Mieke Van Houtte (UGent) over hervorming secundair onderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een structurele hertekening van het secundair onderwijs is broodnodig, vindt Mieke Van Houtte, hoofddocent aan de Universiteit Gent. Ze maakt deel uit van de vakgroep sociologie en van onderzoeksgroep CuDOS.

De hervormingsplannen in het secundair onderwijs krijgen heel wat weerstand (De Morgen 10 mei 2012). Nochtans laat wetenschappelijk onderzoek geen twijfel bestaan over de noodzaak van een drastische structurele hervorming. Hierbij nog eens de argumenten.

Bepaalde tegenstanders zien de noodzaak van een hervorming gewoon niet in: we hebben zeer kwaliteitsvol onderwijs, waarom iets veranderen dat goed werkt? Daarbij wordt compleet genegeerd dat bijna nergens in Europa zulke grote verschillen bestaan tussen de prestaties van de sterkst en de zwakst presterende leerlingen. De zeer rigide indeling in onderwijsvormen is hier de boosdoener.
In landen met uitgestelde studiekeuze en heterogene groepen is de ongelijkheid inderdaad veel kleiner.

Bovendien bestaat in Vlaanderen een heel sterk verband tussen de sociaaleconomische herkomst van leerlingen en hun uiteindelijk bereikte onderwijsniveau. De hiërarchie van studierichtingen zorgt ervoor dat iedereen hoog mikt, maar wat begrepen wordt onder ‘hoog mikken’ hangt samen met de sociaaleconomische situatie van het gezin. Ouders en jongeren proberen minstens het opleidingsniveau van de ouders te evenaren, maar vermijden daarbij zoveel mogelijk risico’s. Concreet zullen jongeren uit arbeidersgezinnen, ongeacht hun prestaties, minder geneigd zijn opties zoals Latijn of moderne te kiezen omdat dat niet gebruikelijk is bij ‘mensen zoals zij’. Tegelijk kiezen jongeren uit meer bemiddelde gezinnen, ongeacht hun prestaties, voor hooggewaardeerde richtingen zoals Latijnse.

Dat leidt tot sociale ongelijkheid en verlies van talent. Jongeren uit sociaal zwakkere milieus met de geschikte capaciteiten kiezen bepaalde richtingen niet omdat ze denken er niet thuis te horen, terwijl anderen koste wat het kost voor hooggewaardeerde richtingen kiezen, ook als ze er de capaciteiten niet voor hebben. Iedereen moet kunnen ‘proberen’, maar het prijskaartje is hoog. Falende leerlingen die moeten ‘zakken’ raken gedemotiveerd, met nefaste gevolgen voor hun schoolloopbaan.

Prestatiekloof

In theorie hebben we vandaag al een gemeenschappelijke eerste graad met hetzelfde lessenpakket voor alle leerlingen. In de praktijk heeft het echter nooit zo gewerkt. De optievakken in de eerste graad blijken heel bepalend voor de verdere schoolloopbaan. Scholen delen leerlingen namelijk in op basis van het gekozen optievak, waardoor groepen onderscheiden worden die niet enkel van elkaar verschillen in termen van het gekozen vak, maar ook in termen van het niveau waarop andere vakken gedoceerd worden.

Deze duidelijke differentiatie tussen richtingen wordt versterkt door het feit dat niet elke school alle opties aanbiedt. In technische scholen behoren Latijn en moderne niet tot de mogelijkheden, net zomin als techniek of kunst in scholen voor algemeen onderwijs. De keuze voor een bepaalde school wordt op die manier een keuze voor een richting, wat de idee van een gemeenschappelijke, oriënterende eerste graad ondermijnt. Alleen al deze vaststelling noopt tot een verregaande structurele verandering, waarbij alle scholen in de eerste graad alle vakken aanbieden, zonder differentiatie in onderwijsvormen.

Deze indeling in onderwijsvormen zou volgens sommigen geen negatieve gevolgen hebben, dus kan men beter de studieoriëntering aanpakken en het systeem behouden (zie de opiniebijdrage van Wouter Duyck, De Morgen 10 mei 2012). Dat is echter heel kort door de bocht. Veelvuldig onderzoek sinds de jaren zestig over de gevolgen van het homogeen groeperen van leerlingen volgens bekwaamheid, lijkt globaal gezien te concluderen dat dit tot positieve resultaten leidt. Dat verbaast ook niet: homogene groepen maken een gefocust curriculum en een aangepaste onderwijsaanpak mogelijk, waarbij leerkrachten niet bang hoeven te zijn om trage leerlingen te verliezen of snelle leerlingen te vervelen.

Het verhaal is echter veel genuanceerder dan dat. Terwijl goede leerlingen voordeel halen uit homogene groepen, is dat minder het geval voor middelmatige leerlingen, en al helemaal niet voor zwakke leerlingen. Rekening houdend met initiële bekwaamheid en prestaties, scoren leerlingen in meer gewaardeerde studierichtingen beter en leerlingen in de minst gewaardeerde richtingen het slechtst. Zwakkere leerlingen presteren beter in heterogene dan in homogene groepen omdat ze daar kunnen meedrijven met de goede leerlingen.

Antischoolcultuur

De differentiëring van leerlingen leidt niet alleen tot een prestatiekloof. In Vlaamse technische en beroepsscholen zijn de leerlingen gemiddeld minder studiebetrokken, ze hebben een groter gevoel van zinloosheid, voelen zich minder thuis op school en hebben een lagere zelfwaardering. Ze vertonen meer wangedrag zoals spieken en spijbelen, en gaan ook beduidend vaker werken na de schooluren. In deze scholen ontstaan antischoolculturen, die ook leerlingen die wel gemotiveerd zijn beïnvloeden.

In multilaterale scholen, die ASO, TSO en BSO aanbieden, worden de verschillen tussen ASO en BSO in studiebetrokkenheid en zelfwaardering zo mogelijk nog groter, omdat het stigma voor beroepsleerlingen hier nog sterker is. Een einde maken aan het hiërarchische onderwijssysteem is dan ook aangewezen vanuit de optiek van het tegengaan van schoolmoeheid in het beroepsonderwijs.

Technisch en beroepsonderwijs moeten positieve studiekeuzes worden. De huidige organisatie van het onderwijs werkt het hiërarchisch denken echter in de hand. Daarom is een mentaliteitswijziging zonder structuurverandering niet vanzelfsprekend.

Mieke Van Houtte

Dit artikel verscheen als Opinie in De Morgen (12 mei 2012)