Interview met drie ervaringsdeskundigen buitengewoon onderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Méér dan 50.000 kinderen en jongeren starten het nieuwe schooljaar in het Vlaams buitengewoon basis-of secundair onderwijs. Het “buitengewoon” onderwijs is er voor kinderen met een ernstige lichamelijke of mentale stoornis of handicap.

Dit onderwijs kan in ons land bogen op een sterke traditie dank zij de inzet en deskundigheid van duizenden leerkrachten, directeurs en andere specialisten. De goede naam van ons buitengewoon onderwijs reikt tot ver over de landsgrenzen.

Nochtans zijn er ook tekortkomingen. Een hervorming is nodig om de uitdagingen aan te kunnen. Zo moet België een verdrag van de VN (Verenigde Naties) inzake rechten van gehandicapten toepassen dat stelt dat kinderen zoveel mogelijk in het gewoon onderwijs moeten worden geïntegreerd.

Hieronder volgt het relaas van een rondetafel met drie veldwerksters uit het buitengewoon onderwijs. Samen goed voor 80 jaar ervaring. Zij geven hun diagnose van de problemen en formuleren voorstellen voor oplossingen en hervormingen. Ze geven ook hun bedenkingen bij het ontwerp van decreet “Bijzondere en Noodzakelijke Maatregelen” (BNM-decreet) dat minister Pascal Smet klaar stoomt.

80 jaar ervaring in het buitengewoon onderwijs

Ingrid Dierckx is van opleiding leerkracht wiskunde, maar werkt sinds1980 voor het geïntegreerd onderwijs (GON). Dit houdt in dat ze de leerlingen met een fysieke beperking begeleidt in hun loopbaan in het gewoon onderwijs. Haar werkterrein ligt voornamelijk in het secundair onderwijs. Ze is gespecialiseerd in jongeren met een visuele beperking.

Maria Geuens is directeur in een basisschool van het buitengewoon onderwijs voor het type 3 (dit zijn jongeren met gedrags- of emotionele problemen). Zij heeft een master in de orthopedagogie en heeft acht jaar gewerkt als orthopedagoog in het buitengewoon basisonderwijs (BuBaO). Sinds 2 jaar is zij directeur.

Anita Sohie is van opleiding onderwijzer en heeft 30 jaar les gegeven in het BuO, lager en secundair, type 1 en type 2. Daarna was ze 8 jaar directeur van een lagere BuO school type 1 in het Antwerps stedelijk onderwijs.

Acht types

In het buitengewoon onderwijs (BuO) heeft men vandaag 8 types:

1. Licht mentaal : IQ 60 t/m 80

2. Zwaar mentaal: IQ <60

3. Gedrags- en emotionele problemen

4. Motorische stoornissen

5. Verblijf in ziekenhuis of psychiatrische instelling

6. Visuele stoornis (alle IQ)

7. Gehoorstoornis (vaak ook autisme vanwege communicatie problemen)

8. Leerstoornissen (normaal IQ) vb ADD, ADHD, Dyspraxie, …

Interview met drie ervaringsdeskundigen

Vraag. Het buitengewoon onderwijs telt acht types. Is dit een goede indeling?

Maria. Deze onderverdeling heeft zeker zijn goede kanten. Zo kan je je als school specialiseren en professionaliseren in een bepaalde categorie. Een team kan zich onmogelijk in alle soorten problemen en beperkingen van jongeren specialiseren. De onderverdeling in types zorgt er dan ook voor dat je voor een bepaald type een sterk en professioneel team kan creëren. Helaas is de praktijk vaak veel complexer en is het niet altijd duidelijk tot welk type een bepaald kind behoort.

Ingrid. Ja, dat is nu net een belangrijk probleem van het onderverdelen in types. Sommige types kunnen heel duidelijk zijn, zoals bijvoorbeeld “blindheid”. Een kind dat blind is heeft specifieke noden en kan perfect opgevangen worden in type 6 (visuele beperkingen), maar wat doe je met een blind kind dat ook autisme of een leerstoornis heeft? Ook zijn bepaalde types zeer moeilijk te definiëren. Type 3 (gedrags- en emotionele problemen) is daar een voorbeeld van.

