Klimaatkennis van de Vlaamse leerkracht in opleiding blijft beperkt

Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 6 oktober stelde Pieter Boussemaere, docent aan de VIVES-hogeschool in Brugge, de resultaten voor van een enquête die hij organiseerde bij 430 studenten van de Vlaamse lerarenopledingen over de klimaatverandering.

In onderstaand artikel geeft hij een overzicht van de belangrijkste resultaten van deze enquête en formuleert hij aanbevelingen voor het onderwijsbeleid.

Op het einde van het artikel kan je het volledige rapport downloaden.

Voor deze enquête liet Pieter Boussemaere zich inspireren door de Ovds-enquête van 2015 bij 3200 leerlingen van de derde graad van het secundair onderwijs over klimaatverandering en hernieuwbare energie. Enkele vragen waren trouwens dezelfde. Pieter Boussemaere verklaarde op de persconferentie van 6 oktober dat de resultaten in dezelfde lijn liggen.

Volgens meer dan 80% van onze toekomstige leerkrachten is de klimaatopwarming in belangrijke mate het gevolg van het gat in de ozonlaag. Ook 79,6% van de toekomstige leraren aardrijkskunde (professionele bachelors) is hiervan overtuigd.Dit is een van de opmerkelijke resultaten uit het eerste Belgische onderzoek dat peilt naar de klimaatkennis van leerkrachten in opleiding.

Zes Vlaamse hogescholen (VIVES, Artevelde, Hogent, Odisee, PxL en Thomas More) namen deel aan het onderzoek dat zich richtte tot de studenten uit het tweede en derde opleidingsjaar bachelor lager en bachelor secundair onderwijs. Het onderzoek werd uitgevoerd door Pieter Boussemaere, docent geschiedenis en klimaat aan Hogeschool VIVES, i.s.m. Transform 3 (het platform klimaatneutrale energie) en Ovds (Oproep voor een democratische school).

Uit de enquête blijkt dat onze toekomstige leerkrachten niet in staat zijn om een van de grootste maatschappelijke kwesties van de 21ste eeuw met kennis van zaken te onderwijzen. Over het algemeen houden Vlaamse leerkrachten in opleiding er dezelfde foutieve, of in het beste geval dezelfde onvolledige noties op na als de leerlingen aan wie ze binnenkort les zullen geven. Nochtans denken de meeste leerkrachten in opleiding, en vooral de toekomstige leraren aardrijkskunde, voldoende tot zeer goed op de hoogte te zijn van de klimaatkwestie.

Dat veel leerlingen er verkeerde concepten op nahouden is ergens ook wel te begrijpen. De klimaatopwarming is een schoolvoorbeeld van een gelaagd probleem, waarin zowel de dimensies ruimte als tijd een extra complicerende en intellectueel uitdagende rol spelen. Voor het verwerven van voldoende inzicht in de materie is bijgevolg een doorgedreven en een logisch opgebouwd onderricht doorheen een schoolloopbaan noodzakelijk. Net dat ontbreekt in heel wat landen.

De cijfers

Er heerst een zeer grote verwarring over het gat in de ozonlaag. Bijna 60% verwart de werking van het broeikaseffect met het gat in de ozonlaag. Ook ongeveer de helft van de toekomstige leraren aardrijkskunde maakt deze fout. Een overweldigende 95% rekent het gat in de ozonlaag tot de oorzaken van de klimaatopwarming. Voor iets meer dan 80% is het oorzakelijk verband zelfs groot. Het is vreemd en verontrustend dat die verwarring evenzeer geldt voor onze toekomstige leraren aardrijkskunde. Ook hier is 80% ervan overtuigd dat het gat in de ozonlaag in belangrijke mate verantwoordelijk is voor de klimaatopwarming.

Nagenoeg geen enkele leerkracht in opleiding weet dat kernenergie een klimaatneutrale energiebron is. Bijna 90% ziet het gebruik van kernenergie als een van de oorzaken van de klimaatopwarming. Voor meer dan 75% van de respondenten is die oorzakelijke link zelfs heel duidelijk. De groep aardrijkskunde scoort iets beter. Toch ziet ook hier meer dan de helft een belangrijk oorzakelijk verband tussen kernenergie en de klimaatopwarming. Slechts een op vijf van de toekomstige leraren aardrijkskunde weet dat kernenergie een klimaatneutrale energiebron is.

