De hervorming van het secundair of hoe de vis te verdrinken

Facebooktwittergoogle_plusmail

De hervorming van het secundair is broodnodig voor het onderwijs en de democratie, maar men is bezig de vis te verdrinken. Een overzicht van wat professor Ides Nicaise (medeauteur van het boek “Het onderwijsdebat”) en Groen-parlementslid Elisabeth Meuleman vertelden over de hervorming op de 8 uren.

Professor Nicaise benadrukte de kwalijke gevolgen van de “early tracking” zoals we die nu kennen. Wat zijn de mechanismen achter dit verschijnsel? Ouders kiezen voor statusbehoud, ouders met een lagere sociale status zullen dus een minder ambitieuze keuze maken voor hun kinderen. Leerkrachten geven advies op basis van goede prestaties en in functie van homogene groepen, niet op basis van belangstelling en talent. De gevolgen hiervan zijn verstrekkend en niet minder dan een gevaar voor de democratie. In de eerste plaats leidt dit tot een tekort aan STEM-afgestudeerden. Als je de verdeling van de sociaal-economische decielen over de verschillende onderwijsvormen bekijkt, vind je leerlingen uit de lagere sociale klassen vooral terug in het BSO en TSO, terwijl de leerlingen uit de hogere sociale klassen het best vertegenwoordigd zijn in het ASO. Deze situatie geeft aanleiding tot een gevoel van demotie bij wie uit de lagere sociale klassen komt. Dat gevoel is een bron van intolerantie en cynisme en andere attitudes die een bedreiging vormen voor onze democratie. Leerlingen uit de beroepsgerichte richtingen zijn gedemotiveerd om te leren, en dit zet zich ook door op latere leeftijd, tijdens de volwassenheid, wanneer het erop aan komt zich bij te scholen. Laaggeschoolden lopen dan ook meer risico om werkloos te worden op lange termijn. Al bij al een vrij donker plaatje voor wie in de onderste regionen van ons watervalsysteem terechtkomt.

Onderzoek toont dus aan dat de onderwijsresultaten worden bepaald door de sociale herkomst. De “late tracking”, waartoe de hervorming van het secundair toch een eerste aanzet gaf, zou hierin verandering kunnen brengen en meer rechtvaardigheid en kwaliteit brengen voor alle leerlingen. Bij deze hervorming zouden er bovendien geen verliezers zijn, want uit vergelijkend onderzoek blijkt dat “early tracking” tussen de 10 en de 16 jaar voor alle leerlingen beduidend minder leerwinst oplevert dan “late tracking” (met enkele uitzonderingen zoals wiskunde). Dat is dus niet alleen nefast voor de zwakke leerlingen, maar ook nadelig voor de sterke.

Van “hervorming” naar “modernisering”

Intussen spreekt men vanuit het beleid niet langer van een “hervorming” maar van een “modernisering”. Uit de eerste resultaten van de screening blijkt dat de tweedeling tussen doorstromings- en marktgerichte richtingen wordt gepusht. Van de hybride richtingen wordt beweerd dat ze minder effectief zijn bij het vinden van een job. Terwijl de hervorming de studiekeuze wilde uitstellen van 12 tot 14 jaar, stuurt het debat nu aan op het vervroegen van de levenskeuze van 18 tot 14-16 jaar. Intussen wil men ook de uitgereikte B-attesten bindender maken.

Conclusie van Nicaise: het hervormingsdebat focust zich op de economische efficiëntie van het onderwijs, maar met de democratisering gaat het zienderogen achteruit. De handvatten die ons resten om nog een en ander uit de brand te slepen zijn de herziening van de eindtermen en de evaluatie van de matrix van onderwijsrichtingen in 2016.
Dezelfde teneur bij Elisabeth Meuleman, lid van de parlementscommissie Onderwijs voor Groen: men is bezig de vis te verdrinken. Het akkoord dat was afgesloten binnen de vorige Vlaamse regering wordt stelselmatig uitgehold en daarbij maakt men gebruik van een aantal handige bliksemafleiders. Zo is het STEM-actieplan (vanaf de 1e graad) in flagrante tegenspraak met de hervorming. Dit is het nieuwe Latijn, een richting die segregerend en determinerend werkt. Andere bliksemafleiders zijn: de taalscreening, de centrale toetsen aan het einde van het basisonderwijs en het eindtermendebat. Zij het dat dat laatste plaatsvindt in samenwerking met de oppositie in het parlement. Het duaal leren, oorspronkelijk bedoeld om de ongekwalificeerde uitstroom tegen te gaan, is een dossier waarin vrij baan wordt gegeven aan de werkgevers om hun greep op het onderwijs te vergroten. Zij kiezen immers de leerlingen waarmee ze willen werken.
Wat valt er nog te redden? Volgens Meuleman zijn het inschrijvingsbeleid en de GOK-financiering (of noem het de SES-middelen) twee dossiers waarop we moeten inzetten om de meubelen te redden.

Tijdens de nabespreking werd nog gewezen op het sluipende gevaar van de Vlaamse kwalificatiestructuur (VKS), die voortvloeit uit het Verdrag van Lissabon. Die wordt buiten de controle van het parlement om opgesteld door het agentschap AHOVOKS (de opvolger van AKOV), in samenspraak met de minister.
Eén ding maakte deze workshop wel duidelijk: wie voor de democratisering van het onderwijs is, staat op dit ogenblik in het defensief.