Maria. In het gewoon onderwijs moet de leerling zich aanpassen aan de school. De school heeft een pedagogisch programma en stelt bepaalde verwachtingen aan de leerlingen. Daaraan dient de leerling zich, uiteraard met de nodige ondersteuning, aan te passen.Men spreekt hier over ‘normgerichtonderwijs’. Het buitengewoon onderwijs is ‘ontwikkelingsgericht onderwijs’. Hier dient de school zich aan te passen aan de beperking van de leerling.Het paradoxale is echter dat je,door de leerlingen op te splitsen in types en bijgevolg de gespecialiseerde scholen, hetzelfde effect bekomt als in het gewoon onderwijs. Namelijk dat de school zegt “jij hoort hier niet thuis, want je past niet in de doelgroep van onze school (lees type). Je voldoet dus niet aan de ‘norm’.’

Anita. De indeling in types was een goede poging om structuur te brengen in het BuO begin jaren 1970, maar is nu voorbijgestreefd.Op kinderen een etiketje kleven doet hen onrecht aan. Een goede diagnose en omschrijving van de talenten, mogelijkheden en moeilijkheden is veel nuttiger voor zowel de leerkracht als het kind, en laat toe om veel gerichter te werken.

Vraag. In sommige Europese landen bestaat er geen buitengewoon onderwijs. Vind je het buitengewoon onderwijs wel noodzakelijk?

Ingrid. Er zijn veel zogenaamde“probleemkinderen”die mits de nodige begeleiding kunnen meedraaien in het gewoon onderwijs. Daartegenover staan er ook kinderen die echt nood hebben aan buitengewoon onderwijs. Zoals zware motorische en/of mentale beperkingen. Sommige jongeren met visuele beperkingen hebben nood aan bijzonder onderwijs als opstapje naar het gewoon onderwijs. Zij moeten bijvoorbeeld eerst het brailleschrift aanleren zodat zij voldoende slaagkansen krijgen in het gewoon onderwijs.

Maria. Er zijn kinderen die een korte periode in het Buitengewoon Onderwijs moeten doorlopen om bepaalde strategieën aan te leren. Deze strategieën zorgen ervoor dat de kinderen“tools”hebben om zich te kunnen handhaven binnen het gewoon onderwijs. Bijvoorbeeld braille voor een blind kind,leren gebruiken van SPRINT (= lees- en schrijfsoftware) voor kinderen met dyslexie, persoonlijke relaxatietechnieken voor kinderen met ADHD….

Anita. Ik vind buitengewoon onderwijs absoluut noodzakelijk, alleen zou het niet ‘buitengewoon’ moeten zijn. Het onderwijs zou zo georganiseerd moeten zijn dat elk kind de begeleiding en ondersteuning krijgt die het nodig heeft. Als dat specialisten vereist, dan moeten die voorzien worden. Met kleinere klassen, goed opgeleide mensen die de nodige kennis hebben van gespecialiseerde methodes en programma’s en specialisten waar nodig (logopedisten, kinesisten, verplegers, psychologen…) in de scholen kunnen de meeste kinderen geholpen worden. Nu heet dat ‘buitengewoon onderwijs’, maar dat zou eigenlijk heel ‘gewoon’ moeten zijn.

Anderzijds heb ik vaak gemerkt dat kinderen, na frustraties in het gewone onderwijs en een zeer negatief zelfbeeld als gevolg hiervan, in het buitengewoon onderwijs helemaal open bloeien en terug zelfvertrouwen krijgen, wat dan weer positieve gevolgen heeft op hun leren. Vaak zijn ouders me komen zeggen dat ze die stap veel eerder hadden moeten zetten.

Vraag. Er wordt vaak gezegd dat er steeds meer “probleemkinderen” zijn. Klopt dit?

Maria. Ik denk niet dat er een stijging van de zogenaamde probleemkinderen is. Wat ik wel merk is dat er steeds hogere verwachtingen van de maatschappij zijn, waardoor misschien meer kinderen uit de boot vallen.