Onze toekomstige leerkrachten hebben over het algemeen weinig notie van het feit dat natuurlijke fenomenen, zoals vulkaanuitbarstingen en een veranderende zonneactiviteit, nauwelijks tot niet verantwoordelijk zijn voor de huidige klimaatopwarming. Slechts een op vier toekomstige leerkrachten kruist het correcte antwoord aan. Iets meer dan 40% denkt zelfs dat verandering in zonneactiviteit behoorlijk veel tot heel veel bijdraagt tot de huidige klimaatopwarming. Een op drie denkt hetzelfde over vulkaanactiviteit. Opvallend is verder dat de foutieve ideeën over deze natuurlijke factoren even sterk zijn bij de groep aardrijkskunde.

Er heerst een grote verwarring over zure regen. Volgens zo’n 80% van onze toekomstige leerkrachten is zure regen medeverantwoordelijk voor de klimaatopwarming. Voor bijna de helft van hen is dat zelfs heel duidelijk het geval. De groep aardrijkskunde scoort hier iets beter, maar dan nog legt meer dan 40% een duidelijk oorzakelijk verband tussen zure regen en de klimaatopwarming.

De grote lijnen van wat ons in België de komende decennia in een business-as-usual (BAU) scenario te wachten staat, zijn niet gekend. Amper 8,4% van de respondenten slaagt erin om drie items (klimaatvluchtelingen, mislukte oogsten en zeespiegelstijging) in een chronologisch correcte volgorde te plaatsen. De toestroom van klimaatvluchtelingen zien de meeste respondenten (54,9%) ten onrechte als het laatste grote probleem waarmee we in België te kampen krijgen, terwijl dat naar alle verwachting nog voor 2050 te gebeuren staat. De zeespiegelstijging zien de meeste Vlaamse leerkrachten in opleiding (54%) ten onrechte als het eerste grote probleem waarmee België geconfronteerd wordt, terwijl die naar alle verwachting pas na 2100 echt problematisch wordt. Ook de toekomstige leraren aardrijkskunde worstelen met dit inzichtelijke tekort.

Het belangrijke klimaatbegrip ‘kantelpunten’, ook wel ‘omslagpunten’ of ‘tipping points’ genoemd, is totaal onbekend bij de Vlaamse leraren in opleiding. Een luttele 2,7% van de respondenten slaagt erin om het begrip min of meer correct te omschrijven.

Op de vraag: “Wat kunnen jij of je ouders doen om de klimaatopwarming tegen te gaan? Noem maximaal twee volgens jou belangrijke voorbeelden”, kan meer dan 70% van de toekomstige Vlaamse leerkrachten enkel klimaatoplossingen bedenken die ofwel nauwelijks tot niets met de klimaatopwarming te maken hebben, ofwel uitsluitend pleiten voor een individuele gedragsverandering die meestal weinig impact heeft. 38,6% van de antwoorden bevat minstens één voorstel dat nauwelijks tot niets met de klimaatopwarming te maken heeft en 90% van de voorstellen bevat minstens één voorstel tot individuele gedragsverandering.

Slechts een op vier van onze toekomstige leerkrachten denkt in zijn voorstellen aan de inzet van hernieuwbare energie of energieverlagende producten als belangrijke bijdrage in de strijd tegen de klimaatopwarming. En amper 5% slaagt erin om uitsluitend voorbeelden van hernieuwbare energie of energie verlagende producten te geven.Een schrale 0,6% tot 2% van de respondenten denkt aan een individuele of collectieve actie die de naaste omgeving of de overheid moet aanzetten tot meer en beter gecoördineerde maatregelen.

Aanbevelingen

Het is duidelijk dat Vlaanderen nog grote stappen te zetten heeft. Want ook al bouwt de wetenschap jaar na jaar meer kennis, inzichten en zekerheden op over de klimaatopwarming, ook al verwachten we van (toekomstige) leerkrachten dat ze beter geïnformeerd zijn dan hun leerlingen, het komt nauwelijks tot uiting in de resultaten van onze bevraging. Meer zelfs, uit deze enquête blijkt dat Vlaamse leerkrachten in opleiding over het algemeen dezelfde foutieve, of in het beste geval dezelfde onvolledige noties bezitten van het broeikaseffect, de oorzaken, de gevolgen en de oplossingen van de klimaatopwarming als hun buitenlandse collega’s of de leerlingen aan wie ze binnenkort les zullen geven.

