Brother is niet ver weg.

Uiteraard bieden on-line cursussen ook heel wat voordelen. Ze kunnen een emanciperende functie hebben voor bijvoorbeeld gehandicapten en men kan het onderricht volledig afstemmen op het individuele leerproces. Maar het punt is dat ze ingericht worden door privé-groepen waarvan uiteindelijk het winstmotief voorop staat.

Mogelijk gevolgen

“De ultieme macht van de maatschappij ligt bij de burgers:
en als we denken dat ze niet voldoende inzicht hebben om controle uit te oefenen
dan is de remedie niet hen de macht af te nemen,
maar wel hun oordeel te vormen door onderricht.”
Thomas Jefferson, één van de founding fathers van de VS

Als deze privatisering zich zou doorzetten, wat zijn dan de mogelijke gevolgen? Het is duidelijk dat er meer aan de hand is dan enkel een wijziging van eigendomsverhoudingen: van de overheid naar de privé. Het onderwijs zelf, d.w.z. de manier waarop het wordt opgevat en georganiseerd is hier in het geding. Vooreerst zal de rol van de school gevoelig afnemen. De OESO: “Op het vlak van informatie en kennis zal de ontwikkeling van verschillende informatie- en kennisbronnen een snelle achteruitgang van het monopolie van onderwijsinstellingen met zich meebrengen. Volgens sommigen maakt de economische, politieke en culturele globalisering het instituut ‘school’, dat lokaal is ingeplant en in een bepaalde cultuur verankerd is, voorbijgestreefd en tegelijk met haar de ‘leerkracht’.”

De oriëntatie van de school wijzigt eveneens. In een dergelijke constellatie wordt het onderwijs minder opgevat als een sociale investering in de samenleving, maar eerder als een investering in het individu, als een vehikel voor individuele carrièrebuilding en als selectie van de besten. Eens de wetten van vraag en aanbod spelen in het onderwijsveld zal er heel snel een polarisatie opduiken. Er zullen enerzijds elitescholen – of moeten we zeggen kennisbedrijven – ontstaan, die zwaar gesponsord worden, die de beste leerkrachten zullen aantrekken, die topkwaliteit afleveren en hoge inschrijvingskosten zullen aanrekenen, en anderzijds derderangs scholen met weinig middelen en gericht op de laagste sociale lagen van de maatschappij. Van democratisering zal dan niet veel meer overblijven.

De openbare (of gesubsidieerde) school zal haar doelstellingen fel reduceren en zich nog hoofdzakelijk toeleggen op de allernoodzakelijkste basisvaardigheden. Ze zal eveneens opvang bieden aan de allerlaagste sociale klassen of aan leerlingen die niet kunnen meedraaien in het dure, flexibele en geïndividualiseerde onderricht.

Tenslotte zal de democratische controle op het onderwijs en de opvoeding sterk worden uitgehold. Zo bijvoorbeeld is de onderwijsinspectie in Groot-Brittannië nu reeds aan privé-instellingen toevertrouwd. Het is algemeen bekend dat de overheden hoe langer hoe minder controle uitoefenen op de grote bedrijven. De ‘kennis-multinationals’ zullen daarop geen uitzondering vormen.

Voor de leerkracht kunnen de gevolgen evenzeer ingrijpend zijn. Zijn of haar rol als opvoeder wordt ondermijnd. Dat was al zo als gevolg van de toegenomen invloed van de televisie, bioscoop, media, het internet en de publiciteit. Opnieuw de OESO: “Ook binnen de onderwijsinstellingen kan een duidelijk geïndividualiseerde manier van leren, die flexibel is en aan de vraag beantwoordt, de plaats innemen van methodes die veel te log zijn en door het aanbod worden bepaald. Zij kondigt de achteruitgang van de rol van de leerkrachten aan. Getuige hiervan de ontwikkeling van nieuwe bronnen van leren andere dan het lerarencorps, meer bepaald de nieuwe informatietechnologieën en andere menselijke hulpbronnen.” De leerkracht zal zich ook heel flexibel moeten opstellen om snel en efficiënt te kunnen inspelen op de nieuwste trends en verwachtingen van het bedrijfsleven. De leerkracht zal minder gezien worden als een creatieve intellectueel dan wel als een gespecialiseerde technicus. Ervaringen uit andere sectoren leren bovendien dat privatisering het statuut van de leerkracht zal verzwakken (vaste benoeming, beschikbaarheid, enz.). Dat zal het beroep minder aantrekkelijk maken en daardoor de kwaliteit doen dalen van de mensen die zich nog aangesproken voelen om hun leven aan het onderwijs te wijden.