Ingrid. In het gewoon onderwijs is er steeds minder tijd om te differentiëren, waardoor sommige kinderen verzuipen. Dit heeft zeker te maken met de hoge werkdruk op leerkrachten. Zij moeten zich steeds meer administratief bezighouden, zorgen dat hun eindtermen bereikt worden en dit alles met zeer grote klassen en weinig ondersteuning.

Maria. Wij merken dan ook een stijging van het aantal leerlingen in type 1, 3 en 8 (Licht mentale beperking, Gedrags- en emotionele problemen en Leerstoornissen)

Ingrid. Ook de leerlingen van de andere types zijn steeds minder enkelvoudig. Zij hebben dus steeds vaker nog andere beperkingen en bijgevolg meer begeleiding nodig.

Anita. Hier ben ik het eens met Maria: ook ik denk niet dat er meer ‘probleemkinderen’ zijn, maar dat er inderdaad meer eisen worden gesteld waardoor meer kinderen uit de boot vallen. Ook meer ouders trouwens, die het gevoel hebben uit de boot te vallen en hun kinderen niet meer voldoende kunnen ondersteunen.

Overigens is het ook zo dat meer moeilijkheden wetenschappelijker kunnen worden aangepakt. Vroeger was een kind met ADHD of ASS (Autisme spectrum stoornis) gewoon een lastig kind (‘nen ambetanterik’), nu kan men mits een goede diagnose veel gerichter werken met zulke kinderen.

Vraag. Is het de taak dan van het buitengewoon onderwijs om zoveel mogelijk leerlingen naar het gewoon onderwijs te krijgen?

Maria. Kinderen structuren aanbrengen waardoor ze gewapend zijn in het gewoon onderwijs, kan niet zonder de steun en medewerking van het gewoon onderwijs. Samenwerking tussen buitengewoon en gewoon onderwijs is zeer belangrijk.

Ingrid. Leerkrachten in het gewoon onderwijs hebben vaak niet de knowhow om met bepaalde leerlingen om te gaan. Ik had ooit een leerling met een Autisme Spectrum stoornis. Tijdens de ene les mocht hij, na het maken van een toets, luisteren naar muziek op zijn mp3 tot de les verder ging, terwijl dit niet toegestaan was door een andere leerkracht bij een ander vak. Dit leidde tot een groot conflict met deze leerling omdat hij niet kon begrijpen dat iets bij de ene leerkracht wel en bij de andere niet mocht. De leerling kon zonder twijfel het niveau aan van de school, maar de school kreeg niet de nodige informatie en begeleiding om met deze leerling goed om te gaan.

Anita. Wettelijk gezien is dat enkel de taak van scholen type 8 (dat type bestaat niet op niveau secundair onderwijs), maar in de praktijk is het zo dat kinderen inderdaad soms na een periode in het BuO terug naar het gewone onderwijs kunnen, met succes! Toch vind ik dat je daar voorzichtig moet mee zijn, want er valt dan meteen een heleboel begeleiding en ondersteuning weg.

Ik heb vaak tegen ouders van mijn leerlingen gezegd: U vindt het erg dat uw kind naar het BuO ‘moet’, wat ik begrijp. Maar het zou veel erger zijn als uw kind niet naar het BuO zou mogen, want het heeft recht op de ondersteuning en begeleiding die het nodig heeft. Als uw kind dat nodig heeft, zou u dat recht moeten opeisen!

Bovendien heeft het BuO onterecht een negatieve bijklank in onze maatschappij. Uit cijfers van de Europese Unie (2003) blijkt dat 75 % van de leerlingen uit het buitengewoon beroepsonderwijs type 1 werk had na het verlaten van de school en na 3 jaar nog aan het werk was. Voor leerlingen uit het gewone beroepsonderwijs was dat slechts 30 %.

Dat heeft natuurlijk alles te maken met de betere omkadering en daarbij ondersteuning die het BuO kan bieden.

Vraag. Welke goede initiatieven worden er reeds genomen in het gewoon onderwijs om leerlingen niet te snel door te sturen naar Buitengewoon onderwijs en welke zaken zouden er nog moeten gebeuren?