Willen we een structurele en op korte termijn makkelijk realiseerbare verbetering van de situatie, dan moeten we tegelijkertijd minimaal inzetten op drie punten.

  1. We moeten de klimaatopwarming zichtbaar en concreet maken in de eindtermen, dit zowel op het vlak van de oorzaken, de gevolgen als de oplossingen. Momenteel komen de woorden klimaatverandering, klimaatopwarming of opwarming van de aarde niet voor in de Vlaamse eindtermen. Er staat in de eindtermen aardrijkskunde voor de derde graad enkel een onrechtstreekse verwijzing naar het broeikaseffect.
  2. We hebben nood aan een aparte klimaatleerlijn.Het opstellen van een aparte leerlijn (wat waar en wat wanneer) is cruciaal om leerlingen een sterker klimaatinzicht te verschaffen, zodat ze beter gewapend zijn tegen de gevolgen van de klimaatopwarming (adaptie) en doelgerichter kunnen meewerken aan het tegengaan ervan (mitigatie). Een aparte leerlijn heeft de volgende voordelen:
    a) het zorgt voor de nodige herhaling en didactische opbouw;
    b) het garandeert correcte informatie;
    c) het zorgt dat de informatie aangepast is aan de leeftijd, het intellectueel niveau en de psychologische weerbaarheid van de leerlingen;
    d) het gaat versnippering tegen zodat leerlingen het grotere plaatje blijven zien en de juiste verbanden blijven leggen tussen de verschillende aspecten van de klimaatopwarming;
    e) het vermijdt verwarring met andere problematieken zoals de afvalproblematiek, de waterproblematiek en andere duurzaamheids- of milieukwesties.
  3. We hebben nood aan een helder en eenduidig klimaatverhaal dat niet alleen wetenschappelijk correct, maar ook sociaalwetenschappelijk en didactisch sterk onderbouwd is.

Daarom pleiten we voor de oprichting van een ‘taskforce klimaat’ waarin verschillende experten en maatschappelijke actoren samenkomen om te werken aan een breed gedragen, coherent, uniform en up-to-date klimaatverhaal. Hierbij ligt de focus op de essentie en wordt rekening gehouden met sociaal-psychologische inzichten en maatschappelijke debatten. Een klimaatverhaal waarin de ruimte-tijddimensie een rode draad spant tussen oorzaken, gevolgen en oplossingen en een coherent en concreet beeld schetst van hoe een klimaatneutrale wereld eruit ziet. Hierbij staat centraal dat onze jeugd op een directe manier in contact komt met alternatieve energiebronnen in het algemeen, maar ook met hun eigen bijdrage daarin.

Dit moet als basis dienen voor tal van leerkrachten die aan de slag willen met het onderwerp. Het moet leerkrachten de nodige zelfzekerheid geven om het onderwerp aan te pakken. Het moet hen helpen om klaarheid te scheppen in de vele tegenstrijdige berichten die de media halen en in de stapel klimaatpakketten waarvan de inhoud zelden of nooit wordt gecontroleerd. Het moet hen helpen om de vele misvattingen die zijzelf en de leerlingen over de klimaatkwestie hebben voorgoed overboord te gooien.

Pieter Boussemaere is docent aan de VIVES Hogeschool. Hij is auteur van 'Eerste hulp bij klimaatverwarring. Waarom de opwarming van de aarde veel meer is dan een milieuprobleem.' (Davidsfonds, 2015) Het boek geeft een overzicht van de klimaatomstandigheden in heden, verleden en toekomst, met als rode draad het verhaal achter de ontdekking van het probleem, de controverse errond en de duizelingwekkende belangen waarin het verstrikt raakte. Pieter Boussemaere schreef eerder al 'De langste reis. Op zoek naar het ontstaan van de mens' (Davidsfonds, 2012) en is al jaren een veel gevraagd spreker.