En wat met de leerling, of moeten we zeggen de klant? Zijn onderwijsaanbod zal afhangen van de koopkracht van zijn ouders. Het sociaal darwinisme loert opnieuw om de hoek. In plaats van een brede ontwikkeling van zijn capaciteiten zal hij getraind worden in de noodzakelijke marktvaardigheden. Hij zal ingewijd worden in een cultuur van ieder voor zich. Hij zal hoe langer hoe minder leren zich solidair op te stellen en het algemeen belang te dienen. Zijn maatschappelijk inzicht zal verengd worden tot het strikt utilitaire en ethiek tot economische ‘waarde’. Meteen wordt een belangrijk fundament van de democratie ondergraven.

Conclusies

Sommigen zullen geneigd zijn te denken dat ze hier met sciencefiction te maken hebben en dat het wel allemaal zo’n vaart niet zal lopen. We kunnen uiteraard de toekomst niet voorspellen, maar we kunnen alleen maar vaststellen dat de samenleving bijzonder snel evolueert en dat het onderwijs daaraan niet zal ontsnappen. Niemand had vijftien jaar geleden kunnen voorspellen dat het internet en andere communicatiemiddelen zo’n impact op ons leven zouden hebben. Wie had twintig jaar geleden gedacht dat Sabena zou verdwijnen? Onze bedenkingen gelden ook niet voor de nabije toekomst maar eerder voor de middellange termijn. Ze zijn gewoon de uitvergroting van trends die nu reeds volop in de VS bezig zijn, en die zoals dat vaak het geval is, na verloop van tijd bij ons komen overgewaaid. Tenslotte, het gaat om mogelijke en niet om noodzakelijke scenario’s. De privatisering van het onderwijs is geen onontkoombaar lot. Of en in welke mate dit proces zich zal doorzetten zal afhangen van maatschappelijke keuzes en prioriteiten. Gezien de mogelijke maatschappelijke implicaties is het raadzaam ons daar grondig over te beraden, daarvoor is het onderwijs te veel ‘waard’.

Bibliografie

J. Aznar, Más Europa. Programa de la Presidencia Española de la EU. www.eu2002.es.
M. Cardella, School-to-Work, A Corporate Raid on Public Education. www.znet.org. (oktober 1996)
F. Borkenau, Der Übergang vom feudalen zum bürgerlichen Weltbild. Darmstadt 1971.
G. Cromme, Commentaar op de European Business Summit, in de workshop: Nurturing Innovators Through Education, 9 juni 2000.
ERT, Education et compétence en Europe. Februari 1989, p. 4
ERT, Une éducation européenne. Vers une société qui apprend. Juni 1995.
Europese Commissie, Rapport de la Commission. Les objectifs concrets futurs des systèmes d’éducation. COM(2001)59, Brussel 31 januari 2001
H. Giroux, The business of Public Education.
P. Henry, Internationales du commerce contre enseignement public ? Le Soir 10 oktober 2001.
N. Hirtt, e.a., School onder Schot. De democratisering van het onderwijs niet bestand tegen de crisis. Berchem 1997.
N. Hirtt, Het OESO-rapport 1998 over onderwijsbeleid.
N. Hirtt, Les trois axes de la machandisation scolaire.
N. Klein, No Logo. De strijd tegen de dwang van de wereldmerken. Rotterdam 2001.
OCDE, Politiques du marché du travail: nouveaux défis. Apprendre à tout âge pour rester employable durant toute la vie. Parijs 14-15 oktober 1997, OCDE/GD (97)162.
R. Petrella, Cinq pièges tendus à l’éducation. Le Monde Diplomatique oktober 2000, p. 6.
M. Vandepitte, De onderhandeling van de WTO in Qatar.
A. van Leeuwen, De nacht van het kapitaal. Door het oerwoud van de economie naar de bronnen van de burgerlijke religie. Nijmegen 1984.