Ingrid. GON-begeleiding is zeker al een goede start, maar voor sommige beperkingen toch te weinig. GON begeleiding is vaak beperkt in aantal uren en tijd. Voor een Autisme Spectrum stoornis krijgt men maximaal 2 jaar begeleiding. Daarna wordt zowel leerling als school geacht om het alleen verder te kunnen.

Maria. De slaagkans van een leerling hangt voor een groot stuk af van de begeleider, leerkrachten en de leerlingen in de klas.Deze groepen zouden ook moeten leren van de beperking van een leerling en niet louter met een individu leren omgaan. Men zou dus van iedere leerling met een beperking moeten leren hoe men met een andere leerling moet omgaan. Nu wordt er in scholen nog te vaak persoonlijk naar het individu gekeken en neemt men er te weinig van mee voor de volgende leerling met een beperking.

Onder de vorige onderwijsminister kregen de scholen “mentoruren”: oudere leerkrachten konden nieuwe leerkrachten begeleiden in hun omgang met de leerlingen.De huidige Vlaamse regering heeft die positieve maatregel afgeschaft om te besparen.

Ingrid. Vanwege de beperkte uren waarmee scholen het moeten stellen, gebruikt men noodgedwongen GOK-uren en zorgcoördinatoren voor andere doelstellingen dan waarvoor ze bedoeld zijn.

Maria. Scholen moeten steeds weer creatief zijn vanwege te weinig middelen en te hoge werkdruk.Ze trachten dan ook vaak nog de verdronken kalfjes te redden en hebben al helemaal geen tijd en middelen meer om structureel, duurzaam en preventief te werken. Er zijn geen uren ter beschikking voor kinderen die geen ‘zware’ problemen hebben, waardoor deze uiteindelijk kinderen worden met zware problemen. Iets dat vermeden had kunnen worden.

Anita. GON begeleiding is een maatregel, maar inderdaad veel te beperkt. Zorguren zijn ook een goede zaak, maar die worden door de scholen zeer verschillend ingevuld.

Als men kinderen niet naar het BuO wil sturen, dan zal men in het gewone onderwijs de omkadering van het BuO moeten voorzien. Maar dat is natuurlijk de bedoeling niet van de overheid, want dan zou het veel meer kosten en ik deel de mening dat veel argumenten voor ‘integratie’ eigenlijkals dekmantel dienen om tebezuinigenop het duurdere buitengewoon onderwijs.

Aan de opleiding en scholing van leerkrachten kan ook nog veel verbeterd worden. Zij moeten de specifieke methodes en leerprogramma’s leren kennen die nodig zijn voor de gepaste omgang met moeilijk lerende kinderen.

Ik wil even de vergelijking maken met de geneeskunde: misschien gaan mensen te veel of te snel naar een specialist, maar dat betekent niet dat we specialisten moeten afschaffen en dat zij niet erg nuttig zijn voor wie dit nodig heeft!

Vraag. Wat zijn dan concreet maatregelen die noodzakelijk zijn om een goede verzorging van leerlingen te bekomen?

Ingrid. Kleinere klassen! Zeker niet meer dan 15 leerlingen per klas.

Maria. Ja, hierdoor kan men echt differentiëren. Ook de opleiding van leerkrachten zou meer uitgebreid mogen zijn. Men mag wat meer de klemtoon leggen op wat er fout kan lopen bij een slechte of ontoereikende begeleiding.

Ingrid. Dokters en advocaten werken vaak met assistenten. Misschien zou iets gelijkaardigs in het onderwijs wel nuttig zijn. Leerkrachten in opleiding zouden dan kunnen samenwerken met andere leerkrachten. Dit lijkt mij een win-win situatie.

Maria. Zeker wanneer men steeds later op pensioen mag gaan.

Anita. In het gewone onderwijs de omkadering van het BuO voorzien.Een grondiger opleiding van leerkrachten. Kleinere klassen. Mensen niet langer laten werken! Uit mijn ervaring als directeur weet ik dat mensen van 55+ het over het algemeen erg moeilijk krijgen om nog enthousiast, motiverend en energiek met de leerlingen te werken, uitzonderingen niet te na gesproken natuurlijk. Leerkrachten op die leeftijd krijgen vaak lichamelijke problemen waardoor ze meer thuis zijn, wat niet bevorderlijk is voor de onderwijskwaliteit, en bovendien ook veel kost (als we het dan toch over geld moeten hebben).

Vraag. Zijn er problemen i.v.m. het diagnosticeren van bepaalde leerlingen waardoor zij niet op de juiste plaats terecht komen?

Maria. Het loopt vaak mis bij het diagnosticeren van kinderen. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met de financiële middelen van het gezin. Aangezien dat dokters, psychiaters en psychologen veel geld kosten leidt dit vaak tot onderdiagnosticeren van de financieel zwakkere kinderen.Een juiste diagnose is echter een sleutel tot een oplossing voor het probleem. Deze kinderen komen dan ook niet op de juiste plaats terecht.

Eigenlijk zou geen enkel kind uitgesloten mogen worden van een diagnose. Wanneer wij als school bepaalde zaken vaststellen bij het kind zouden we de ouders gratis onderzoek moeten kunnen aanbieden zodat het kind de juiste begeleiding kan krijgen.

Ingrid. Het omgekeerde komt ook voor. Sommige scholen zijn populairder dan andere. De mondige en/of welgestelde gezinnen kunnen dan zorgen dat hun kind makkelijker een diagnose bekomt om op één van die scholen toegelaten te worden. Ook in de GON-begeleiding is dit een vaak voorkomend probleem. Sommige stoornissen hebben recht op meer en langere begeleiding. Ouders die het zich kunnen veroorloven geraken dan aan die diagnoses voor hun kind opdat ze langer kunnen genieten van extra begeleiding.

Anita. Het klopt dat de socio-economische situatie van de ouders, zoals overal, ook hier een rol speelt. Ik wil hier toch ook de rol van het CLB (centrum voor leerlingenbegeleiding) benadrukken. Zij kunnen sommige diagnoses stellen en zijn volledig gratis. Meestal hebben ze contacten met artsen en centra en kunnen ze de ouders begeleiden hierbij. Ze houden ook rekening met de financiële situatie van de ouders.

Vraag. Er is een nieuw decreet op komst i.v.m. het Buitengewoon Onderwijs (BNM-Decreet, “Bijzondere en Noodzakelijke Maatrgelen”). Wat verwacht je ervan?

Anita. Een nieuw decreet is nodig, alleen al omdat de indeling in types hopeloos voorbijgestreefd is. Helaas vrees ik, gezien de huidige context, dat een nieuw decreet meer besparingsgericht zal zijn dan kindgericht. Het oorspronkelijke ‘leerzorgkader’ dat met de vorige minister, Frank Vandenbroucke, werd voorbereid, was niet ideaal, maar bood veel mogelijkheden. Het werd echter teruggefloten wegens ‘onbetaalbaar’.

Maria. Er staan volgens mij zeker een aantal zeer interessante zaken in. Het is erg kritisch en wil leerlingen eerder uit het buitengewoon onderwijs houden.

Ingrid. Ja, maar ik ben bang dat dit eerder is omwille van een besparing op het buitengewoon onderwijs dan omwille van een bekommernis om het kind.

Maria. Men was ook verplicht om een dergelijk decreet op te stellen, want de overheid heeft hierover een VN-verdrag goedgekeurd. Een besparing op het buitengewoon onderwijs zou moeten inhouden dat men het uitgespaarde geld moet investeren in het gewoon onderwijs.

Ingrid. Inderdaad! Wanneer men iedere euro die men minder uitgeeft vanwege dit decreet zou investeren in begeleiding en ondersteuning van het gewoon onderwijs, zou dit pas echt in het belang van de leerlingen zijn.

Maria. Ik heb jammer genoeg de indruk dat de scholen vanwege hun beperkte middelen nog niet klaar zijn voor zo’n decreet.

Ingrid. Samenwerken tussen al de types van scholen is zeer belangrijk. Ook over de netten heen. Eén enkel net zou geld doen vrijkomen om te investeren en zou aan de basis kunnen liggen van een goede samenwerking, maar dat is zeker een andere discussie?

Samy Meljado

Dit interview verscheen in De democratische school, nr. 55, september 2013.